Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[N.V. 1] N.V.,
1.Het verloop van de procedure
2.De beoordeling
- Met de UOVK 2010 werden de verzekeringen op grond van de vorige overeenkomst voortgezet onder nieuwe voorwaarden.
- De UOVK 2010 kwam tot stand na accordering per brief van 22 februari 2010 door [verzoekster] c.s. van de door [N.V. 3] uitgebrachte offerte van 14 december 2009.
- De UOVK 2010 had een looptijd tot en met 31 december 2014.
- Artikel 18 lid 2 onder Pro b UOVK 2010 luidt, voor zover thans van belang, als volgt:
- Na expiratie van de UOVK 2010 heeft [verzoekster] c.s. niet gekozen voor voortzetting van de verzekeringen bij [verweerster] (optie a van artikel 18 lid 2 onder Pro b UOVK 2010) of voor collectieve waardeoverdracht (optie c van dat artikellid). Hierdoor zijn de verzekeringen premievrij achtergebleven (optie b van dat artikellid).
- [verzoekster] c.s. heeft overwogen de in artikel 18 lid 2 onder Pro e UOVK 2010 bedoelde
- Het geschil tussen partijen heeft geleid tot een procedure bij de rechtbank.
- Bij vonnis van 8 september 2022 (zaak- en rolnummer [nummer] ) heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, – in conventie – onder meer voor recht verklaard dat [verweerster] na 2014 op grond van artikel 18 lid 2 onder Pro b UOVK 2010 bevoegd is de dan jaarlijks verschuldigde administratieve vergoedingen, rentegarantie, solvabiliteitsopslag en beleggings- en beheerskosten aan [verzoekster] c.s. in rekening te brengen en dat [verzoekster] c.s. gehouden is het rekening-courant saldo aan te zuiveren. De kantonrechter heeft [verzoekster] c.s. veroordeeld tot de betaling van € 249.222,47, te vermeerderen met het contractueel overeengekomen U-rendement.
- Tegen dit vonnis hebben [verzoekster] c.s. bij dagvaarding van 5 december 2022 hoger beroep ingesteld, waarna [verweerster] een anticipatie-exploot heeft laten uitbrengen tegen de roldatum van dit hof van 10 oktober 2023 (zaaknummer 200.333.137/01). Bij arrest van 19 december 2023 heeft het hof daarin een mondelinge behandeling na aanbrengen bepaald op 26 maart 2024.
- De heer drs. [getuige 1] RA (hierna: [getuige 1] ), woonachtig te [woonplaats] , ten tijde van de totstandkoming van UOVK 2005 en UOVK 2010 registeraccountant en partner bij [verzoekster] c.s.;
- De heer drs. [getuige 2] RA (hierna: [getuige 2] ), woonplaats onbekend, ten tijde van de totstandkoming van UOVK 2005 en UOVK 2010 registeraccountant, partner en bestuurslid bij [verzoekster] c.s.;
- De heer [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ), woonachtig te [woonplaats] , destijds pensioenadviseur bij [verzoekster] c.s.;
- De heer [getuige 4] (hierna: [getuige 4] ), woonachtig te [woonplaats] , destijds pensioenadviseur bij [kantoor 1] , later opgegaan in [kantoor 2] ;
“premie”of
“kosten”, is volgens [verzoekster] c.s. een semantische kwestie. Volgens [verzoekster] c.s. gaat het erom of UOVK 2005 en UOVK 2010 een bijbetalingsverplichting voor [verzoekster] c.s. impliceerden in die zin, dat de premie (door [verweerster] met de term
“kosten”aangeduid) die na premievrijmaking in rekening-courant werd geboekt daadwerkelijk in de vorm van een kasstroom van [verzoekster] c.s. naar [verweerster] diende te worden overgemaakt.
- Verving UOVK 2010 de voorafgaande UOVK 2005?
- Welke overrente wordt feitelijk nog onder UOVK 2005 en UOVK 2010 gerealiseerd?
- Is de overrentedeling terecht gestaakt?
- Is [verweerster] bevoegd de administratiekosten te indexeren?
- Gaat [verweerster] uit van het juiste bestand?
- Geldt voor inkoop van toeslagverlening het contracttarief of het actuele tarief?
- Moest de overrente, alvorens voor toeslagverlening te worden aangewend, worden aangewend ter dekking van de premie na premievrijmaking?
- En andere vragen over technische aspecten van deze zaak en de feitelijke gang van zaken ten tijde van de totstandkoming en het eindigen van de overeenkomsten.
“premie”dienen te betalen. Dit bewijsaanbod zou volgens [verweerster] pas zin hebben als het hof zou meegaan in de stelling dat sprake is van na contractduur verschuldigde premies. Volgens [verweerster] zijn partijen namelijk in gebruikelijke en bij verzekerde regelingen gangbare bewoordingen overeengekomen dat de
“kosten”na beëindiging van de overeenkomst verschuldigd blijven en in rekening-courant worden geboekt (artikel 18 lid 2 onder Pro b UOVK 2010). Volgens [verweerster] hebben [verzoekster] c.s. op dit moment dus nog geen belang bij het verzoek (te prematuur) en dient eerst het inhoudelijke debat te worden gevoerd (wat onder premie in de zin van de wet wordt verstaan). Ook is sprake van strijd met de goede procesorde, nu [verzoekster] c.s. meer dan een jaar na het eindvonnis een prematuur verzoekschrift uitbrengt tot het doen horen van getuigen ten bewijze van precies dezelfde stellingen die in eerste aanleg in debat waren en [verzoekster] c.s. de rechtsgang lijken te willen vertragen, aldus [verweerster] .
“kosten”doelen, geldt volgens [verweerster] dat [deskundige 1] , [deskundige 2] en [deskundige 3] reeds verklaringen hebben opgesteld die door [verzoekster] c.s. bij akte van 22 maart 2022 zijn ingediend en voegt het horen van deze drie partijdeskundigen op dit moment niets toe aan wat zij al hebben verklaard. Het horen van [deskundige 4] voegt volgens [verweerster] evenmin iets toe, omdat het bewijs dat daarmee geleverd zou kunnen worden gelijk is aan dat wat [deskundige 1] , [deskundige 2] en [deskundige 3] hebben verklaard of nog zouden kunnen verklaren.