ECLI:NL:GHSHE:2024:4130

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 december 2024
Publicatiedatum
20 december 2024
Zaaknummer
200.348.787_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verschoning
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 517 SvArt. 13 Zaakstoedelingsregeling StrafrechtArt. 14 Zaakstoedelingsregeling Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot verschoning raadsheer wegens eerdere betrokkenheid als officier van justitie

In deze zaak heeft raadsheer Koning verzocht zich te mogen verschonen van de verdere behandeling van een strafzaak waarin hij eerder als officier van justitie betrokken was geweest. Dit verzoek volgde nadat tijdens de voorbereiding bleek dat hij in zijn vorige functie meerdere vorderingen in de onderzoeksfase had ondertekend, zonder dat hij zich dit eerder herinnerde.

De verschoningskamer oordeelde dat het uitgangspunt is dat een rechter onpartijdig moet zijn, maar dat ook de schijn van partijdigheid voldoende is om verschoning toe te wijzen. De eerdere inhoudelijke betrokkenheid van de raadsheer bij de zaak vormt een objectieve omstandigheid die de schijn van partijdigheid kan wekken. Dit is in lijn met de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

De kamer concludeerde dat de raadsheer zich terecht heeft teruggetrokken en dat het verzoek om verschoning toewijsbaar is. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken en de betrokken partijen werden onverwijld geïnformeerd.

Uitkomst: Het verzoek van raadsheer Koning tot verschoning wordt toegewezen vanwege zijn eerdere betrokkenheid bij de strafzaak als officier van justitie.

Uitspraak

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van verschoningsverzoeken
op het schriftelijk verzoek zich te mogen verschonen als bedoeld in artikel 517 van Pro het Wetboek van Strafvordering van
mr. H.A.T.G Koning,
raadsheer bij het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, team strafrecht,
hierna: verzoeker
belast met de behandeling van de strafzaak van verdachte [verdachte] (hierna: de verdachte) met parketnummer [parketnummer] , advocaat: mr. M. van Stratum, advocaat te ’s-Gravenhage.

1.Procesverloop

1.1.
In de strafzaak van de verdachte was een inhoudelijke behandeling gepland op 4 december 2024.
1.2.
Bij e-mailbericht van 29 november 2024 te 14.15 uur heeft de strafgriffie namens de voorzitter van de behandelende strafkamer het volgende medegedeeld: “
Het hof heeft na de regiezitting van 6 maart j.l. geconstateerd dat een van de raadsheren die op die zitting zat (mr. Koning) in zijn vorig werkend bestaan een paar beslissingen heeft genomen als officier van justitie van het parket Ze-We-Brab. Het hof, inclusief mr. Koning, was hiervan vooraf niet op de hoogte. De heer Koning zal geen deel uitmaken van de combinatie die de zaak inhoudelijk gaat behandelen.(…)”
1.3.
Bij bericht van 6 december 2024 heeft verzoeker een schriftelijk verzoek ingediend bij de verschoningskamer.
1.4.
De verschoningskamer is van oordeel dat een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege kan blijven.

2.De motivering

2.1.
Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verzoek aangevoerd dat hem bij de voorbereiding van de inhoudelijke behandeling is gebleken dat hij in de zaak van de verdachte, in zijn voormalige functie als officier van justitie bij het parket Zeeland-West-Brabant, vorderingen ten dienste van de desbetreffende zaaksofficier heeft ondertekend. Op het moment dat verzoeker met het door hem ondertekenen van de vorderingen bekend raakte (volgens verzoeker had hij daar geen herinnering aan), te weten op woensdag 27 november 2024, heeft hij dit onmiddellijk kenbaar gemaakt opdat tijdig vervanging kon worden geregeld. Nu de feitelijke terugtrekking van verzoeker een juridisch oordeel van de verschoningskamer vergt, verzoekt hij om bij deze verschoond te worden van de verdere behandeling en afdoening van voornoemde strafzaak.
2.2.
Uitgangspunt is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheid aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn. Indien een rechter van mening is dat er sprake is van feiten en omstandigheden waardoor zijn rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden kan de rechter op grond van artikel 517 Sv Pro verzoeken zich te mogen onttrekken aan een hem of haar toebedeelde zaak.
2.3.
Aanbeveling 15 van de ‘Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak’ van januari 2014, welke Leidraad wordt onderschreven door (onder meer) de besturen van de rechtbanken en gerechtshoven in Nederland, luidt: “
De rechter zorgt ervoor geen zaken te behandelen waarbij hij uit hoofde van zijn vorige werkkring betrokken is geweest. (...)“In de toelichting bij dit artikel staat: “
Ongeacht de inhoud van de voormalige functie en ongeacht het tijdsverloop dient een rechter geen zaken te behandelen waarbij hij uit anderen hoofde reeds (inhoudelijk) betrokken is geweest. (...).”De Leidraad sluit in dit opzicht aan bij de rechtspraak van het EHRM, zie reeds EHRM 1 oktober 1982, 8692/79 (Piersack/Belgium) § 30 sub d.
2.4.
Vaststaat dat verzoeker uit hoofde van zijn vorige werkkring als officier van justitie reeds betrokken is geweest bij de strafzaak van de verdachte, in die zin dat hij meerdere vorderingen in de onderzoeksfase heeft ondertekend. Dat vormt naar het oordeel van de verschoningskamer, mede gelet op aanbeveling 15 van de leidraad, een (objectieve) omstandigheid die de schijn kan wekken dat het verzoeker aan onpartijdigheid ontbreekt. Het verzoek om verschoning is daarom toewijsbaar.
2.5.
Ten slotte: verzoeker heeft terecht gesignaleerd dat zijn, in de e-mail van 29 november 2024 (1.2) besloten liggende, “feitelijke terugtrekking” een juridisch oordeel van de verschoningskamer vergt. Immers, artikel 13 van Pro de Zaakstoedelingsregeling (Strafrecht) [1] houdt in dat ‘een zaak volgt in geval van aanhouding in beginsel de raadsheer aan wie de zaak is toegedeeld’ en één van de uitzonderingen genoemd in artikel 14 van Pro de Zaakstoedelingsregeling doet zich (ook) naar het oordeel van de verschoningskamer niet voor.

3.De beslissing

Het hof:
wijst het verzoek van mr. Koning toe om zich van de (verdere) behandeling van de strafzaak van de verdachte [verdachte] met parketnummer [parketnummer] te mogen verschonen;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, de raadsman van verdachte (mr. M. van Stratum) en de advocaat-generaal (mr. M.J.M. de Vries).
Deze beslissing is gegeven door mr. J.W. van Rijkom, voorzitter, mr. A.M.G. Smit en mr. M. van Ham, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2024.
Mr. A.M.G. Smit en mr. M. van Ham zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Staatscourant 2024 nr. 28675