ECLI:NL:GHSHE:2024:670

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
29 februari 2024
Zaaknummer
20-002528-22
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontnemingsvordering wegens verduistering en onjuiste belastingaangifte

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. De betrokkene werd verdacht van verduistering en het opzettelijk onjuist doen van belastingaangifte. De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €50.213 en een betalingsverplichting opgelegd met een maximale gijzelingstermijn van 1004 dagen.

Het hof heeft de vordering van de advocaat-generaal gevolgd en het vonnis van de rechtbank bevestigd. De verdediging had betoogd dat het te ontnemen bedrag lager moest worden vastgesteld, maar dit werd door het hof verworpen. Het hof baseert het oordeel mede op een arrest in een gerelateerde strafzaak waarin werd vastgesteld dat sprake was van verduistering zonder toestemming van het slachtoffer.

Daarnaast heeft het hof enkele omissies in het vonnis van de rechtbank aangevuld, waaronder correcties in datums en verwijzingen in het procesdossier. Het hof overweegt dat het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn niet is geschonden, aangezien het hoger beroep binnen twee jaar is afgerond.

De strafbare feiten betreffen verduistering gepleegd door een executeur van een nalatenschap in de periode 2014-2015 en het opzettelijk onjuist doen van belastingaangifte in 2017. Het arrest bevestigt de betalingsverplichting en de duur van de gijzeling zoals door de rechtbank vastgesteld.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank en legt een betalingsverplichting van €50.213 met een maximale gijzelingstermijn van 1004 dagen op.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002528-22 (OWV)
Uitspraak : 27 februari 2024
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 4 november 2022 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-997549-19 tegen:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 50.213,00, aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor datzelfde bedrag en de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1004 dagen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
De verdediging heeft bepleit dat het aan de betrokkene te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden geschat op een lager bedrag.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis van de rechtbank en met de redengeving waarop dit berust. Hetgeen van de zijde van de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht brengt het hof niet tot een ander oordeel.
In dat kader overweegt het hof dat het in zijn arrest d.d. 27 februari 2024 in de strafzaak met parketnummer 20-002685-21 tot het oordeel komt dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte heeft gehandeld met toestemming van [slachtoffer] en dat sprake is van verduistering.
Overigens kan het oordeel dat de betrokkene door middel van het begaan van strafbare feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten niet langer worden gebaseerd op het vonnis van de rechtbank d.d. 2 november 2021 met parketnummer 01-997549-19, aangezien dat vonnis bij arrest van dit hof d.d. 27 februari 2024 wordt vernietigd vanwege een wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep. Thans wordt de basis van de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel - naast het door verbalisant [verbalisant] opgemaakte proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel - gevormd door het arrest van dit hof d.d. 27 februari 2024, gewezen onder parketnummer 20-002685-21. In dat arrest wordt de betrokkene als verdachte veroordeeld tot straf ter zake van dezelfde feiten als in het vonnis van de rechtbank, te weten:
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en/of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, te weten op 6 juni 2017 en 22 december 2017;
verduistering, meermalen gepleegd in de periode van 26 januari 2014 tot en met
1 oktober 2014;
3. verduistering, gepleegd door een executeur van een nalatenschap, meermalen gepleegd in de periode van 2 oktober 2014 tot en met 28 juli 2015.
Voorts zal het hof enkele omissies in het vonnis van de rechtbank aanvullen en verbeteren, op de navolgende wijze:
  • Op pagina 2 van het vonnis van de rechtbank wordt op het midden van de pagina de datum van overlijden van [slachtoffer] gewijzigd in: [datum van overlijden] .
  • Op pagina 2 van het vonnis van de rechtbank worden in voetnoot 4 de paginanummers 146 en 147 van DOC-009 gewijzigd in: pag. 416 en 417.
  • Op pagina 3 van het vonnis van de rechtbank wordt in de eerste alinea in de zesde regel na “betreffende de [adres 2] ” een voetnoot 5a ingevoegd die verwijst naar: ZD-001, pag. 23 en pag. 37.
  • Op pagina 3 van het vonnis van de rechtbank wordt in voetnoot 8 AMB-001 vervangen door: AMB-003. Het vonnis van de rechtbank verwijst in het bijzonder naar de tekst op pagina’s 136 en 137 van dit proces-verbaal.
  • Op pagina 3 van het vonnis van de rechtbank wordt in de laatste alinea in de derde regel van onder het bedrag € 10.554,06 gewijzigd in: € 10.553,06 (zie pag. 128 van het procesdossier van de FIOD).
Namens de betrokkene is ter terechtzitting in hoger beroep nog bepleit dat het hof bij zijn beslissing rekening zal houden met het in artikel 6 EVRM Pro bedoelde recht van de betrokkene op een openbare behandeling van de ontnemingszaak binnen een redelijke termijn. Echter is in de onderhavige ontnemingszaak, anders dan in de strafzaak tegen de betrokkene als verdachte met parketnummer 20-002685-21, de redelijke termijn niet geschonden. In de ontnemingszaak werd hoger beroep ingesteld op 8 november 2022, terwijl het hof uitspraak doet op 27 februari 2024. Daarmee is in deze ontnemingszaak niet alleen in eerste aanleg, maar ook in hoger beroep binnen 2 jaren een einduitspraak gedaan.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het bovenstaande.
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. drs. P. Fortuin en mr. S.V. Pelsser, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,
en op 27 februari 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.