ECLI:NL:GHSHE:2025:1141

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 april 2025
Publicatiedatum
22 april 2025
Zaaknummer
200.330.074_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstelarrest wegens kennelijke fout in proceskostenveroordeling in civiele procedure

In deze civiele procedure tussen appellant en geïntimeerde heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 25 februari 2025 arrest gewezen. Na de uitspraak merkte de advocaat van appellant een kennelijke fout op in het dictum van het arrest, namelijk een onjuist bedrag aan proceskostenveroordeling van € 5.387,00 in plaats van het in de overwegingen berekende bedrag van € 4.103,00.

Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunten hierover kenbaar te maken. De advocaat van geïntimeerde stelde dat het hof terecht was uitgegaan van tarief IV en een hoger bedrag aan proceskosten had moeten toekennen, maar erkende geen kennelijke fout in het arrest. Het hof oordeelt dat de fout in het dictum inderdaad kennelijk is en eenvoudig kan worden hersteld.

Het hof verduidelijkt dat in de overwegingen terecht is vastgesteld dat tarief III van toepassing is, omdat de hoofdsom exclusief rente onder de € 40.000 blijft. Het toekennen van 2 punten in tarief III is eveneens juist en geen kennelijke fout. Daarom wordt het dictum gecorrigeerd en het bedrag van € 5.387,00 gewijzigd in € 4.103,00.

Het arrest van 25 februari 2025 wordt op grond van artikel 31 Rv Pro hersteld, waarbij partijen worden opgedragen de grosse te retourneren. Het arrest is gewezen door de genoemde rechters en uitgesproken op 22 april 2025.

Uitkomst: Het gerechtshof heeft het arrest hersteld door het bedrag aan proceskostenveroordeling te corrigeren van € 5.387,00 naar € 4.103,00.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.330.074/01

herstelarrest van 22 april 2025

in de procedure in hoger beroep die bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch aanhangig is geweest tussen

[appellant],

wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant],
advocaat: mr. M.W. Huijzer te Papendrecht,
tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde],
advocaat: mr. M.P.C. de Kramer te Tilburg.
Het hof heeft in deze zaak op 25 februari 2025 arrest gewezen.
Bij brief van 10 maart 2025 heeft mr. Huijzer aan de griffier van het hof bericht dat het hem voorkomt dat het dictum van het arrest een kennelijke fout bevat, te weten een proceskostenveroordeling tot een bedrag van € 5.387,00 in plaats van het in rov. 7.10. berekende bedrag van € 4.103,00.
Bij brief van 10 maart 2025 is mr. De Kramer in de gelegenheid gesteld namens zijn cliënt zijn mening hierover aan het hof kenbaar te maken. Mr. De Kramer heeft van die mogelijkheid bij brief van 20 maart 2025 gebruik gemaakt. Volgens mr. De Kramer vorderde [appellant] in hoger beroep een bedrag ad € 34.796,52 aan vermeende schade, € 42.218,17 aan rente door appellant berekend tot 27 december 2021 en € 1.617,97 aan incassokosten, in totaal daarmee € 78.632,66 + P.M. voor de rente van nadien. Volgens mr. De Kramer behoort de zaak zodoende tot tarief IV en is het hof in het dictum bij het vaststellen van de proceskosten ook uitgegaan van tarief IV, immers 2 punten x € 2.213 = € 4.426 + € 783 + € 178 = € 5.387. Volgens mr. De Kramer had het hof echter niet 2,0 punten, maar 3,0 punten in tarief IV moeten toekennen: voor de mondelinge behandeling na aanbrengen (1 punt), voor de memorie van antwoord (1 punt) en voor de mondelinge behandeling na memorie van antwoord (1 punt).
Mr. De Kramer verzoekt het hof daarom eveneens om verbetering van het arrest, met dien verstande dat [appellant] wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep van € 7.600 (3 punten x tarief IV = € 6.639 + € 783 + € 178). Mocht het hof overwegen dat de onderhavige procedure in tarief III ingeschaald behoort te worden, dan verzoekt mr. De Kramer het hof om [appellant] dan te veroordelen in de kosten van het hoger beroep van € 5.674 (3 punten x tarief III = € 4.713 + € 783 + € 178).
Het hof is van oordeel dat mr. Huijzer terecht heeft geconcludeerd dat sprake is van een kennelijke fout. Het hof heeft in zijn arrest van 25 februari 2025 over de proceskosten als volgt overwogen:
“7.10. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen vastgesteld worden op:
  • Griffierechten € 783,00
  • Salaris advocaat € 3.142,00 (2 punten x tarief III)
  • Nakosten
Totaal € 4.103,00”
In strijd daarmee en ten onrechte heeft het hof vervolgens in de beslissing opgenomen:
“8.4. veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep van € 5.387,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en bepaalt dat als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, [appellant] dan € 92,00 extra moet betalen, vermeerderd met de kosten van betekening.”
Het bedrag van € 5.387,00 in het dictum onder 8.4. in plaats van € 4.103,00 berust op een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel.
Hetgeen mr. De Kramer aanvoert leidt niet tot het oordeel dat er sprake is van een kennelijke fout. Het hof heeft in rov. 7.10. geoordeeld dat de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] met toepassing van tarief III - en niet van tarief IV - moeten worden vastgesteld, vanwege het feit dat de hoofdsom exclusief de gevorderde wettelijke rente € 34.796,52 bedraagt en derhalve, ook met inbegrip van de gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 1.617,97, minder dan € 40.000,00. Van een kennelijke fout in rov. 7.10. van het arrest is geen sprake. Het toekennen van 2,0 punten (en niet 3,0 punten) is het gevolg van de keuze van het hof om voor de mondelinge behandeling na aanbrengen geen punt toe te kennen. Ook dat berust niet op een kennelijke fout.
Het arrest van 25 februari 2025 zal daarom op grond van artikel 31 Wetboek Pro van burgerlijke rechtsvordering op de volgende wijze worden verbeterd.
Het hof:
bepaalt dat in onderdeel 8.4. van het tussen partijen gewezen arrest van 25 februari 2025 het bedrag van € 5.387,00 moet worden verbeterd en gewijzigd in € 4.103,00;
bepaalt dat deze verbetering onder vermelding van de datum van 22 april 2025 wordt vermeld op de minuut van het arrest van 25 februari 2025;
bepaalt dat partijen de grosse van het arrest van 25 februari 2025 aan het hof moeten retourneren voor zover zij dat nog niet hebben gedaan.
Dit arrest is gewezen door mrs. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy, M. van der Schoor en S.M. Peek en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 april 2025.
griffier rolraadsheer