ECLI:NL:GHSHE:2024:840

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 maart 2024
Publicatiedatum
14 maart 2024
Zaaknummer
200.327.086_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overeenstemming over kinderalimentatie en bijdrage studiekosten na meerderjarigheid

In deze zaak stond de vaststelling van de kinderalimentatie voor de jongmeerderjarige centraal, die tijdens de procedure meerderjarig werd. De man was in eerste aanleg veroordeeld tot betaling van een maandelijkse bijdrage van € 500 vanaf juli 2022, verhoogd naar € 517 vanaf januari 2023. In hoger beroep betwistte de man deze bedragen en vroeg vermindering of afwijzing van de onderhoudsbijdrage.

De vrouw en de jongmeerderjarige voerden verweer en stelden incidenteel hoger beroep in met verzoek om vervroegde ingangsdatum van de alimentatie. Tijdens de procedure zijn diverse schriftelijke stukken ingediend en vond een mondelinge behandeling plaats waarbij de jongmeerderjarige niet verscheen.

Uiteindelijk bereikten partijen op 7 maart 2024 een overeenkomst, waarbij werd afgesproken dat de man vanaf 1 februari 2024 een maandelijkse bijdrage van € 200 zal betalen voor studie en levensonderhoud van de jongmeerderjarige. Tevens komen de kosten voor het rijbewijs, inclusief rijlessen en examens, voor rekening van de man. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en stelde de alimentatie conform deze afspraken vast.

Uitkomst: De man moet vanaf 1 februari 2024 maandelijks € 200 betalen aan de jongmeerderjarige voor studie- en levensonderhoud en de kosten van het rijbewijs.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.327.086/01
zaaknummer rechtbank : C/02/399416 / FA RK 22-3060
beschikking van de meervoudige kamer van 14 maart 2024
inzake
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. P.S.R.N. Maas,
tegen
[de vrouw],
wonende in [woonplaats]
hierna te noemen: de vrouw,
en
[de jongmeerderjarige],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [de jongmeerderjarige] , of: de jongmeerderjarige,
verweerders in principaal hoger beroep,
verzoekers in incidenteel hoger beroep,
gezamenlijk te noemen: de vrouw en [de jongmeerderjarige] ,
voor wie als advocaat optreedt: mr. M. Czarnota.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda , van 20 februari 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
De man is op 16 mei 2023 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van
20 februari 2023.
2.2.
[de jongmeerderjarige] heeft de vrouw bij bericht van 5 juni 2023 gemachtigd om namens hem op te treden.
2.3.
De vrouw heeft op 10 juli 2023 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4.
De man heeft op 4 september 2023 een verweer in incidenteel hoger beroep ingediend.
2.5.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- het V6-formulier van 19 december 2023, met bijlagen, van de advocaat van de man, ingekomen bij het hof op 20 december 2023;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank, ingekomen bij het hof
29 december 2023;
- het V8-formulier van de advocaat van de man van 29 december 2023, met bijlage, ingekomen bij het hof op 2 januari 2024;
- het V6-formulier van de advocaat van de vrouw van 11 januari 2024, met bijlagen, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;
- het V6-formulier van de advocaat van de vrouw van 12 januari 2024, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw, ingekomen op diezelfde datum.
2.6.
De mondelinge behandeling heeft op 22 januari 2024 plaatsgevonden. De man en de vrouw zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
[de jongmeerderjarige] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2.7.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld het hof na afloop van de mondelinge behandeling nader schriftelijk te informeren over de mogelijke beslechting van hun geschil. Het hof heeft op 31 januari 2024 van de advocaat van de man een brief ontvangen waaruit blijkt dat het partijen niet is gelukt om tot overeenstemming te komen.
2.8.
Het hof heeft vervolgens op 7 maart 2024 een V8-formulier, met bijlage, ontvangen van de advocaat van de man waaruit volgt dat partijen alsnog overeenstemming hebben bereikt over hetgeen hen in hoger beroep verdeeld hield. De advocaat van de vrouw en [de jongmeerderjarige] heeft de overeenstemming bij V8-formulier van 7 maart 2024 bevestigd.

3.De feiten

3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
Uit de inmiddels verbroken relatie tussen de man en de vrouw is geboren:
- [de jongmeerderjarige] op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] .
3.3.
[de jongmeerderjarige] is door de man erkend.
3.4.
[de jongmeerderjarige] is op [geboortedatum] 2023 meerderjarig geworden.
3.5.
Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de jongmeerderjarige] als volgt bepaald:
- met ingang van 13 juli 2022 op € 500,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2023 op € 517,- per maand.
4.2.
De man is in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking en verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de rechtsgronden, te bepalen dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [de jongmeerderjarige] alsnog wordt afgewezen, althans voor zover dit een bedrag van € 25,- per maand overstijgt, althans de door de man te betalen onderhoudsbijdrage te verminderen tot een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof redelijk en billijk acht, althans een beslissing te nemen als het hof in goede justitie vermeent te behoren.
4.3.
De vrouw en [de jongmeerderjarige] hebben verweer gevoerd en ook incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking. Zij hebben het hof verzocht:
in principaal hoger beroep:
- de grieven van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van de hoogte van de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage van € 500,- met ingang van 13 juli 2022 en met ingang van 1 januari 2023 van € 517,-;
in incidenteel hoger beroep:
- de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de ingangsdatum van het te betalen bedrag van € 500,- en te bepalen dat de man een bedrag van € 500,- per maand aan de vrouw dient te voldoen ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van [de jongmeerderjarige] met ingang van 29 juli 2016 althans met ingang van 18 april 2020 althans met ingang van 18 maart 2022.
4.4.
De man heeft verweer gevoerd in incidenteel hoger beroep en het hof verzocht:
de vrouw en [de jongmeerderjarige] in incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren in hun grief, althans deze af te wijzen als zijnde rechtens ongegrond en onbewezen.
Kosten rechtens.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
Bij V8-formulier van 7 maart 2024 heeft de advocaat van de man het hof bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt, welke afspraken zij vastgelegd willen zien in de beschikking. De man heeft verzocht ter aanvulling c.q. wijziging van zijn beroepschrift, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen:
- dat de man met ingang van 1 februari 2024 aan de jongmeerderjarige [de jongmeerderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005, zal voldoen een bedrag van
€ 200,- per maand als bijdrage in de kosten van zijn studie en levensonderhoud, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
- dat daarnaast voor rekening van de man komen de reeds gemaakte en nog te maken kosten voor het halen van het rijbewijs van [de jongmeerderjarige] , bestaande uit: de rijlessen en het rijexamen zowel praktijk als theorie, ook indien dit betekent dat het examen moet worden herkanst.
5.2.
De advocaat van de vrouw en [de jongmeerderjarige] heeft bij V8-formulier van 7 maart 2024 bevestigd dat partijen de door de advocaat van de man beschreven overeenstemming hebben bereikt.
5.3.
Het hof begrijpt uit de overeenstemming die partijen hebben bereikt dat partijen hun
verzoeken in hoger beroep hebben gewijzigd conform hetgeen partijen overeen zijn gekomen en dat zij hiertegen over en weer geen verweer voeren.
Het hof zal de verzoeken in hoger beroep in principaal hoger beroep en incidenteel hoger beroep als dienovereenkomstig gewijzigd beschouwen en beslissen als volgt.

6.De beslissing

Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 februari 2023, en in zoverre opnieuw beschikkende:
- bepaalt dat de man met ingang van 1 februari 2024 aan de jongmeerderjarige [de jongmeerderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005, zal voldoen een bedrag van € 200,- per maand als bijdrage in de kosten van zijn studie en levensonderhoud, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
- bepaalt dat daarnaast voor rekening van de man komen de reeds gemaakte en nog te maken kosten voor het halen van het rijbewijs van [de jongmeerderjarige] , bestaande uit: de rijlessen en het rijexamen zowel praktijk als theorie, ook indien dit betekent dat het examen moet worden herkanst;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, E.M.C. Dumoulin en
M.A. Ossentjuk en is op 14 maart 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.