In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen beslissingen van de rechter-commissaris met betrekking tot een bevolen voorlopig getuigenverhoor. [Verweerster] B.V. heeft dit verhoor gelast om bewijs te verzamelen tegen [bedrijf 1] B.V., waarvan [appellant 1] en [appellant 2] (indirect) bestuurders zijn. De appellanten beriepen zich op het familiaal verschoningsrecht om niet te hoeven getuigen, maar werden door de rechter-commissaris en het hof verplicht te verschijnen.
De appellanten verschenen niet op eerdere verhoren en stelden beroep in cassatie in tegen de beschikking van het hof die hen verplichtte te verschijnen. Het cassatieberoep heeft schorsende werking op de tenuitvoerlegging van de beschikking van het hof en ook op de daarop volgende beslissingen van de rechter-commissaris.
Het hof overweegt dat voortzetting van het hoger beroep parallel aan het cassatieberoep niet wenselijk is, omdat het hof dan zou moeten uitgaan van een beslissing die in cassatie wordt bestreden. Daarom wordt het hoger beroep geschorst en de zaak doorgehaald. Na de cassatieprocedure kan een van de partijen verzoeken om heropening van de zaak.