ECLI:NL:GHSHE:2025:1398

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
20 mei 2025
Publicatiedatum
21 mei 2025
Zaaknummer
200.346.021_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 lid 3 RvArt. 353 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake eiswijziging en proceskosten in civiele zaak

In deze civiele procedure heeft appellante, een besloten vennootschap, hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarin haar vorderingen waren afgewezen. De vorderingen betroffen betaling van een geldbedrag, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Tijdens het hoger beroep heeft appellante haar eis gewijzigd in de memorie van grieven, met name door toevoeging van een grondslag dat bestuurder van geïntimeerde leugenachtig zou hebben verklaard en door een eis tot betaling van integrale proceskosten. Geïntimeerde is niet verschenen in hoger beroep en verstek is verleend.

Het hof constateert dat volgens de artikelen 130 lid 3 jo. 353 lid 1 Rv eiswijziging tegen een niet verschenen partij uitgesloten is, tenzij deze tijdig bij exploot kenbaar is gemaakt. Omdat niet duidelijk is of appellante dit heeft gedaan, biedt het hof haar de gelegenheid om alsnog een exploot te overleggen waaruit blijkt dat de memorie van grieven aan geïntimeerde is betekend.

Het hof houdt verdere beslissing aan en verwijst de zaak naar de rol van 1 juli 2025 voor nadere procedure. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2025.

Uitkomst: Het hof houdt de zaak aan en verwijst naar de rol voor nadere betekening van de memorie van grieven.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.346.021/01
arrest van 20 mei 2025
in de zaak van
[X B.V.],
gevestigd te ‘ [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna: [appellante] ,
advocaat: mr. B. Martens te Amsterdam,
tegen
[Z B.V.],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna: [geintimeerde] ,
niet verschenen,
op het bij dagvaardingsexploot van 23 juli 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 24 april 2024 tussen [appellante] als eiseres en [geintimeerde] als gedaagde.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak C/01/389374 / HA ZA 23-57)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het hiervoor genoemde vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van [appellante] ;
- de rolaantekening dat tegen [geintimeerde] verstek is verleend;
- de door [appellante] genomen memorie van grieven, tevens houdende eisvermeerdering, met producties 10, 11 en 12 en de conclusie van eis.
2.2
Nadat arrest is gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg.

3.De beoordeling

Het geding in eerste aanleg bij de rechtbank
3.1
In dit met de dagvaarding van 21 december 2022 ingeleide geding heeft [appellante] in eerste aanleg gevorderd, samengevat, dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad [geintimeerde] zal veroordelen tot:
betaling van € 45.000,--, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 31 december 2019;
betaling van € 1.225,-- aan buitengerechtelijke kosten;
met veroordeling van [geintimeerde] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2
De mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft op 5 maart 2024 plaatsgevonden.
3.3
Bij het beroepen vonnis van 24 april 2024 heeft de rechtbank, samengevat, de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na aanschrijving.
Het geding in hoger beroep bij dit hof
3.4
In dit met de dagvaarding van 23 juli 2024 ingeleide hoger beroep formuleert [appellante] drie grieven en concludeert [appellante] , kort samengevat, dat het hof uitvoerbaar bij voorraad het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende [geintimeerde] zal veroordelen tot:
betaling van € 45.000,--, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 31 december 2019;
betaling van € 1.225,-- aan buitengerechtelijke kosten;
betaling van de integrale proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep, berekend op € 27.066,96 tot 1 december 2024, te vermeerderen met (kennelijk bedoelde wettelijke) rente vanaf de achtste dag;
(hierna: vorderingen A, B en C).
3.5
[appellante] wijzigt in de memorie van grieven de (grondslag van de) eis in hoger beroep, met name door haar bewering dat (bestuurder [persoon A] van) [geintimeerde] op de mondelinge behandeling in eerste aanleg evident leugenachtig heeft verklaard en met haar gewijzigde vordering C tot betaling van integrale proceskosten. Dat is tegen de in hoger beroep niet verschenen [geintimeerde] volgens de artikelen 130 lid 3 jo. 353 lid 1 Rv uitgesloten, tenzij de wijzigingen (tijdig) bij exploot aan [geintimeerde] kenbaar zijn gemaakt. Omdat niet duidelijk is dat [appellante] dat (al) heeft gedaan, zal het hof [appellante] (alsnog) de gelegenheid bieden om zo’n exploot te overleggen.
3.6
Het hof concludeert dat [appellante] nu eerst de gelegenheid dient te worden geboden voor inbreng van een exploot waarbij de memorie van grieven, tevens houdende eisvermeerdering, met producties 10, 11 en 12 aan [geintimeerde] zijn betekend. Het hof houdt elke verdere beslissing aan en beslist nu als volgt.

4.De uitspraak

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 1 juli 2025 voor akte aan de zijde van [appellante] voor het in rov. 3.6 vermelde doel;
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.B. Smits en J. den Hoed en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 mei 2025.
griffier rolraadsheer