Deze zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin de zorgregeling voor twee minderjarige kinderen werd gewijzigd. De moeder verzocht om vernietiging van de beschikking en afwijzing van het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot wijziging van de zorgregeling.
Het hof stelde vast dat de zorgregeling eerder was gewijzigd bij beschikking van 31 oktober 2022 en dat een nieuwe wijziging alleen mogelijk is bij gewijzigde omstandigheden. Het hof oordeelde dat er sprake was van gewijzigde omstandigheden, waaronder het ontbreken van contact tussen de vader en een van de kinderen sinds de zomervakantie 2023.
Desondanks concludeerde het hof dat de situatie rondom de kinderen zeer onrustig is door de langdurige strijd tussen de ouders. Voor de jongste minderjarige werd de bestaande regeling gehandhaafd vanwege haar wens minder vaak bij de vader te verblijven. Voor de oudste minderjarige is herstel van contact met de vader noodzakelijk voordat de zorgregeling kan worden aangepast.
Het hof vernietigde de bestreden beschikking voor zover deze de zorgregeling wijzigde en wees het verzoek van de GI af, waarbij de zorgregeling van 31 oktober 2022 werd hersteld. De beslissing is genomen met het belang van de kinderen als uitgangspunt.