ECLI:NL:GHSHE:2025:2073

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 juli 2025
Publicatiedatum
24 juli 2025
Zaaknummer
20-002141-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een commissaris van een rechtspersoon voor faillissementsfraude door onttrekking van een auto aan de boedel

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 28 juli 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. De verdachte, als commissaris van een stichting, werd beschuldigd van het onttrekken van een auto aan de failliete boedel van de stichting, wetende dat dit de verhaalsmogelijkheden van schuldeisers zou benadelen. De stichting, die dagbesteding en begeleiding bood aan personen met een beperking, was op 21 april 2020 in staat van faillissement verklaard. De verdachte had de auto, een Fiat Doblo, kort na het faillissement op zijn naam overgeschreven. Het hof oordeelde dat de verdachte wetenschap had van het faillissement en dat zijn handelen de schuldeisers benadeelde. De verdediging had vrijspraak bepleit, maar het hof bevestigde de eerdere veroordeling en legde een taakstraf van 60 uren op, subsidiair 30 dagen hechtenis. Het hof overwoog dat de verdachte, gezien zijn functie binnen de stichting, een verantwoordelijkheid droeg en dat de ernst van het bewezen feit een zwaardere straf rechtvaardigde. De redelijke termijn was in hoger beroep overschreden, maar dit had geen invloed op de strafmaat. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor wat betreft de opgelegde straf en deed opnieuw recht.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002141-23
Uitspraak : 28 juli 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 11 juli 2023, in de strafzaak met parketnummer 82-181155-21 tegen:
[verdachte],
geboren te distrikt [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘als commissaris van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, tijdens het faillissement enig goed aan de boedel onttrekken’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Van de zijde van de verdachte is tegen dit vonnis tijdig hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf. In zoverre zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen. Vanwege de straf die het hof aan de verdachte zal opleggen, zal het hof tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften vervangen waarop die strafoplegging is gegrond.
Ten slotte ziet het hof aanleiding de gronden (in de zin van bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen) aan te vullen en te verbeteren, maar zal het – omwille van de leesbaarheid – de bewijsvoering van de rechtbank in het geheel vervangen. Dit laat onverlet dat het hof zich in belangrijke mate kan vinden in die bewijsvoering, zodat delen daaruit in dit arrest zullen worden overgenomen.
Bewijsmiddelen [1]
1.
Een geschrift, te weten een uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 11 september 2020 (DOC- 004), voor zover inhoudende:
Rechtspersoon
Rechtsvorm: Stichting
Statutaire naam: [stichting]
Ook genoemd: [stichting]
Statutaire zetel: gemeente Tilburg
Bezoekadres: [adres 2]
Eerste inschrijving handelsregister: 20-10-2017
Datum akte van oprichting: 20-10-2017
Activiteiten:
Ondersteuning en begeleiding van gehandicapten. De exploitatie van een ingevolge de Zorgverzekeringswet, de Wet Langdurige Zorg, de Wet Maatschappelijke Ondersteuning en de Jeugdwet erkende instellingen, die ten doel hebben het verlenen van zorg, met name in de vorm van dagbesteding.
Met ingang van 21-04-2020 is [stichting] in staat van faillissement verklaard.
Commissarissen
Naam: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedag] 1958
Datum in functie: 20-10-2017 (datum registratie: 20-10-2017)
Titel: penningmeester Raad van Toezicht.
2.
Een beslissing in den wettelijke vorm, opgemaakt door een college met rechtspraak belast, te weten het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 21 april 2020 (DOC-003), voor zover inhoudende :
De rechtbank verklaart [stichting] in staat van faillissement.
3.
Een geschrift te weten een e-mail van advocaat [advocaat] , namens curator [curator] , inhoudende een melding faillissementsfraude (DOC-001) aan de belastingdienst, voor zover inhoudende:
Bij vonnis van de Rechtbank Zeeland - West-Brabant van 21 april 2020 is het faillissement uitgesproken van [stichting] , statutair gevestigd te Tilburg, met aanstelling van mijn kantoorgenoot mr. [curator] tot curator. [...] Daarnaast rijst het vermoeden dat voorafgaand aan en tijdens het faillissement vermoedelijke goederen om niet of beneden de waarde zijn vervreemd. Een auto die ten tijde van het uitspreken van het faillissement op naam van de boedel stond, is niet aangetroffen.
4.
Een vragenlijst voor aangifte van vermoedelijke faillissementsfraude d.d. 7 juni 2021 (G-001-01), voor zover inhoudende als verklaring van curator [curator] :
(p. 2)
Vraag:
Wat kunt u verklaren over [stichting] en haar activiteiten?
Antwoord:
[stichting] was gevestigd aan [adres 3] , alwaar zij een dagbesteding voor (geestelijk) gehandicapten, althans personen met een beperking exploiteerde. De inkomsten van de Stichting bestonden slechts uit vergoedingen van de zorgverzekeraars van de ‘patiënten’ die voor de dagbesteding hadden gekozen.
(p. 3)
Vraag:
Op grond van welke feiten en omstandigheden bent u tot de conclusie gekomen dat [stichting] feitelijk werd bestuurd door de heren [verdachte] en [medeverdachte] ?
Antwoord:
Beide heren [familienaam] zijn vader en zoon van elkaar. Zij voerden allebei de dagelijkse gang van zaken en namen de dagopvang voor hun rekening. Zij waren dan ook bijna dagelijks aanwezig om de personen te begeleiden op de locatie van de Stichting. De heer [verdachte] bezigde zich voornamelijk met de begeleiding van de dagbesteding. Hij kwam mee naar besprekingen op mijn kantoor en was aanwezig bij andere besprekingen op bijvoorbeeld de locatie van de Stichting. [...] Beide heren [familienaam] voerden als het ware het woord voor [stichting] . Zij waren vanaf moment een ons aanspreekpunt en alle correspondentie met de Stichting is via hen verlopen. [...]
(p. 5)
Vraag:
In de melding van mogelijke faillissementsfraude die mr. [advocaat] namens u op 2 september 2020 heeft gedaan staat onder meer:
“Een auto die ten tijde van het uitspreken van het faillissement op naam van de boedel stond, is niet aangetroffen [...]”
Wat kunt u hierover verklaren?
Antwoord:
Hetgeen mevrouw [advocaat] in de melding stelt is juist. De auto die na datum faillissement is onttrokken, althans niet in het faillissement is aangetroffen, maar wel geregistreerd staat bij het RDW, is een FIAT Doblo; 1.4 8V met kenteken [kenteken] .
(p. 6 en 7)
Vraag:
Wat is de hoogte van de schuld op dit moment?
Antwoord:
De totale hoogte van de schuld is op dit moment € 155.814,43.
De vijf grootste schuldeisers zijn:
- De belastingdienst voor € 54.968,-
- Het UWV voor € 40.851,58
- Het Pensioenfonds Zorg en Welzijn voor € 24.671,12
- [advocatenkantoor] Advocaten voor € 12.714,93 en
- De heer [naam] i.z.h.v. verhuurder voor € 9.231,69.
5.
Een geschrift, te weten een aanvullende vragenlijst voor aangifte van vermoedelijke faillissementsfraude (G-001-02) voor zover inhoudende als verklaring van curator [curator] :
(p. 1)
Vraag:
Waardoor kon [stichting] haar schulden niet betalen? Heeft u hiervoor een
oorzaak gevonden?
Antwoord:
[stichting] kon haar schulden niet (meer) betalen aangezien, uit de door ons
beschikbare administratie en verklaringen van [medeverdachte] , blijkt dat het actief niet
toereikend was.
6.
Een geschrift, te weten een e-mailbericht van [medeverdachte] aan [advocaat] d.d. 25 mei 2020 (DOC-020), voor zover inhoudende:
In de maanden maart, april en mei [
het hof begrijpt: gelet op de datum van dit e-mailbericht: 2020] hebben wij geen zorg geleverd aan cliënten.
7.
Het proces-verbaal d.d. 9 maart 2022 (dossierpagina 97 tot en met 119), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
(p. 23)
Het faillissement [
het hof: van [stichting]] is op 10 augustus 2021 opgeheven wegens gebrek aan baten.

8.Een geschrift, te weten HSB, opvragen voertuiggegevens RDW (DOC-040):

Opvragen RDW Voertuiggegevens: 14-06-2021
Kenteken: [kenteken]
Houder: [stichting] : 25-07-2018 - 01-05-2020
Houder: [verdachte] : 01-05-2020 - 07-05-2020
9.
De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van deze rechtbank van 27 juni 2023, voor zover inhoudende:
Ik heb de FIAT Doblo ingebracht bij de Stichting. Ik heb de auto bij de Stichting opgehaald en op mijn naam gezet.

10.Het proces-verbaal van verhoor verdachte (V-002-01), voor zover inhoudende:

(p. 3)
Vraag verbalisanten:
Wat kunt u verklaren over [stichting] ?
Antwoord gehoorde:
Wat ik u niet hoor zeggen is dat ik bij de oprichting veel geld in [stichting] heb gestopt. Dit geld heb ik nooit terug gezien: op een gegeven moment kreeg ik telefoon dat [stichting] niet meer bestond. [...]
Wat zou u doen? Ik moet u betalen en ik dreig kapot te gaan. Wat zou u doen? Je moet kijken naar de menselijkheid. Wat ik niet hoor is dat ik het geld wat ik in [stichting] heb gestopt nooit terug heb gezien. Ik heb de inventaris en twee auto's, een blauwe en een grijze Doblo, vanuit de [bedrijf] in [stichting] gestopt. Ik snap u echt niet.
Bewijsoverwegingen
Op 2 september 2020 wordt bij het Centraal Meldpunt Faillissementsfraude namens de curator een melding gedaan van vermoedelijke faillissementsfraude ter zake verdachte en diens zoon (tevens medeverdachte), respectievelijk commissaris en (feitelijk) bestuurder/penningmeester bij [stichting] (hierna: de Stichting). Het betreft een stichting voor dagbesteding en begeleiding van personen met een beperking, verslavingsproblematiek of stoornissen. In deze zaak draait het om de vraag of verdachte een auto die op naam stond van [stichting] (hierna telkens: de Stichting) tijdens het faillissement heeft onttrokken aan de boedel terwijl hij wist dat hij schuldeisers hiermee in hun verhaalsmogelijkheden zou benadelen.
Op basis van de bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast:
  • verdachte stond sinds de oprichting van de Stichting op 20 oktober 2017 ingeschreven als commissaris;
  • van 25 juli 2018 tot 1 mei 2020 stond de auto (Fiat Doblo met kenteken [kenteken] ) op naam van de Stichting;
  • op 21 april 2020 is de Stichting in staat van faillissement verklaard;
  • ten tijde van het faillissement, te weten op 1 mei 2020, heeft verdachte voornoemde auto meegenomen vanaf de locatie van de Stichting en heeft hij deze overgeschreven op zijn naam.
Blijkens de verklaring van de curator was verdachte dagelijks aanwezig op de locatie van de Stichting en waren vader en zoon vanaf moment één het aanspreekpunt voor de curator.
Dat de verdachte wetenschap had van het faillissement volgt naar het oordeel van het hof tevens uit het moment van de overschrijving van de auto, te weten kort na het uitgesproken faillissement. Dit terwijl de auto daarvoor al geruime tijd – ongeveer tweeëntwintig maanden – op naam van de Stichting had gestaan. De timing van deze overschrijving dient bovendien te worden gezien in het licht van de verklaring van de verdachte zoals deze is afgelegd op 27 januari 2022 bij de FIOD. Tijdens dat verhoor heeft verdachte immers verklaard dat hij onder meer de betreffende auto in de Stichting had ingebracht en – zo leidt het hof uit die verklaring af – het kennelijk niet kon verkroppen dat hij door het faillissement van (de waarde van) die auto niets meer zou terugzien.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg naar voren gebracht dat niet het faillissement, maar het gegeven dat zijn vriendin een auto nodig had in verband met een op te richten instelling voor dagopvang, de reden voor de overschrijving was. Deze verklaring heeft de verdachte pas ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegd, terwijl het voor de hand had gelegen daarover al bij de FIOD te verklaren. Het hof hecht aan deze verklaring geen waarde en schuift deze dan ook terzijde.
Dat het volgens de verdachte (dossierpagina 94) kennelijk goed ging met de Stichting omdat deze naar een grotere ruimte was verhuisd en dat hij – op het moment dat hij de auto ophaalde en op zijn naam zette – niet wist dat het faillissement van de Stichting was uitgesproken, acht het hof ongeloofwaardig in het licht van het vorenstaande en omdat een verhuizing van de Stichting in de periode van het tenlastegelegde geen enkele steun vindt in het dossier. Bovendien heeft [medeverdachte] verklaard dat er in de maanden maart, april en mei 2020 geen zorg is geleverd aan cliënten, hetgeen haaks staat op de stelling van de verdachte dat hij bij het ophalen van de auto verschillende cliënten van de Stichting zag rondlopen. Dat verbaast te meer, nu ook is gebleken dat de inkomsten van de stichting slechts bestonden uit de vergoedingen van de zorgverzekeraars van de ‘patiënten’ (cliënten) en er aanzienlijke schulden waren.
Het verweer dat geen sprake was van feitelijke benadeling omdat de auto geen economische waarde meer zou vertegenwoordigen, wordt eveneens verworpen. Het gegeven dat de verdachte de auto heeft onttrokken aan de boedel door deze over te schrijven op zijn naam geeft al aan dat de auto – naar inschatting van de verdachte – enige waarde vertegenwoordigde. Daar komt bij dat al zou sprake zijn van een sloopauto – waarvoor het dossier geen aanknopingspunten biedt – het een feit van algemene bekendheid is dat ook sloopauto’s, onder meer vanwege bruikbare onderdelen, waarde vertegenwoordigen.
Op te leggen straf
De verdediging heeft bepleit dat het hof toepassing zal geven aan het in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bepaalde, en aan de verdachte geen straf zal opleggen. Daartoe is aangevoerd dat de lange duur van de procedure zwaar is geweest voor de verdachte, dat het om een oud feit en een oude auto gaat, en dat de redelijke termijn is overschreden.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ‘als commissaris van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, tijdens het faillissement enig goed aan de boedel onttrekken’, door een Fiat Doblo – die op naam van de Stichting stond en tot de boedel van de Stichting behoorde – kort na het faillissement van de Stichting bij de Stichting weg te halen en op zijn eigen naam over te schrijven. De verdachte heeft dit feit uit eigen gewin gepleegd en daardoor de rangorde doorkruist op grond waarvan de verdeling van de boedel hoort plaats te vinden. Nu er onvoldoende baten waren, zijn daardoor andere schuldeisers, zoals de Belastingdienst en het UWV, benadeeld. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 april 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij in een verder verleden eerder onherroepelijk is veroordeeld.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat de verdachte geen andere inkomsten heeft naast zijn uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).
Naar het oordeel van het hof kan, mede vanwege de verantwoordelijke functie van de verdachte binnen de Stichting, niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin de aard en ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt. Om dezelfde reden ziet het hof geen aanleiding om toepassing te geven aan het in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bepaalde.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis, passend en geboden.
Redelijke termijn
Anders dan door de verdediging is gesuggereerd heeft een eerste verhoor, anders dan bijvoorbeeld de inverzekeringstelling van een verdachte, niet zonder meer te gelden als aanvangsdatum van de redelijke termijn. Het hof is in de onderhavige zaak niet van oordeel dat het verhoor van de verdachte heeft te gelden als een handeling vanwege de Nederlandse Staat waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit strafvervolging zou worden ingesteld. Het hof stelt dan ook vast dat in eerste aanleg geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.
Nu van de zijde van de verdachte hoger beroep is ingesteld op 25 juli 2023 en het hof bij arrest van heden, 28 juli 2025, arrest zal wijzen, is daarmee de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met enkele dagen. Het hof zal echter volstaan met de enkele constatering dat van een overschrijding sprake is, reeds omdat blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad strafvermindering niet aan de orde is bij de aard en hoogte van de hierna op te leggen straf.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 343 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. C.M. Hilverda, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 28 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Hilverda en mr. Lonterman zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Voor zover niet anders is aangegeven, maken de hierna te noemen bewijsmiddelen met verwijzing naar paginanummers deel uit van het dossier van de FIOD, kantoor Breda, met dossiernummer 69070/6069070 (onderzoek Lewisville), gesloten op 9 maart 2022, aantal doorgenummerde bladzijden: 1 tot en met 611, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De inhoud van de bewijsmiddelen is, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.