Uitspraak
5.Het vervolg van de procedure in hoger beroep
- het tussenarrest van 3 september 2024 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 oktober 2024;
- de door [appellante] genomen memorie van grieven, tevens houdende een vermeerdering van de gronden van de eis, met producties A tot en met T;
- de door [geïntimeerde] genomen memorie van antwoord;
- de door [appellante] genomen akte met producties U tot en met W;
- de door [geïntimeerde] genomen antwoordakte.
6.De beoordeling
- a. [appellante] is eigenaar van een perceel aan [adres A] . [appellante] exploiteert op dat perceel een camping (hierna: de camping).
- b. Bij huurovereenkomst van 19 augustus 2020 heeft [appellante] een van de standplaatsen op de camping, standplaats nummer [--] (hierna: het gehuurde of de standplaats), verhuurd aan [geïntimeerde] . Op de standplaats stond bij het aangaan van de huurovereenkomst een chalet (hierna: het chalet). [geïntimeerde] is eigenaar van het chalet en heeft – naar het hof begrijpt – de eigendom van het chalet overgenomen van de vorige huurder van de standplaats.
- c. In de huurovereenkomst staat onder meer het volgende:
- d. Op de huurovereenkomst is het kampeerreglement van [appellante] van toepassing. In artikel 10 van Pro het kampeerreglement staat onder meer dat de jaarlijkse huur (“het staangeld”) uiterlijk op 31 januari van het betreffende jaar in zijn geheel moet worden betaald.
- e. Op 10 juli 2023 is door de politie een inval gedaan in het chalet van [geïntimeerde] .
- f. Bij brief van 28 juli 2023 heeft [appellante] [geïntimeerde] aangezegd dat hem met ingang van 1 september 2023 de toegang tot de camping wordt ontzegd, en heeft [appellante] zich het recht voorbehouden de huurovereenkomst te beëindigen.
- g. [geïntimeerde] heeft [appellante] vervolgens in kort geding gedagvaard voor de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats [YY] . [geïntimeerde] vorderde in dat kort geding – kort gezegd – [appellante] te verbieden hem de toegang tot de camping en de op die camping gelegen standplaats [--] te ontzeggen, te verhinderen en/of te belemmeren totdat de huurovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, op straffe van een dwangsom.
- h. Die kortgedingprocedure heeft geresulteerd in een kortgedingvonnis van 13 september 2023 (hierna: het eerste kortgedingvonnis). Bij dat eerste kortgedingvonnis is [appellante] veroordeeld om het gebruik van de standplaats door [geïntimeerde] te gehengen en te gedogen en is [appellante] geboden zich te onthouden van gedragingen die dit gebruik beperken, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. In het kortgedingvonnis is daartoe onder meer het volgende overwogen:
- k. Bij e-mail van 13 februari 2024 heeft de advocaat van [appellante] aan de advocaat van [geïntimeerde] onder meer geschreven dat helaas geen reactie van laatstgenoemde is ontvangen, dat tot dagvaarding zal worden overgegaan en dat [appellante] hem heeft gemeld dat er op 11 februari 2024
- l. [geïntimeerde] heeft de standplaats niet ontruimd en heeft de huur voor het jaar 2024 niet, althans in elk geval niet tijdig voldaan.
- I. veroordeling van [geïntimeerde] om binnen drie dagen na betekening van het vonnis standplaats [--] met de daarop staande opstallen, gelegen aan [adres A] , volledig ontdaan van zijn eigendommen te ontruimen en ontruimd te houden, zodat [appellante] over haar eigendom kan beschikken, met machtiging aan [appellante] om deze ontruiming, indien nodig, voor rekening van [geïntimeerde] te doen bewerkstelligen;
- II. [appellante] te machtigen om, indien [geïntimeerde] niet vrijwillig aan voornoemde veroordeling tot ontruiming voldoet, eventuele achtergebleven eigendommen van [geïntimeerde] te (laten) vernietigen;
- Het gehuurde moet gekwalificeerd worden als een onbebouwde onroerende zaak. Het gehuurde is geen woonwagenstandplaats. De dwingendrechtelijke huurbescherming die voor woonruimte geldt, is daarom niet van toepassing op het gehuurde (rov. 4.2).
- Er is evenmin grond aanwezig voor analoge toepassing van de dwingendrechtelijke huurbescherming die voor woonruimte geldt (rov. 4.3).
- De huuropzegging moet dus worden beoordeeld aan de hand van artikel 7:228 lid 2 BW Pro. Gelet op de inhoud van dat wetsartikel heeft [appellante] de huur van de standplaats in beginsel in december 2023 tegen 31 januari 2024 kunnen opzeggen (rov. 4.4).
- Onder omstandigheden kunnen aan een opzegging nadere eisen gesteld worden of kan een beroep op een bevoegdheid een overeenkomst op te zeggen, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (rov. 4.5).
- Omdat [geïntimeerde] met het chalet in zijn huisvesting voorziet en het chalet bij het eind van de huur zal moeten verwijderen of op de standplaats zal moeten verkopen, en elders woonruimte zal moeten vinden, is in dit geval voor de opzegging van de huurovereenkomst een zwaarwegende grond vereist (rov. 4.6).
- De stellingen van [appellante] over door [geïntimeerde] veroorzaakte overlast zijn tegenover de betwisting daarvan door [geïntimeerde] , onvoldoende onderbouwd, en dus onvoldoende om vooruitlopend op een bodemprocedure de gevorderde ontruiming toe te wijzen (rov. 4.11).
- Dat [appellante] in gesprek is met de gemeente over een uitbreiding van de camping en dat zij in het verleden een slechte naam had, voert niet tot een ander oordeel (rov. 4.12).
- Voorshands is dus onvoldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd en geëindigd per 31 januari 2024 en dat [geïntimeerde] het gehuurde sindsdien zonder recht of titel in gebruik heeft. Dat [geïntimeerde] de jaarhuur over 2024 nog niet heeft voldaan, maakt dat niet anders (rov. 4.13).
- De vordering van [appellante] tot ontruiming en daarmee ook haar overige vorderingen zijn dus niet toewijsbaar (rov. 4.15).
- m. In de nacht van 16 op 17 december 2024 heeft de politie een inval gedaan in het chalet van [geïntimeerde] . De politie heeft in het chalet de navolgende hoeveelheden harddrugs aangetroffen: 508,08 gram flakka, 934,35 gram ketamine, 1.093,61 gram (meth)amfetamine, 331,57 gram MDMA en 741,92 gram bruto GHB.
- n. Kort voor het onderzoek in het chalet, is [geïntimeerde] op 16 december 2024 aangehouden door de politie. [geïntimeerde] was ten tijde van de aanhouding in het bezit van een jerrycan met een vloeistof die positief testte op cocaïne.
- o. Bij besluit van 4 februari 2025 heeft de burgemeester van de gemeente [YY] , kort gezegd, op grond van artikel 13b van de Opiumwet het chalet van [geïntimeerde] gesloten voor de duur van drie maanden, ingaande 18 februari 2025 en eindigend op 18 mei 2025.
- p. Bij brief van haar advocaat van 19 februari 2025 heeft [appellante] de huurovereenkomst met onmiddellijke ingang buitengerechtelijk ontbonden met een beroep op artikel 7:231 lid 2 BW Pro. In de brief is [geïntimeerde] verzocht om uiterlijk op 8 juni 2025 – drie weken na heropening van het chalet – de standplaats volledig te ontruimen en in de oorspronkelijke staat op te leveren.
- het alsnog toewijzen van haar vorderingen;
- veroordeling van [geïntimeerde] om al hetgeen [appellante] ter uitvoering van het beroepen kortgedingvonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, aan [appellante] terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente;
- dat [geïntimeerde] op zodanige wijze in de nakoming van de huurovereenkomst is tekortgeschoten, dat dit de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, en/of
- dat de gedragingen van [geïntimeerde] voor [appellante] een zwaarwegende grond voor opzegging van de huurovereenkomst opleveren.
- De politie heeft in de nacht van 16 op 17 december 2024 een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs aangetroffen in het chalet van [geïntimeerde] op de door [geïntimeerde] gehuurde standplaats. [geïntimeerde] heeft in deze procedure consequent voorgehouden dat hij het chalet permanent bewoont. [geïntimeerde] heeft – mede gelet op die permanente bewoning – niet en in elk geval onvoldoende betwist dat hij van de aanwezigheid van de drugs in zijn chalet op de hoogte was.
- Toen [geïntimeerde] op 16 december 2024 door de politie werd aangehouden, was hij in het bezit van een jerrycan met een vloeistof die positief testte op cocaïne. Ook dit wijst erop dat [geïntimeerde] betrokken was bij het bezit, vervoer en mogelijk de handel in drugs.
- Handelingen die verband houden met het bezit en de handel in drugs, roepen risico’s in het leven voor de omgeving van de locatie van waaruit die handelingen worden verricht. Zo kunnen die handelingen leiden tot bezoek van verslaafden of criminelen aan de betreffende locatie. [appellante] hoeft dergelijke risico’s, mede vanwege haar verantwoordelijkheid jegens de andere huurders van standplaatsen op de camping, niet te accepteren.
- Vast staat dat er ook op 10 juli 2023 al een inval van de politie in het chalet van [geïntimeerde] heeft plaatsgevonden. De politie heeft daarbij meerdere patronen en meerdere soorten drugs aangetroffen. Dit wijst erop dat de gebeurtenissen van 16 en 17 december 2024 geen op zichzelf staand incident betreffen, maar passen in een trend.
- In de nacht van 4 op 5 oktober 2024 heeft de politie de auto van [geïntimeerde] doorzocht, terwijl die auto op het parkeerterrein naast de camping stond. Ook dit wijst erop dat de politie reden had om [geïntimeerde] van strafbare feiten te verdenken.
- Politie-invallen en -onderzoeken zoals hierboven geschetst, zorgen voor een negatieve uitstraling op de camping, kunnen gevoelens van onveiligheid oproepen bij campinggasten en kunnen campinggasten ertoe brengen de camping voortaan te mijden. Deze gevolgen zijn onwenselijk voor [appellante] .
- [appellante] heeft onder meer door het overleggen van diverse foto’s en van door campinggasten mede ondertekende waarschuwingsbrieven voldoende aannemelijk gemaakt dat het chalet van [geïntimeerde] regelmatig bezocht werd door “ongure types” en verwarde personen. Dit past bij het drugsmilieu waarin [geïntimeerde] zich heeft begeven.
- [geïntimeerde] is door de kortgedingrechters meermaals gewaarschuwd voor de mogelijke gevolgen van zijn gedrag, namelijk in rov. 4.9 van het eerste kortgedingvonnis van 13 september 2023 en in rov. 4.14 van het beroepen kortgeding vonnis van 19 april 2024. Desondanks hebben zich nadien weer meerdere incidenten voorgedaan.
- Explootkosten € 112,99
- Griffierecht € 130,--
- Salaris gemachtigde € 543,--
- Explootkosten € 112,99
- Griffierechten € 798,--
- Salaris advocaat € 3.035,-- (2,5 punten x tarief II)
- Nakosten € 178,--(plus de verhoging zoals vermeld in de
7.De uitspraak
- veroordeelt [geïntimeerde] om binnen drie maanden na betekening van dit arrest standplaats [--] met de daarop staande opstallen, gelegen aan [adres A] , volledig ontdaan van zijn eigendommen te ontruimen en ontruimd te houden, zodat [appellante] over haar eigendom kan beschikken;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het kortgeding bij de kantonrechter ten bedrage van € 785,99;