Deze zaak betreft de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en de vaststelling van het hoofdverblijf van de minderjarige [minderjarige 1]. In eerste aanleg was het hoofdverblijf bij de vader vastgesteld met een zorgregeling waarbij de moeder contact heeft één weekend per veertien dagen en tijdens vakanties en feestdagen volgens een gedetailleerd schema.
De moeder stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat het hoofdverblijf niet bij de vader moest liggen en verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen. De vader stelde zich in verweer en voerde tevens een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep in. Tijdens de mondelinge behandeling op 6 februari 2024 werd de minderjarige gehoord en gaf hij aan de huidige regeling, waarbij hij het hoofdverblijf bij de vader heeft, te prefereren vanwege minder stress.
Naar aanleiding van dit gesprek trok de moeder haar hoger beroep in, waarmee zij liet blijken het belang van het kind voorop te stellen. Het hof verklaarde de moeder daarop niet-ontvankelijk in haar hoger beroep en wees het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vader af. De regeling blijft derhalve ongewijzigd zoals vastgesteld door de rechtbank.