In deze zaak is hoger beroep ingesteld door de vrouw tegen een beschikking van de rechtbank Limburg van 9 oktober 2023 inzake kinderalimentatie. De vrouw betwistte met name de draagkrachtberekening en de ingangsdatum van de alimentatieverplichting ten behoeve van haar kinderen, die sinds enkele jaren bij de man wonen.
Het hof bevestigt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu de kinderen sinds 2016 en 2021 bij de man wonen. De rechtbank had de ingangsdatum van de alimentatiebetaling door de vrouw vastgesteld op 15 mei 2023, de datum van het eerste verzoek van de advocaat van de man aan de vrouw om financiële gegevens. Het hof acht deze datum terecht en wijkt niet af.
De draagkracht van de vrouw is in hoger beroep opnieuw beoordeeld aan de hand van overgelegde salarisstroken en een draagkrachtberekening. Het hof gaat uit van een netto besteedbaar inkomen van € 1.805 per maand, lager dan de door de rechtbank aangenomen draagkracht. Gezien de financiële situatie en de inspanningsverplichting van de vrouw, wordt haar draagkracht vastgesteld op € 97 per maand.
De behoefte van de kinderen bedraagt € 1.717 per maand, terwijl de gezamenlijke draagkracht van de ouders € 1.157 bedraagt. Omdat het tekort groter is dan de zorgkorting, wordt geen zorgkorting toegepast op de bijdrage van de vrouw. Het hof vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze de bijdrage van de vrouw betreft en bepaalt de alimentatie op € 97 per maand, te betalen vanaf 15 mei 2023.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.