Deze zaak betreft een geschil tussen ouders over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van hun minderjarige kind na echtscheiding. De vader verzoekt wijziging van de hoofdverblijfplaats naar hem toe, terwijl de moeder dit betwist. De Raad voor de Kinderbescherming en de Gecertificeerde Instelling zijn betrokken als informanten en regiehouders.
De rechtbank had eerder de hoofdverblijfplaats bij de moeder vastgesteld en het verzoek van de vader afgewezen. Echter, feitelijk verblijft de minderjarige sinds mei 2023 bij de vader. Het hof constateert dat de ouders geen uitvoering hebben gegeven aan eerdere beslissingen en dat de situatie zorgelijk is, mede door een ondertoezichtstelling wegens loyaliteitsconflict en ontwikkelingsachterstanden.
Het hof volgt het advies van de raad en wijzigt de hoofdverblijfplaats naar de vader, waarbij de zorg- en opvoedingstaken worden verdeeld: de minderjarige verblijft regelmatig bij de moeder, onder meer doordeweeks en om het weekend, met een gelijke verdeling van vakanties en feestdagen. De Gecertificeerde Instelling krijgt een belangrijke rol in de naleving van deze regeling. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.