De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank Limburg die de zorgregeling tussen hem en zijn twee minderjarige kinderen heeft gewijzigd, waarbij het contact tussen vader en kinderen werd geschorst voor twaalf maanden. De kinderen stonden sinds 2018 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI), welke ondertoezichtstelling in augustus 2024 is beëindigd.
De vader vordert primair het vernietigen van de beschikking en het in stand laten van een eerdere zorgregeling met begeleide omgang, subsidiair een opbouwende regeling en meer subsidiair een begeleide omgangsregeling. De moeder en de raad voor de Kinderbescherming verzetten zich hiertegen en stellen dat omgang niet in het belang van de kinderen is vanwege hun weerstand en traumatische ervaringen.
Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. De ondertoezichtstelling is beëindigd, maar de gewijzigde regeling blijft van kracht. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over dat de kinderen zeer kwetsbaar zijn, er veel weerstand is tegen contact met de vader en dat de vader herhaaldelijk afspraken met hulpverleners niet is nagekomen. Het contact herstellen is niet in het belang van de kinderen, die rust nodig hebben voor hun ontwikkeling.
Daarom bekrachtigt het hof de bestreden beschikking en wijst het hoger beroep van de vader af. De kinderen blijven geen contact met de vader hebben en er wordt geen zorgregeling vastgesteld. De beslissing is op 19 december 2024 in het openbaar uitgesproken door het hof te 's-Hertogenbosch.