In hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant herzien in een zaak tegen een rechtspersoon verdacht van medeplegen van valsheid in geschrift. De verdachte werd vrijgesproken van één tenlastelegging, maar veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
De zaak betrof het gebruik van vrachtwagens met manipulatieapparatuur om valse laad- en losmeldingen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland te verstrekken, waardoor de overheid werd misleid en de meststoffenwetgeving werd ondermijnd. Dit leidde tot concurrentievervalsing en schade aan het vertrouwen in de mesthandel.
Procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte leidden tot afstand van bewijsverweren en onderzoekswensen, en een voorstel tot een geldboete van €20.000,-. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor het deel gericht tegen de vrijspraak en bevestigde de straf, met een partiële nietigverklaring van een onderdeel van de dagvaarding.
Het hof hield rekening met de ernst van de feiten, de draagkracht van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Dit leidde tot een verlaging van de geldboete ten opzichte van de rechtbank. De verdachte werd veroordeeld tot betaling van een geldboete van €20.000,- binnen drie maanden na onherroepelijkheid van het arrest.