Belanghebbende heeft tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant hoger beroep ingesteld via zijn gemachtigde. Het hof heeft de gemachtigde verzocht een machtiging te overleggen die niet ouder is dan zes maanden, maar deze is niet tijdig en correct aangeleverd. Daarnaast heeft belanghebbende per e-mail kenbaar gemaakt dat hij niet wenst door te procederen.
Het hof constateert dat de overgelegde volmachten niet voldoen aan de gestelde eisen en dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid is beëindigd. Gezien de intrekking door belanghebbende en het ontbreken van een geldige machtiging verklaart het hof het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk.
Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 18 juni 2025 en een afschrift is aan belanghebbende verzonden. Tevens is gewezen op de mogelijkheid van verzet tegen deze beslissing binnen zes weken.