Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2024:545

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 februari 2024
Publicatiedatum
22 februari 2024
Zaaknummer
200.334.604_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c lid 3 BWArt. 810 RvArtikel 8 EVRMJeugdwet artikel 1.1
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen machtiging uithuisplaatsing minderjarige in jeugdhulpaanbieder

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Limburg waarin een machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder werd verleend. De moeder betoogt dat de machtiging niet tijdig is verzilverd door de gecertificeerde instelling (GI), waardoor deze is vervallen, en dat onvoldoende is onderzocht of een verblijf bij haar met hulp in de thuissituatie mogelijk was.

Het hof stelt vast dat de machtiging inderdaad niet binnen de wettelijk gestelde termijn van drie maanden is uitgevoerd en daardoor is vervallen. Desondanks heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de beschikking te laten toetsen. Na eigen beoordeling concludeert het hof dat de machtiging ten tijde van de beschikking terecht is verleend, gelet op de onrustige thuissituatie, eerdere plaatsingen en de noodzaak tot begeleiding van de minderjarige richting zelfstandigheid.

De GI heeft ervoor gekozen geen nieuw verzoek tot uithuisplaatsing in te dienen, mede omdat de minderjarige sinds medio september 2023 bij de moeder verblijft en het goed gaat met haar. Het hof wijst het verzoek van de moeder tot vernietiging van de beschikking af en bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van de moeder af en bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 22 februari 2024
Zaaknummer : 200.334.604/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/320994 / JE RK 23-1425
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M. Bos,
tegen
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
regio Zuid-Limburg, locatie [locatie ] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).
Deze zaak gaat over: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie ] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 31 augustus 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift van 13 november 2023, met producties, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de moeder verzocht voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling alsnog af te wijzen.
2.2.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het V6-formulier van 14 december 2023, van de advocaat van moeder, met bijlagen;
  • de mail van de advocaat van de moeder van 17 januari 2024, met bijlage;
  • de brief van de GI van 22 januari 2024, ingekomen bij het hof op diezelfde datum.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2024. Bij die gelegenheid is gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
2.4.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.1.
De GI en de raad zijn, met kennisgeving vooraf, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.5.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die bij het hof is ingekomen op 17 januari 2024. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna de aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

3.De beoordeling

3.1.
Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is geboren:
- [minderjarige] , op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ).
3.2.
De moeder en de vader oefenen samen het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
3.3.
[minderjarige] stond sinds 18 juli 2017 onafgebroken onder toezicht van de GI tot 30 mei 2022. Daarna is [minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar met ingang van 31 maart 2023.
3.4.
De rechtbank heeft aanvankelijk een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een netwerkpleeggezin, te weten [betrokkene] , met ingang van 31 maart 2023 tot 30 september 2023.
3.5.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank een machtiging verleend aan de GI om [minderjarige] met ingang van 22 augustus 2023 tot 30 maart 2024 uit huis te plaatsen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder.
3.6.
[minderjarige] verblijft sinds medio september 2023 bij de moeder.
3.7.
De moeder kan zich met de bestreden beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.8.
De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder is niet verzilverd door de GI, waardoor de machtiging is komen te vervallen. De moeder vraagt het hof om een rechtmatigheidstoets, omdat de moeder en [minderjarige] hebben geleefd in de angst dat [minderjarige] opnieuw uithuisgeplaatst zou worden.
De moeder stelt dat de rechtbank ten tijde van de bestreden beschikking niet over had moeten gaan tot het verlenen van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, omdat [minderjarige] veel weerstand liet zien tegen een nieuwe uithuisplaatsing. [minderjarige] verbleef voorafgaand aan de detentie van de moeder alweer (regelmatig) bij de moeder. [minderjarige] heeft steeds de sterke wens geuit om bij de moeder te verblijven. Volgens de moeder is onvoldoende onderzocht wat de mogelijkheden waren van een verblijf van [minderjarige] bij de moeder met hulp in de thuissituatie. Dit maakt dat de machtiging prematuur is verleend. Het gaat goed met [minderjarige] bij de moeder. [minderjarige] krijgt hulp in de thuissituatie (een buddy), die haar begeleidt in haar weg naar volwassenheid. [minderjarige] gaat naar school, loopt stage en heeft een bijbaantje. De moeder staat open voor hulpverlening en is in staat [minderjarige] structuur te bieden.
3.9.
Bij brief van 22 januari 2024 bevestigt de GI dat de machtiging niet verzilverd is en is verlopen. De GI heeft ervoor gekozen om een andere lijn in te gaan zetten en geen nieuw verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing te zullen indienen.
3.10.
Het hof overweegt als volgt.
3.10.1.
Het hof stelt vast dat de machtiging tot uithuisplaatsing die bij de bestreden beschikking is verleend door de GI niet ten uitvoer is gelegd binnen de daartoe door artikel 1:265c lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gestelde termijn van drie maanden. Dit betekent ingevolge voormeld artikellid dat de machtiging op 22 november 2023 is vervallen.
Dit neemt niet weg dat de moeder, gelet op het door artikel 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, een rechtens relevant belang heeft om de rechtmatigheid van de beslissing te laten toetsen, ook al kan van een tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking geen sprake meer zijn (HR 13 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:395). Het hof zal gelet op het voorgaande toetsen of de machtiging tot uithuisplaatsing terecht is verleend.
3.10.2.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
3.10.3.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen weging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW.
3.10.4.
[minderjarige] is de afgelopen jaren opgegroeid in een onrustige thuissituatie. [minderjarige] is eerst vanuit de moeder uit huis geplaatst bij de vader. Vervolgens is [minderjarige] op grond van een netwerkplaatsing bij de tante geplaatst. Ook die plaatsing is niet bestendig gebleken, omdat [minderjarige] van daaruit met regelmaat bij de moeder verbleef. Er waren op dat moment echter veel zorgen over de thuissituatie bij de moeder waar er sprake was van systemische onrust. [minderjarige] zat klem en kwam hierdoor onvoldoende tot ontwikkeling toe. Volgens de GI verliep het maken van afspraken met de moeder moeizaam en de moeder was bovendien voor de GI niet goed bereikbaar. Gelet hierop was de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder op dat moment noodzakelijk in haar belang, mede met het oog op haar begeleiding naar meer zelfstandigheid. Dit mede in verband met de omstandigheid dat zij op 6 juni aanstaande 18 jaar wordt. [minderjarige] zou daardoor meer los kunnen komen van de thuissituatie en geholpen kunnen worden in haar weg naar volwassenheid. Gelet op het voorgaande is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikking op de goede gronden verleend.
Het hof stelt voorts vast dat de moeder van begin augustus tot half september 2023 gedetineerd heeft gezeten. [minderjarige] verbleef in die periode weer bij de tante en is bij de moeder gaan wonen nadat de moeder weer vrijkwam. De machtiging is door de GI niet meer tenuitvoergelegd. De GI heeft hierover in de brief van 22 januari 2024 aan het hof geschreven dat zij er voor hebben gekozen om een andere lijn in te gaan zetten met [minderjarige] en dat zij geen nieuw verzoek uithuisplaatsing meer gaat indienen.
3.11.
Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de moeder in hoger beroep zal worden afgewezen en de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van
31 augustus 2023;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, E.M.C. Dumoulin en
M.A. Ossentjuk en is op 22 februari 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.