ECLI:NL:GHSHE:2025:2076

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 juli 2025
Publicatiedatum
24 juli 2025
Zaaknummer
20-002095-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en veroordeling van bestuurder van een stichting wegens faillissementsfraude en schending van inlichtingenplicht

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 28 juli 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. De verdachte, geboren in 1986, was bestuurder van een stichting die op 21 april 2020 in staat van faillissement was verklaard. De verdachte werd beschuldigd van het onttrekken van goederen aan de boedel van de stichting en het niet verstrekken van vereiste inlichtingen aan de curator. Het hof sprak de verdachte vrij van het tweede feit, omdat niet bewezen kon worden dat hij opzettelijk niet de vereiste inlichtingen had verstrekt. Echter, het hof oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan het onttrekken van aanzienlijke bedragen aan de boedel, wat leidde tot benadeling van schuldeisers. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan de tijd in voorarrest in mindering werd gebracht. Daarnaast werd hij voor drie jaar ontzet van het recht om als bestuurder van een rechtspersoon op te treden, met publicatie van deze uitspraak in de registers van de Kamer van Koophandel. Het hof benadrukte de ernst van de feiten, gezien de kwetsbare positie van de cliënten van de stichting en de verantwoordelijkheden van de verdachte als bestuurder.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002095-23
Uitspraak : 28 juli 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 11 juli 2023, in de strafzaak met parketnummer 82-181154-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van
  • ‘als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, enig goed aan de boedel onttrokken of onttrekken, meermalen gepleegd en als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, tijdens het faillissement enig goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd’ (
  • ‘als bestuurder van een rechtspersoon, tijdens het faillissement van de rechtspersoon, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekken, meermalen gepleegd’ (
  • ‘in staat van faillissement verklaard als bestuurder van een rechtspersoon wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden weigeren de vereiste inlichtingen te geven, meermalen gepleegd’ (
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Daarnaast is de verdachte ontzet van het recht tot het uitoefenen van het beroep ‘bestuurder van rechtspersonen’ voor de duur van 3 jaren, en is door de rechtbank bepaald dat het vonnis openbaar zal worden gemaakt in de registers van de Kamer van Koophandel.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis tijdig hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte zal ontzetten van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon met publicatie van het vonnis.
De verdediging heeft primair (integrale) vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Dat laat onverlet dat het hof zich in belangrijke mate in de bewijsmiddelen van de rechtbank kan vinden voor zover betreffende het onder 1 en 3 tenlastegelegde, zodat het hof delen van die bewijsmiddelen zal overnemen in dit arrest.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij , te Tilburg en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen , meermalen, althans eenmaal, als bestuurder van de rechtspersoon [stichting] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 april 2020 in staat van faillissement was verklaard (DOC-003), voor de intreding van het faillissement en/of tijdens het faillissement van [stichting] , enig goed aan de boedel heeft onttrokken, te weten:
op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 januari 2018 tot en met 11 november 2019 een of meer geldbedragen voor in totaal per saldo circa 80.872 euro (zijnde 88.905 euro (totaal onttrekkingen) minus 3.333 euro huur (AMB-004 p. 2 ,5, 11 en 12) en minus 4.700 euro aan [bedrijf 1] (AMB-004 p. 2)), bestaande die onttrekkingen uit:
- Een of meer overboeking(en) voor in totaal circa 10.000 euro van een of meer bankrekening(en) van [stichting] naar een of meer bankrekening(en) van verdachte, [verdachte] (AMB-004 p. 3, DOC-041 p. 15 en G-003-01 p. 4 t/m 6) en/of
- Een of meer overboeking(en) voor in totaal circa 10.240 euro van een of meer bankrekening(en) van [stichting] naar een of meer bankrekening(en) van [bedrijf 1] , zijnde de eenmanszaak van verdachte, [verdachte] (AMB-004 p. 2, 3 en 12, DOC-041 p. 15 en G-003-01 p. 4 t/m 6) en/of
- Een of meer contante opname(n) voor in totaal circa 14.750 euro van een of meer bankrekening(en) van [stichting] (AMB-004 p. 2 en 3, DOC-060, DOC-061, DOC-041 p. 16 en G-003-01 p. 4 t/m 6) en/of
- Een of meer overboeking(en) voor in totaal afgerond circa 1.185 euro van een of meer bankrekening(en) van [stichting] naar een of meer bankrekening(en) van (een) derde(n) ten behoeve van privébetalingen door verdachte, [verdachte] , (AMB-004 p. 3 en 4, DOC-060, DOC-061, DOC-041 p. 16 en G-003-01 p. 4 t/m 6) en/of
- Een of meer overboeking(en) voor in totaal circa 31.960 euro van een of meer bankrekening(en) van [stichting] naar een of meer bankrekening(en) van verdachte, [verdachte] (AMB-004 p. 2, 4 en 5, en DOC-076) en/of
- Een of meer contante (opname(n) voor in totaal per saldo circa 20.770 euro van een of meer bankrekening(en) van [stichting] (AMB-004 p. 2, 5 en 12, en DOC-077),
althans enig geldbedrag, zulks (telkens), zonder dat voor een of meer transactie(s) voornoemd een betalingsverplichting, althans een zakelijke verplichting en/of een zakelijke verantwoording bestond/tegenover stond en verdachte en/of (een of meer van zijn) medeverdachte(n), toen aldaar, een of meer geldbedrag(en) voornoemd, althans een of meer geldbedrag(en), althans enig geldbedrag aldus buiten het bereik en beheer van de curator heeft gesteld en/of gehouden (onttrokken/onttrek(t)(ken))
en/of
op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 april 2020 tot en met 7 juni 2021 een en/of twee containers (DOC-001 en G-001-01 p. 5), althans enig goed,
wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van [stichting] in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld (G-001-01 p. 6).
2.
hij als bestuurder van de rechtspersoon [stichting] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Zeeland- West-Brabant van 21 april 2020 in staat van faillissement was verklaard (DOC-003), tijdens het faillissement van voornoemde rechtspersoon, te weten op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 april 2020 tot en met 7 juni 2021, te Tilburg en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, meermalen, althans eenmaal, desgevraagd (telkens) opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, als bedoeld in de Faillissementswet, een ingevolge de wettelijke verplichtingen, te weten art. 2:10 lid 1 BW, gevoerde en/of bewaarde administratie en/of de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekt,
immers heeft/hebben, hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachte(n)toen aldaar -zakelijk weergegeven- geen facturen en/of kasbescheiden en/of lijsten van de dagopvang en/of van onkosten van personeel, althans geen volledige en/of deugdelijke administratie aan voornoemde curator overgelegd/uitgeleverd en/of doen overleggen/uitleveren, althans ter beschikking gesteld en/of doen stellen (G-001-01 p. 4),
ten gevolge waarvan de rechten en verplichtingen van voornoemde rechtspersoon niet te allen tijde juist en/of volledig konden worden gekend.
3.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 april 2020 tot en met 7 juni 2021, te Tilburg en/of (elders) in Nederland, (telkens) heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven en/of opzettelijk onjuiste en/of onvolledige inlichtingen heeft gegeven, terwijl hij in het faillissement van een ander, te weten van [stichting] , wettelijk verplicht was tot het geven van inlichtingen,
immers heeft hij, verdachte, toen aldaar -zakelijk weergegeven- (telkens) opzettelijk geweigerd om de door de curator, onder meer bij e-mail van 24 april 2020 gevraagde en vereiste inlichtingen te geven, te weten een overzicht van crediteuren en/of debiteuren en/of van cliënten en/of alle lopende overeenkomsten (denk aan ZZP’ers, subsidieverstrekkers etc.) en/of een overzicht van lopende verzekeringen en/of de huurovereenkomst van [stichting] en/of de stukken inzake lopende juridische procedures (met oude werknemers) en/of een overzicht van oud-werknemers en/of een overzicht goederen van derden die in de loods van [stichting] stonden en/of voor zover aanwezig de administratie van 2017-2020 en/of de laatste aangiftes van de fiscus (DOC-005), althans de vereiste inlichtingen te geven van belang in het kader van de afwikkeling van het faillissement van [stichting] .
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak (feit 2)
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat het hof hem daarvan zal vrijspreken. Meer in het bijzonder overweegt het hof in dit verband als volgt.
Het hof stelt voorop dat de afgifteplicht in het verlengde ligt van de administratieplicht en de bewaarplicht. Deze plicht ziet immers op het ter beschikking stellen van de gevoerde en bewaarde administratie aan de curator. Indien er in strijd met de geldende voorschriften niet is geadministreerd of de administratie vervolgens niet is bewaard, kan deze ook niet worden afgegeven. In een dergelijk geval wordt niet de afgifteplicht geschonden maar de administratieplicht en/of de bewaarplicht, aldus de Memorie van Toelichting bij artikel 344a en 344b van het Wetboek van Strafrecht (
Kamerstukken II, 33 994, nr. 3 onder 4.4.). Niet bestaande administratie kan overigens ook niet
opzettelijkniet te voorschijn worden gebracht (vgl. Hoge Raad 4 januari 1977, ECLI:NL:HR:AB6910).
In de onderhavige zaak heeft de verdachte een deel van de administratie van de Stichting aan de curator ter beschikking gesteld. De verdachte heeft vervolgens verklaard dat hij aan de curator heeft geleverd wat hij kon leveren en dus niet over meer administratie beschikte dan hij aan de curator ter beschikking heeft gesteld. [1] De verdachte heeft de curator verwezen naar [getuige 4] , die ook over een gedeelte van de administratie zou beschikken. [2] Ook daarvan heeft de curator een deel van de administratie ontvangen en ten slotte heeft de curator een deel ontvangen van de boekhouder van de Stichting, [bedrijf 2] . [3]
Naar aanleiding van de melding van mogelijke faillissementsfraude door de curator, heeft de curator desgevraagd verklaard dat ‘het vermoeden bestaat dat de niet ontvangen administratie gewoonweg niet bestaat’. [4] De curator heeft aanvullend verklaard dat hij dat vermoeden baseert op het gegeven dat er geen administratie is ontvangen en geen reden is om aan te nemen dat een administratie überhaupt bestaat, nu er ook geen – bijvoorbeeld – (feitelijk) bestuurder heeft verklaard dat deze wél bestaat. [5]
Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat er ten tijde van het verzoek van de curator niet meer administratie bestond dan door de verdachte (en anderen) aan de curator ter beschikking is gesteld. Dit betekent dat het voor de verdachte niet mogelijk was om, zoals hem onder 2 wordt verweten, opzettelijk niet terstond meer administratie van [stichting] aan de curator ter beschikking te stellen dan hij heeft gedaan.
Nu onder 2 niet aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij geen fatsoenlijke administratie heeft gevoerd dan wel een gevoerde administratie niet heeft bewaard, waarvoor op grond van het dossier overigens sterke aanwijzingen bestaan, zal het hof hem vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij in Nederland, meermalen als bestuurder van de rechtspersoon [stichting] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 april 2020 in staat van faillissement was verklaard, voor de intreding van het faillissement en tijdens het faillissement van [stichting] , enig goed aan de boedel heeft onttrokken, te weten:
in of omstreeks de periode van 31 januari 2018 tot en met 11 november 2019 geldbedragen voor in totaal per saldo circa 80.872 euro (zijnde 88.905 euro (totaal onttrekkingen) minus 3.333 euro huur en minus 4.700 euro aan [bedrijf 1] , bestaande die onttrekkingen uit:
- overboekingen voor in totaal circa 10.000 euro van een of meer bankrekening(en) van [stichting] naar een of meer bankrekening(en) van verdachte, [verdachte] en
- overboekingen voor in totaal circa 10.240 euro van een of meer bankrekening(en) van [stichting] naar een of meer bankrekening(en) van [bedrijf 1] , zijnde de eenmanszaak van verdachte, [verdachte] en
- contante opnamen voor in totaal circa 14.750 euro van een of meer bankrekening(en) van [stichting] en
- overboekingen voor in totaal afgerond circa 1.185 euro van een of meer bankrekening(en) van [stichting] naar bankrekeningen van derden ten behoeve van privébetalingen door verdachte, [verdachte] , en
- overboekingen voor in totaal circa 31.960 euro van een of meer bankrekening(en) van [stichting] naar een of meer bankrekening(en) van verdachte, [verdachte] en
- contante opnamen voor in totaal per saldo circa 20.770 euro van een of meer bankrekening(en) van [stichting] ,
, zulks telkens, zonder dat voor de transacties voornoemd een betalingsverplichting, althans een zakelijke verplichting en/of een zakelijke verantwoording bestond/tegenover stond en verdachte, toen aldaar, geldbedragen voornoemd, aldus buiten het bereik en beheer van de curator heeft gesteld en/of gehouden (onttrokken)
en
in of omstreeks de periode van 21 april 2020 tot en met 9 juni 2020 twee containers
wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van [stichting] in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld.
3.
hij in de periode van 24 april 2020 tot en met 7 juni 2021, in Nederland, telkens heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven, terwijl hij in het faillissement van een ander, te weten van [stichting] , wettelijk verplicht was tot het geven van inlichtingen,
immers heeft hij, verdachte, toen aldaar -zakelijk weergegeven- telkens opzettelijk geweigerd om de door de curator, onder meer bij e-mail van 24 april 2020 gevraagde en vereiste inlichtingen te geven, te weten een overzicht van crediteuren en debiteuren en/of van cliënten en/of alle lopende overeenkomsten (denk aan ZZP’ers, subsidieverstrekkers etc.) en/of een overzicht van lopende verzekeringen en de huurovereenkomst van [stichting] en/of de stukken inzake lopende juridische procedures (met oude werknemers) en/of een overzicht van oud-werknemers en een overzicht goederen van derden die in de loods van [stichting] stonden en/of de laatste aangiftes van de fiscus, althans de vereiste inlichtingen te geven van belang in het kader van de afwikkeling van het faillissement van [stichting] .
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen [6]
1.
Een geschrift, te weten een uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 11 september 2020 (DOC- 004), voor zover inhoudende:

Rechtspersoon

Rechtsvorm: Stichting
Statutaire naam: [stichting]
Ook genoemd: [stichting]
Statutaire zetel: gemeente Tilburg
Bezoekadres: [adres 2]
Eerste inschrijving handelsregister: 20-10-2017
Datum akte van oprichting: 20-10-2017
Activiteiten:
Ondersteuning en begeleiding van gehandicapten. De exploitatie van een ingevolge de Zorgverzekeringswet, de Wet Langdurige Zorg, de Wet Maatschappelijke Ondersteuning en de Jeugdwet erkende instellingen, die ten doel hebben het verlenen van zorg, met name in de vorm van dagbesteding.
Met ingang van 21-04-2020 is [stichting] in staat van faillissement verklaard.

Bestuurder

Naam: [getuige 2]
Datum in functie: 20-11-2019 (datum registratie: 02-12-2019)

Functionarisgegevens

Naam: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedag] 1986
Infunctietreding: 20-10-2017
Titel: secretaris, penningmeester
Bevoegdheid: gezamenlijk bevoegd
Uit functie: 12-11-2019
Naam: [getuige 3]
Infunctietreding: 20-11-2019
Titel: penningmeester
Uit functie: 11-01-2020
2.
Een beslissing in den wettelijke vorm, opgemaakt door een college met rechtspraak belast, te weten het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 21 april 2020 (DOC-003), voor zover inhoudende:
De rechtbank verklaart [stichting] in staat van faillissement.
3.
Een geschrift te weten een e-mail van advocaat [advocaat] , namens curator [curator] d.d. 2 september 2020, inhoudende een melding faillissementsfraude (DOC-001) aan de belastingdienst, voor zover inhoudende:
Bij vonnis van de Rechtbank Zeeland - West-Brabant van 21 april 2020 is het faillissement uitgesproken van [stichting] , statutair gevestigd te Tilburg, met aanstelling van mijn kantoorgenoot mr. [curator] tot curator.
[...]
Tot op heden heb ik geen administratie van gefailleerde mogen ontvangen. Gefailleerde heeft, ondanks herhaaldelijk verzoek, niet voldaan aan zijn inlichtingenplicht. Daarnaast rijst het vermoeden dat voorafgaand aan en tijdens het faillissement vermoedelijke goederen om niet of beneden de waarde zijn vervreemd. […] Tijdens het faillissement zijn containers door de heer [verdachte] verkocht zonder medeweten van de curator.
Opvallend is tevens dat de heer [getuige 2] als bestuurder staat ingeschreven van
[stichting] , maar hij feitelijk niets van de gang van zaken weet. Feitelijk
wordt de organisatie bestuurd door de heren [medeverdachte] en [verdachte] .
4.
Een vragenlijst voor aangifte van vermoedelijke faillissementsfraude d.d. 7 juni 2021 (G-001-01), voor zover inhoudende als verklaring van curator [curator] :
(p. 1)
Vraag: Wanneer bent u betrokken geraakt bij het faillissement van [stichting]
?
Antwoord: De rechtbank Breda heeft op 21 april 2020 het faillissement van
[stichting] uitgesproken. In dit vonnis ben ik aangesteld als curator. Vanaf
voornoemde datum heb ik mijn taken als curator opgepakt en daarmede ben ik
vanaf 21 april 2020 betrokken geraakt bij het faillissement van [stichting] .
(p. 2)
Vraag:
Wat was de reden van het faillissement van [stichting] ?

Antwoord:

Verder heeft [stichting] een belastingschuld (op het moment van aangifte)
ad € 54.968,- en andere onbetaald gelaten concurrente crediteuren (op het moment
van aangifte) ad € 59.693,90. Deze oplopende schuldenlast hielp niet mee met het
voorbestaan van [stichting] .

Vraag:

Wat kunt u verklaren over [stichting] en haar activiteiten?

Antwoord:

[stichting] was gevestigd aan [adres 3] , alwaar zij een dagbesteding voor (geestelijk) gehandicapten, althans personen met een beperking exploiteerde. De inkomsten van de Stichting bestonden slechts uit vergoedingen van de zorgverzekeraars van de ‘patiënten’ die voor de dagbesteding hadden gekozen.

Vraag:

(p. 3)
Op grond van welke feiten en omstandigheden bent u tot de conclusie gekomen dat [stichting] feitelijk werd bestuurd door de heren [medeverdachte] en [verdachte] ?

Antwoord:

Het is inderdaad juist dat de heer [getuige 2] niet op de hoogte was van de feitelijke gang van zaken binnen [stichting] . Op het moment dat mr. [advocaat] aan de heer [getuige 2] bijvoorbeeld vroeg waarom [stichting] was gefailleerd, kon hij hier geen antwoord op geven. Evenals andere simpele vragen omtrent het reilen en zeilen van de (dagelijkse) gang van zaken binnen de Stichting.
Beide heren [familienaam] zijn vader en zoon van elkaar. Zij voerden allebei de dagelijkse gang van zaken en namen de dagopvang voor hun rekening. Zij waren dan ook bijna dagelijks aanwezig om de personen te begeleiden op de locatie van de Stichting.
De heer [verdachte] voerde voornamelijk het woord richting mij en mijn collega’s namens de Stichting. De inhoudelijke vragen over bijvoorbeeld lopende bankrekeningen, verzekeringen en personeel beantwoordde hij. Het e- mailcontact tussen mij en mijn collega’s met de Stichting verliep via de heer [verdachte] . Daarnaast was hij begeleider voor de dagopvang.
Beide heren [familienaam] voerden als het ware het woord voor [stichting] . Zij waren vanaf moment een ons aanspreekpunt en alle correspondentie met de Stichting is via hen verlopen. [...]
(p. 5)
Vraag:
Welke concrete inlichtingen hadden moeten worden verstrekt?

Antwoord:

De inlichtingen die herhaaldelijk zijn gevraagd aan [verdachte] en [bedrijf 2] , doch niet zijn verstrekt, zijn onder andere een overzicht van cliënten, alle lopende overeenkomsten (denk aan ZZP'ers, subsidieverstrekkers etc.), een overzicht lopende verzekeringen, de huurovereenkomst, de stukken inzake lopende juridische procedures (met oude werknemers), een overzicht van oud werknemers, een overzicht goederen van derden die in de loods staan, en de laatste aangiftes van de fiscus. Het is aan de (feitelijk) bestuurder om deze inlichtingen te verstrekken. [...]

Vraag:

In de melding van mogelijke faillissementsfraude die mr. [advocaat] namens u op 2 september 2020 heeft gedaan staat onder meer:
"Daarnaast rijst het vermoeden dat voorafgaand aan en tijdens het faillissement vermoedelijke goederen om niet of beneden de waarde zijn vervreemd. […] Tijdens het faillissement zijn containers door de heer [verdachte] verkocht zonder medeweten van de curator.”
Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord:

[...] Verder zijn twee containers door de heer [verdachte] verkocht na datum faillissement. Deze containers stonden namelijk nog in het pand wat de Stichting huurde tijdens de eerste bezichtiging. Op een gegeven moment troffen wij deze containers niet meer aan in het gehuurde pand. [verdachte] gaf aan dat hij de containers had verkocht. De waarde wilde hij niet vertellen, evenals de inhoud.
De onttrekkingen hebben na de datum faillissement plaatsgevonden zonder toestemming van mij.
(p 6 en 7)
Vraag:
Wat is de hoogte van de schuld op dit moment?

Antwoord:

De totale hoogte van de schuld is op dit moment € 155.814,43.
De vijf grootste schuldeisers zijn:
- De belastingdienst voor € 54.968,-
- Het UWV voor € 40.851,58
- Het Pensioenfonds Zorg en Welzijn voor € 24.671,12
- [advocatenbureau ] voor € 12.714,93 en
- De heer [naam 2] i.z.h.v. verhuurder voor € 9.231,69.
5.
Een geschrift, te weten een aanvullende vragenlijst voor aangifte van vermoedelijke faillissementsfraude (G-001-02) voor zover inhoudende als verklaring van curator [curator] :
(p. 1)
Vraag:
Waardoor kon [stichting] haar schulden niet betalen? Heeft u hiervoor een
oorzaak gevonden?

Antwoord:

[stichting] kon haar schulden niet (meer) betalen aangezien, uit de door ons
beschikbare administratie en verklaringen van [verdachte] , blijkt dat het actief niet
toereikend was.
6.
Het proces-verbaal d.d. 9 maart 2022 (dossierpagina 97 tot en met 119), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
(p. 23)
Het faillissement [
het hof: van [stichting]] is op 10 augustus 2021 opgeheven wegens gebrek aan baten.
7.
Een geschrift, te weten een e-mailbericht van [verdachte] aan [advocaat] d.d. 25 mei 2020 (DOC-020), voor zover inhoudende:
In de maanden maart, april en mei [
het hof begrijpt: gelet op de datum van dit e-mailbericht: 2020] hebben wij geen zorg geleverd aan cliënten.
8.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 maart 2022 betreffende onderzoek naar onttrekkingen bij [stichting] door verdachte [verdachte] (AMB-004), onder meer inhoudende:
(p. 2)
Resumé
Over 2017 hebben wij geen onttrekkingen aangetroffen. Over 2018 ging het volgens
de jaarrekening om € 36.175 (€ 25.935 privé en € 10.240 voor [bedrijf 1] ). In
2019 is volgens de bankmutaties per saldo € 31.960 overgemaakt naar de
privérekening van [verdachte] . Bij [bedrijf 1] is in 2019 per saldo € 4.700
meer overgemaakt naar de Stichting dan andersom.
[…]
In het bedrag van € 31.960 over 2019 zijn ook overboekingen opgenomen, waarbij
volgens de omschrijving van de mutaties sprake was van declaraties. Aangezien de
financiële administratie maar zeer beperkt was bijgewerkt en niet de volledige
administratie aan de curator was verstrekt, kan een zakelijk karakter van de uitgaven
niet worden geverifieerd.
In de periode januari - 12 november 2019 is in totaal € 20.770,- contant van de
bankrekeningen van de Stichting opgenomen. Verdachte [verdachte] is per 12
november 2019 uitgeschreven als bestuurder. Vanwege de onvolledige financiële
administratie kan ook hier niet worden vastgesteld of en in hoeverre de opnamen
zijn gebruikt voor zakelijke doeleinden. In de boekhouding over 2018 heeft de
externe adviseur om die reden € 14.750 aan contante opnamen verwerkt als schuld:
van [verdachte] op de Stichting.
Tegenover de onttrekkingen staat een betaling van de privérekening van [verdachte]
van € 3.333 voor de huur van het bedrijfspand die rechtstreeks naar de
verhuurder is overgemaakt.
Onttrekkingen 2018
Voor het onderzoek naar de onttrekkingen in 2018 hebben wij gebruik gemaakt van
de jaarrekening van [stichting] over 2018.
Volgens de jaarrekening en de bijbehorende grootboekadministratie 2018 heeft de
Stichting in dat jaar in totaal € 36.175 geleend aan [verdachte] en zijn
eenmanszaak (€ 10.000 + € 10.240 + € 15.935). Op de grootboekrekening "1350 -
Rekening-courant” zijn € 14.750 contante opnamen geboekt en € 1.184,65
betalingen (onder andere het CJIB, brandstof en boodschappen).
Onttrekkingen 2019
Overboekingen tussen de bankrekeningen van de Stichting en [verdachte]
Wij hebben de mutaties op de ING-bankrekeningen van de Stichting in één
Excelbestand opgenomen. Vervolgens hebben wij hieruit de overboekingen van en
naar de privérekeningen van [verdachte] gefilterd. Per saldo is in 2019
€ 31.960,74 overgeschreven van de bankrekeningen van de Stichting naar de bankrekeningen van [verdachte] .
Contante opnamen
Naast deze overboekingen waren er in 2019 tot 12 november 2019 (de datum
waarop [verdachte] is uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel als
secretaris/penningmeester van de Stichting) contante opnamen van de ING-
rekeningen voor een totaalbedrag van € 20.770. Vanwege het feit dat de curator een
onvolledige administratie heeft ontvangen, is niet na te gaan of en in hoeverre deze
opnamen voor zakelijke uitgaven zijn gebruikt. In dit verband verwijzen wij naar paragraaf 3.2 waar is beschreven dat de adviseur in de administratie over 2018 contante opnamen heeft verwerkt in de rekening-courant met [verdachte] , omdat deze het zakelijk karakter niet kon aantonen.
(p. 3)
Onttrekkingen 2018
Voor het onderzoek naar de onttrekkingen in 2018 hebben wij gebruik gemaakt van
de jaarrekening van [stichting] over 2018. Volgens de jaarrekening en de
bijbehorende grootboekadministratie 2018 heeft de Stichting in dat jaar geld
geleend aan [verdachte] en zijn eenmanszaak (€ 10.000 + € 10.240).
2018
2017
Overige vorderingen
Borg
1.5
-
Lening [verdachte]
10
-
Lening [bedrijf 1]
10.24
-
Overige vorderingen
1.289
-
Totaal
23.029
-
Rekening courant [verdachte]
Stand per 1 januari
-
-
Mutaties
15.935
-
Stand per 31 december
15.935
Deze vorderingen zijn terug te vinden op de pagina’s 15 en 16 van de jaarrekening
(DOC-061)
Op de grootboekrekening “1350 Rekening-courant” zagen wij dat daarop contante
opnamen en betalingen aan onder andere het CJIB zijn geboekt. [getuige 1] ,
vennoot van [bedrijf 2] , het kantoor dat de jaarrekening
2018 had verzorgd, verklaarde hierover:
“Wij zagen uitgaven in de bankmutaties. Ik vroeg dan aan [verdachte] waar deze
overboekingen of contante opnamen op zagen. Hij bleef hier erg vaag over.
Hierdoor zijn wij het in rekening courant gaan boeken. U vraagt mij of ik aan hem duidelijk heb gemaakt dat onverklaarbare opnamen in rekening courant geboekt zouden gaan worden. Ik heb hem duidelijk gemaakt dat wij bonnen wilden zien en dat als dit niet het geval was er in rekening courant geboekt zou worden en dat er dan terugbetaald moest worden. Ik kreeg het idee dat [verdachte] dit niet wilde begrijpen. [verdachte] behandelde de-Stichting in dit opzicht als ware een eenmanszaak”(G-003-01, p. 5)
“U vraagt mij hoe het verschil is ontstaan tussen de lening en de rekening courant van [verdachte] . De bedragen waar [verdachte] niets van kon aantonen zijn ondergebracht in rekening courant. De bedragen die zijn overgeboekt naar [verdachte] of [bedrijf 1] zijn ondergebracht in een lening.”(DOC-061)
Op de grootboekrekening “1350 — Rekening-courant” zijn € 14.750 contante
opnamen geboekt en € 1.184,65 betalingen (onder andere het CJIB, brandstof en
boodschappen, DOC-60).
(p. 4)
Onttrekkingen 2019
Overboekingen tussen de bankrekeningen van de Stichting en [verdachte]
Wij hebben de mutaties op de ING-bankrekeningen van de Stichting in één
Excelbestand opgenomen. Vervolgens hebben wij hieruit de overboekingen van en
naar de privérekeningen van [verdachte] gefilterd. Per saldo is in 2019
€ 31.960,74 overgeschreven van de bankrekeningen van de Stichting naar de
bankrekeningen van [verdachte] (DOC-076: € 35.660,74 - € 3.700,-).
De overboekingen tussen genoemde ING-rekeningen van [stichting] en die
van [verdachte] hebben wij opgenomen in een overzicht dat als DOC-076 bij het
procesdossier is gevoegd. Op basis van de omschrijving van de bankmutaties
hebben wij de volgende onderverdeling gemaakt:

OmschrijvingTotaal

Naar [verdachte] “Lening” € 5.850
Naar [verdachte] “Aflossing lening [naam 3] ” € 4.500
Naar [verdachte] “ [bedrijf 3] Retail Energy” € 4.875
Naar [verdachte] “Pensionsfonds” € 3.000
(p. 5)
Naar [verdachte] “Salaris” en “Onkostenvergoeding” € 3.000
Naar [verdachte] declaraties e.d. € 7.837
Naar [verdachte] zonder omschrijving € 2.898
€ 31.960
Verder hebben wij op de privérekening van [verdachte] één zakelijke betaling voor de Stichting aangetroffen. Het betrof hier een betaling van huur van het pand van de Stichting van € 3.333, die rechtstreeks naar de verhuurder is overgemaakt. [verdachte] verklaarde hierover dat de Stichting op dat moment geen geld had om de huur te betalen.
Contante opnamen
In dit verband verwijzen wij naar paragraaf 3.2 waar is beschreven dat de adviseur in de administratie over 2018 contante opnamen heeft verwerkt in de rekening-courant met [verdachte] , omdat deze het zakelijk karakter niet kon aantonen.
Leningen [verdachte]
Op de bankrekeningen van de Stichting hebben wij overboekingen aangetroffen
met omschrijving lening, (inclusief terugstortingen/aflossingen):
van de Stichting naar [verdachte] € 7.900
van [verdachte] naar de Stichting € 2.050
saldo
€ 5.850
Deze overboekingen vonden plaats in de periode 2 januari 2019 tot en met 22 juli
2019.
(p. 6)
Aflossingen lening “ [naam 3] ”
In de bankmutaties op ING-rekening [rekeningnummer 1] van de Stichting staan zeven
overboekingen met omschrijvingen als “aflossing” en “terugbetaling lening” in
combinatie met de naam “ [naam 3] ”. Het totaalbedrag van deze overboekingen is
€ 4.500. Deze lening hebben wij niet in aangetroffen in de grootboekadministratie
van de Stichting over 2017 en in de jaarrekening over 2018.
(p. 7)
Deze overboekingen vonden plaats in de periode 20 januari 2019 tot en met 4 juli
2019.
Overboekingen “ [bedrijf 3] Retail Energ”
Op bankrekening ING-rekening [rekeningnummer 1] van [stichting] zagen wij zes
overboekingen met omschrijving “ [bedrijf 3] Retail Energ”’. Het viel ons op dat de
betreffende bedragen waren overgeboekt naar de ING-rekening [rekeningnummer 2] van [verdachte]
, en niet naar de bankrekening van [bedrijf 3] . Verder viel het ons op dat in de
omschrijving van deze mutaties op de bankrekening van de Stichting de naam van
[verdachte] niet voorkomt, in tegenstelling tot de omschrijving van de mutaties
op de bankrekening van [verdachte] .
(p. 8)
Overzicht boekingen “ [bedrijf 3] ”
Het betreft een totaal van € 4.875 in de periode van 10 januari 2019 tot en met 31
juli 2019.
Bij nader onderzoek van de mutaties op de bankrekening van [verdachte] zagen wij dat drie bedragen (grotendeels) zijn gebruikt voor betalingen aan een [type bedrijf] voor [betrokkene 1] en contante opnamen. Volgens internet is [naam 4] een [type bedrijf] in Tilburg. [betrokkene 1] is volgens de gegevens van de Belastingdienst een zoon van [verdachte] .
(p. 9)
Bij vier overboekingen vond er een contante opname plaats na de bijschrijving van de rekening van de Stichting.
Overboeking “Pensioenfonds ”
In de mutaties op ING-rekening [rekeningnummer 1] van [stichting] komt een overboeking
aan [verdachte] voor met de omschrijving “Pensionsfonds” d.d. 1 april 2019 ad
€3.000,-.
Wij zagen dat op de ING-rekening [rekeningnummer 3] van [verdachte] na bijschrijving van de
€ 3.000 eenzelfde bedrag met dezelfde valutadatum is overgeboekt naar een
bankrekening van het CJIB.
(p. 10)
Bij onderzoek op internet zagen wij dat het bankrekeningnummer
[rekeningnummer 4] een bankrekening betreft van het CJIB, bedoeld voor het
betalen van ontnemingsmaatregelen.
Salaris en onkostenvergoeding
Bij onderzoek van de mutaties op de ING-bankrekening [rekeningnummer 1] van [stichting]
zagen wij een overboeking van € 1.200 naar ING-rekening [rekeningnummer 3] van [verdachte]
met omschrijving “salaris” d.d. 26 april 2019.
[verdachte] stond volgens de gegevens van de Belastingdienst niet op de loonlijst
Van [stichting] . In de gegevensbestanden van de Belastingdienst zijn over de jaren 2018 tot en met 2020 in het geheel geen inkomsten van hem geregistreerd.
Onder de overboekingen naar [verdachte] van de rekeningen van [stichting]
bevindt zich ook een overboeking d.d. 25-09-2019 (hof: DOC-048) van € 1.800,- met de omschrijving ‘onkosten vergoeding’.
(p. 11)
Declaraties
In de overboekingen van de Stichting naar [verdachte] over 2019 zagen wij 55
mutaties met omschrijvingen als declaratie, brandstof, boodschappen en dergelijke.
Wij hebben deze overboekingen opgenomen onder de noemer “declaraties”. Het
gaat om een totaalbedrag van € 7.837 in de periode van 12 april 2019 tot en met 8
augustus 2019. Door het niet verstrekken van de boekhouding konden wij niet verifiëren of en in hoeverre sprake was van een zakelijk karakter van deze overboekingen.
Overboekingen zonder nadere omschrijving
In de bankmutaties troffen wij de volgende overboekingen aan, waar geen
omschrijving van de overboeking is opgenomen.
Van [verdachte] (tussen 24-05-2019 t/m 08-08-2019) € 1.650,-
Aan [verdachte] (tussen 12-04-2019 t/m 12-06-2019) € 4.548,20
[
Het hof begrijpt: totaal]
€ 2.898,20
(p. 12)
Contante opnamen
In paragraaf 3.2 is beschreven dat de externe adviseur contante opnamen van de bankrekeningen van de Stichting heeft geboekt als lening door [verdachte] , omdat hij het zakelijk karakter niet kon aantonen.
Volgens de mutaties op de bankrekeningen van de Stichting is in de periode |
Januari 2019 tot en met 12 november 2019 per saldo € 20.770 contant opgenomen.
Van de € 20.770 is € 20.470 opgenomen in de periode 1 januari 2019 tot 1
september 2019, en € 300 in de periode 1 september 2019 12 november 2019
(DOC 77).
9.
Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] (G-003-01) d.d. 26 januari 2022 , voor zover inhoudende:
(p. 2)
Ik ben Belastingadviseur en ik sta bij het Register Belastingadviseurs ingeschreven.
Ik werk bij [bedrijf 2] en ik ben ook vennoot.
Vraag verbalisanten:Wat kunt u verklaren over [stichting] (hierna: de Stichting)?
Antwoord gehoorde:Wij hebben de jaarrekening van 2017 en 2018 van [stichting] gemaakt. Ik heb het contact met [stichting] overgenomen van een
compagnon. Dit is rond 2018 geweest. Het contact verliep met [verdachte] . Over
de administratie had ik vooral contact met [verdachte] .
(p. 3)
De Stichting had geen kasadministratie. Wij zagen dat er opnames werden gedaan
met de bankpas. Wij moeten alles etiketteren. Ondanks dat we ernaar vroegen
ontvingen we geen bonnen van deze uitgaven. Omdat het toch geboekt moest
in rekening courant op naam van [verdachte] geboekt,
(p. 4)
Vraag verbalisanten: Wanneer ontstonden er financiële problemen bij de Stichting?
Antwoord gehoorde: Het was altijd wel een beetje zorgelijk/achter de feiten
aanlopen. [.….] Er waren vaak liquiditeitsproblemen.

Mededeling verbalisanten: Volgens informatie van de afdeling Invordering van de

Belastingdienst is vanaf tijdvak november 2018 geen/niet alle loonheffing betaald
(DOC-043). Daarnaast is de loonheffing over de periode daarvoor niet één keer op
aangifte afgedragen, maar na complexe invordering.

Vraag verbalisanten: Waarom werd loonheffing niet betaald?

Antwoord gehoorde: De loonheffing werd niet betaald door zorgelijke
liquiditeitsproblemen. [.….] Naar aanleiding daarvan ben ik een betalingsregeling
gaan treffen met de belastingdienst.

Vraag verbalisanten: Wat was de oorzaak van de financiële problemen?

Antwoord gehoorde: Er werd veel geld onttrokken door [verdachte] privé en er ging veel
geld naar [bedrijf 1] . Als ik hiernaar vroeg dan zei [verdachte] dat het bij [bedrijf 1] even niet goed ging en dat het geld terug zou komen bij [stichting] . Ik gaf dan wel aan dat hij het gescheiden moest houden, maar dat was praten tegen dovemans oren.
(p. 5)
Vraag verbalisanten: [verdachte] wordt op dit moment verhoord. Hij heeft verklaard dat u tegen hem heeft gezegd dat er voor zijn werkzaamheden bij de Stichting geld
overgeboekt mocht worden van de rekening van [stichting] naar hem in
privé. Heeft u dat daadwerkelijk gezegd?
Antwoord gehoorde: Nee, wij voeren een loonadministratie en de netto bedragen
kunnen worden overgeboekt. Maar er zijn nu bedragen overgeboekt zonder dat
duidelijk is met welke reden dit is gebeurd. Ik heb nooit gezegd dat [verdachte] onbeperkt
kan overboeken naar privé. Daarom is het ook geboekt als vordering.

Mededeling verbalisanten:

Op de balans per 31 december 2018 van [stichting] staan de volgende
vorderingen:
Lening aan [verdachte] € 10.000
Lening aan [bedrijf 1] € 10.240
Rekening-courant [verdachte] € 15.935

Vraag verbalisanten: Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde: Ik heb u al eerder verteld over de rekening courant. U vraagt
mij hoe ik wist dat deze uitgaven door [verdachte] waren gedaan. Wij zagen uitgaven in
de bankmutaties. Ik vroeg dan aan [verdachte] waar deze overboekingen of contante
opnamen op zagen. Hij bleef hier erg vaag over. Hierdoor zijn wij het in rekening
courant gaan boeken. U vraagt mij of ik aan hem duidelijk
(p. 6)
heb gemaakt dat onverklaarbare opnamen in rekening courant geboekt zouden gaan
worden. Ik heb hem duidelijk gemaakt dat wij bonnen wilden zien en dat als dit
niet het geval was er in rekening courant geboekt zou worden en dat er dan
terugbetaald moest worden. [.…..] Ik heb [verdachte] expliciet verteld dat hij niet zomaar
geld naar zichzelf mocht overboeken.
De leningen op de balans in de jaarrekening van 2018 aan [verdachte] en aan [bedrijf 1] zijn ontstaan uit meerdere overboekingen. Er ligt geen leningovereenkomst aan ten grondslag.
De bedragen waar [verdachte] niets van kon aantonen, zijn ondergebracht in rekening courant. De bedragen die zijn overgeboekt naar [verdachte] of [bedrijf 1] zijn ondergebracht in een lening.

Vraag verbalisanten:

Waarom stond [verdachte] niet op de loonlijst?

Antwoord gehoorde:

Aanvankelijk stond hij niet op de loonlijst omdat het financieel heel moeizaam ging bij de Stichting. Het was al mooi als het personeel betaald kon worden. Hij zou later op de loonlijst komen. Dit is er nooit van gekomen. Dit is meerdere keren aangekaart, maar hier werd niets mee gedaan. [verdachte] zei dan dat dat nog niet kon vanwege de financiële problemen. [verdachte] had als achtervang een salaris van [bedrijf 1] .
(p. 7)
Vraag verbalisanten: Was de Stichting zonder de onttrekkingen door [verdachte]
financieel gezond geweest en was er geen faillissement gekomen?
Antwoord gehoorde: [.….] Als er niet zo veel geld was onttrokken, hadden in ieder
geval de belastingschulden betaald kunnen worden.
10.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] (G-004-01) d.d. 27 januari 2022, voor zover inhoudende:
(p. 2)
Vraag verbalisanten: Wat kunt u vertellen over [stichting] ?
Antwoord gehoorde: [verdachte] vertelde mij dat [getuige 4] [verdachte] bij de Stichting weg wilde
hebben. [verdachte] zei tegen mij dat hij hulp nodig had en iemand zocht om bestuurder te
worden bij de [stichting] . Ik zei tegen [verdachte] dat ik niks wist van een
stichting, dat ik een baan had en kinderen had en dat ik er geen problemen mee
wilde. Ik vroeg aan [verdachte] en [medeverdachte] (het hof begrijpt: medeverdachte: [medeverdachte]
) of ik er problemen mee zou krijgen en zij zeiden van niet. Ik ben met [medeverdachte]
naar de Kamer van Koophandel geweest om mij in te schrijven als voorzitter en
[getuige 3] als penningmeester van de stichting. [.….] [verdachte] regelde alles voor de
stichting, ik moest alleen kijken wat hij deed met het geld. Als er geld betaald moest
worden dan kreeg ik de code op mijn telefoon. Ik vroeg dan aan [verdachte] waarvoor het
geld was en als ik dan bijvoorbeeld hoorde dat dit voor de huur was dan gaf ik de
code door aan [verdachte] . Wat er verder gebeurde bij de stichting weet ik niet. [verdachte]
regelde verder alles voor de Stichting, ik regelde niks.
11.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] (G-004-02) d.d. 8 februari 2022, voor zover inhoudende:
(p. 3)
Vraag verbalisanten: Wie hadden de leiding binnen [stichting] ?
Antwoord gehoorde: [verdachte] . Ik ben bestuurder geworden op zijn verzoek. Hij zei mij dat hij zich met alles bezig zou houden. Hij vertelde ook wat er betaald moest
worden.

Vraag verbalisanten: Wie was de verantwoordelijke persoon voor de financiën

binnen [stichting] ?
Antwoord gehoorde:
(p. 4)
[verdachte] deed de financiën.
Vraag verbalisanten: In hoeverre was u op de hoogte van de financiële positie van
[stichting] in de tijd dat u voorzitter was?
Antwoord gehoorde: Ik kan één ding zeggen. Er was geen geld. Men liep achter op
de huur.

Vraag verbalisanten: Waaruit bestond de administratie?

Antwoord gehoorde: Weet ik niet. Ik hield me niet bezig met de administratie. Dat
deed [verdachte] .
Vraag verbalisanten: In hoeverre was u op de hoogte van de financiële problemen?
Antwoord gehoorde: Toen ik kwam, was het al duidelijk dat er problemen waren
met de betaling van de huur en dé belastingen.
(p. 5)

Vraag verbalisanten: Hoe vaak was [verdachte] bij [stichting] ?

Antwoord gehoorde: [verdachte] was elke dag bij de Stichting. Hij had de sleutel om het
pand te openen en te sluiten.

Vraag verbalisanten: Wat deed [getuige 3] bij de Stichting?

Antwoord gehoorde: [getuige 3] en ik waren figuranten. Zij deed helemaal niks. Wij
hielpen [verdachte] .
12.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] (G-005-1) d.d. 26 januari 2022, voor zover inhoudende:
(p. 2)
Ik heb dacht ik in 2012 een relatie gekregen met [verdachte] . Wij zijn begin 2020 uit
elkaar gegaan.

Vraag verbalisanten: Wat kunt u verklaren over [stichting] ?

(p. 3)
[verdachte] gaf aan dat er een plekje vrij was als penningmeester. Ik wist niet wat de
functie van penningmeester inhield. Dit moest ik googelen. Ik ben via [verdachte]
penningsmeester geworden van de Stichting.

Vraag verbalisanten: Wat was uw ervaring met een dergelijke functie?

Antwoord gehoorde: Ik had geen ervaring met een functie als penningmeester.
Vraag verbalisanten: Had jij als penningmeester overleg met andere bestuursleden
van de stichting?
Antwoord gehoorde: Nee
(p. 4)
Vraag verbalisanten: Waaruit bestonden de inkomsten van [stichting] ?
Antwoord gehoorde: Poeh, daar vraag je me wat. Dat weet ik niet.

Vraag verbalisanten: Wat waren de grootste lasten voor [stichting] ?

Antwoord gehoorde: Dat weet ik ook niet.
Vraag verbalisanten: Heeft u als penningsmeester ooit inzage gehad in de boekhouding van [stichting] ?
Antwoord gehoorde: Nee.
Vraag verbalisanten: Hoe stond de Stichting er financieel voor toen u penningmeester werd?
Antwoord gehoorde: [.…] Ik weet het echt niet.
Vraag verbalisanten: Heeft u als penningsmeester administratie ontvangen van de Stichting toen u aantrad als penningmeester?
Antwoord gehoorde: Nee.
(p. 6)
Vraag verbalisanten: Wie behandelde de bankzaken van [stichting] ?
Antwoord gehoorde: Dat weet ik niet [.…]

Vraag verbalisanten: Welke betalingen heeft u verricht?

Antwoord gehoorde: Nee ik weet voor 99% zeker dat ik nooit betalingen heb verricht.

Vraag verbalisanten: Had u overleg met de Raad van Toezicht?

Antwoord gehoorde: Nee, ik weet niet precies wat een Raad van Toezicht inhoudt.
13.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] (G-002-01) d.d. 15 september 2021, voor zover inhoudende
(p. 3)
Vraag verbalisanten:
Wat kunt u verklaren over de vergoeding van [verdachte] voor zijn werkzaamheden voor [stichting] ?

Antwoord gehoorde:

[verdachte] was niet in loondienst. De vergoeding die hij kreeg voor zijn werkzaamheden was een lease-auto. Volgens mij was dat een Nissan Qashqai. Hij gaf aan dat hij niet in loondienst hoefde, de lease-auto was genoeg.
14.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] (G-002-02) d.d. 29 september 2021, voor zover inhoudende:
(p. 5)
[getuige 5] , voorzitter van de Raad van Toezicht, heeft in een mail van 19 september 2019 alle leden van de Raad van Bestuur en de Raad van Toezicht uitgenodigd voor een vergadering op 2 oktober 2019. Ik heb [verdachte] toen gevraagd of hij in afwachting van de vergadering voorlopig niet in het pand van de Stichting wilde komen omdat zijn aanwezigheid voor onrust bij de medewerkers en deelnemers van de Stichting zou zorgen.

Vraag verbalisanten:

Kunt u de onrust bij de medewerkers en deelnemers nader toelichten?
Antwoord gehoorde:
Ik was met het personeel van [stichting] in de financiën van de Stichting gedoken. Wij vonden stapels ongeopende enveloppen die verstopt lagen op kantoor. Na enige tijd hebben wij de financiën in kaart gekregen en het bleek dat er een totaal van ongeveer € 90.000,- aan openstaande posten stond. [stichting] heeft van daaruit een advocaat in de hand genomen om [verdachte] in ieder geval uit de Raad van Bestuur te zetten en zijn vader uit de Raad van Toezicht. Toen ben ik alle schuldeisers gaan bellen of mailen om een betalingsregeling te treffen en uitleg te geven over de situatie. Eén van de schuldeisers was de huurbaas.
(p. 6)
Vraag verbalisanten: Wanneer waren de financiële problemen bij [stichting] ontstaan?
Antwoord gehoorde: Als ik nu erop terug kijk, is dat eigenlijk al vanaf dag 1, vanaf de oprichting dus. Maar ik kwam daar pas achter in augustus 2019, na het telefoontje van de huurbaas over het uitblijven van de betaling van de huur.
(p. 8)
Vraag verbalisanten:
Waar had [verdachte] een lease-auto voor nodig?

Antwoord gehoorde:

Voor het ophalen en of brengen van deelnemers en andere werkzaamheden voor de Stichting. Het was ook netjes dat hij een beloning kreeg voor zijn werkzaamheden als penningmeester. Hij stond niet op de loonlijst. Als je werkt, mag je daar ook iets voor krijgen.
15.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte (V-001-03) d.d. 27 januari 2022, voor zover inhoudende:
(p. 4)
Vraag verbalisanten: Wie was er verantwoordelijk voor de betaling van de
loonheffing?
Antwoord gehoorde: Dat was ik. Ik deed die betalingen, als het kon.

Vraag verbalisanten: Wat bedoelt u met “Als het kon?”

Antwoord gehoorde: We hadden niet altijd genoeg geld om alle kosten te betalen.
[..] Ik betaalde dan eerst het personeel, huur. De dingen die er voor mij op dat
moment toe deden. De rest van de betalingen, zoals loonheffing en pensioen, daar
hadden wij vaak niet genoeg geld voor om die te betalen. Het was gewoon puur wat
er op dat moment betaald kon worden. Het was niet zo dat ik mezelf uitbetaalde voor mijn werkzaamheden. Ik had nog inkomsten uit mijn kinderverblijf. Personeel en vaste lasten gingen voor. [.…]
(p. 5)
Mededeling verbalisanten: Volgens informatie van de Belastingdienst is er nooit
loonheffing direct bij het doen van de aangifte afgedragen. De loonheffing tot en
met november 2018 is volgens de Belastingdienst pas met complexe invordering
geïnd. Op de balans per 31 december 2018 stond een schuld aan loonheffing en
pensioenpremies van € 29.771.

Vraag verbalisanten: Waarom is er nooit loonheffing op aangifte afgedragen?

Antwoord gehoorde: Dat klopt. Het geld was er gewoon niet. Het personeel was
gewoon te duur.
(p. 6)
Vraag verbalisanten: Wie deed de betalingen bij de Stichting?
Antwoord gehoorde:Ik deed alle betalingen, inclusief de lonen. Maar [getuige 4] had ook toegang tot de bankrekeningen. Hij had zijn eigen bankpas. Ik was uiteindelijk wel verantwoordelijk. Eigenlijk beiden, maar ik was degene die de meeste betalingen deed.
(p. 9)
Mededeling verbalisanten:
In de bankmutaties van de bankrekening van [stichting] met nummer [rekeningnummer 1] zagen wij op 1 april 2019 dat er met omschrijving "pensionsfonds" een bedrag van € 3.000 naar uw bankrekening met nummer [rekeningnummer 3] gestort wordt.

Vraag verbalisanten:

Waarom wordt dit bedrag van € 3.000 naar uw bankrekening met nummer [rekeningnummer 3] gestort met de omschrijving "pensionsfonds"?
Antwoord gehoorde:
Ik weet echt niet.

Mededeling verbalisanten:

Vervolgens wordt het bedrag van € 3.000 op dezelfde dag gestort op bankrekeningnummer [rekeningnummer 4] met omschrijving PI.

Vraag verbalisanten:

Van wie is het bankrekeningnummer [rekeningnummer 4] en waar staat de omschrijving PI voor?

Antwoord gehoorde:

Het was voor mijn halfbroertje, [betrokkene 2] . We hebben dezelfde moeder. Hij was meegenomen door de politie omdat hij nog een boete moest betalen. Ik heb het geld overgemaakt, want ze hielden hem gegijzeld tot er was betaald. Ik heb die
€ 3.000 betaald zodat hij weer vrij kwam.
16.
Een ander geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 27 mei 2020 van [advocaat] aan de verdachte (DOC-026), voor zover inhoudende:
Zoals je weet mag er momenteel niets het pand verlaten!
17.
Een ander geschrift, te weten een e-mailbericht d.d. 9 juni 2020 van [advocaat] aan de verdachte (DOC-032), voor zover inhoudende:
Ik heb moeten constateren dat er containers zijn verdwenen uit de [adres 3] . Ik vernam dat jij deze hebt verkocht. Zoals je weet is dat niet toegestaan! Ik verzoek je dan ook aan te geven aan wie de containers zijn verkocht, tegen welk bedrag en dit bedrag per ommegaande over te maken op de faillissementsrekening.
18.
Een ander geschrift, te weten een brief d.d. 5 september 2019 aan de verdachte (DOC-051), voor zover inhoudende:
Wegens financieel wanbeheer hebben wij afgesproken om u te ontheffen uit uw functies Penningmeester en Secretaris van [stichting] .
De inhoudelijke gronden voor de ontheffing van uw functies Penningmeester en Secretaris van [stichting] zijn:
Uw onvermogen om de ABN-AMRO bankpas van u en mij te overhandigen aan [stichting] die u beiden (bankpassen) in uw bezit heeft, ondanks herhaaldelijk verzoek.
19.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 27 juni 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
(p. 2)
Ik heb [stichting] samen met [getuige 4] opgericht. Ik was secretaris en penningmeester. Ik deed vooral de financiële zaken. Vanuit mijn functie had ik contact met [getuige 1] van [bedrijf 2] .
Nadat mijn eenmanszaak [bedrijf 1] failliet ging en ik ook persoonlijk failliet ben verklaard, was ik geen penningmeester meer van de Stichting. Ik ben nadien wel opnieuw betrokken geraakt bij de Stichting.
(p. 3)
Ik had een bankpas van de bankrekeningen van [stichting] en heb geld opgenomen van de rekening van de Stichting.
Ik heb niets om aan te tonen dat er een lening was tussen [bedrijf 1] en de Stichting.
Ik kan niet verklaren waarom ik de overboekingen deed naar mijn eigen bankrekeningen. Ik heb ook geld overgeboekt van de Stichting naar [bedrijf 1] . Het is juist dat de overboeking ‘pensionsfonds’ á € 3.000,- heb gebruikt voor privédoeleinden.
(p. 4)
Ik heb twee containers verkocht. Dat was voor het faillissement. De containers zijn na het faillissement opgehaald.
20.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 juli 2025, voor zover inhoudende:
Op vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt.
U houdt mij voor dat de Stichting dus eigenlijk geen andere activa bezat dan het geld dat afkomstig was van de cliënten en enkele auto’s, en dat er dus niet sprake was van – bijvoorbeeld – duur meubilair, een eigen pand, of veel geld in kas.
Ik zeg u daarop dat we dat inderdaad allemaal niet hadden. De gehele inboedel is door de curator meegenomen en die was niet van grote waarde. We hadden volgens mij in totaal nog geen € 15.000,00 euro in en om het pand.
U vraagt mij of het faillissement is beëindigd wegens een gebrek aan baten. Ik zeg u daarop dat dit klopt.
U houdt mij voor dat uit het onderzoek bleek dat er ook overboekingen zijn gedaan met de omschrijving ‘aflossingen lening [naam 3] ’. Ik weet niet meer waarom dat naar mijn privérekening is geboekt.
U houdt mij voor dat de curator allerlei inlichtingen vraagt en ik vervolgens ‘niet thuis’ geef’, en dat – wanneer er sprake is van bijvoorbeeld overeenkomsten of afspraken met subsidieverstrekkers waar je niet over beschikt – wanneer je welwillend bent jegens de curator je gewoon naar de verhuurder, gemeente, et cetera, kunt gaan om kopieën van die overeenkomsten en afspraken op te vragen. U houdt mij voor dat ik dat niet heb gedaan en vraagt mij waarom niet. Ik zeg u daarop dat ik u dat niet kan zeggen.
U houdt mij voor dat een curator snel – meestal 1 of 2 dagen – na het uitspreken van het faillissement langsgaat bij de failliet en dat dat ook bij ons zo zal zijn geweest. Ik zeg u daarop dat dit klopt.
Bewijsoverwegingen
Algemene bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Vooropstelling
Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof met de rechtbank onder meer vast dat:
  • [stichting] op 20 oktober 2017 is opgericht;
  • verdachte samen met [getuige 4] oprichter was van de Stichting;
  • verdachte vanaf die datum tot 12 november 2019 als secretaris/penningsmeester van de Stichting stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;
  • per 20 november 2019 het penningmeesterschap is overgegaan naar de toenmalige partner van verdachte, [getuige 3] , en toen ook een andere nieuwe bestuurder, [getuige 2] , is ingeschreven;
  • de Stichting door de rechtbank Breda op 21 april 2020 in staat van faillissement is verklaard;
  • in 2018 en 2019 geld is overgeboekt van de Stichting naar de privérekeningen van verdachte, naar de rekeningen van diens eenmanszaak [bedrijf 1] of naar derden ten behoeve van verdachte. Daarnaast vonden er in die periode veelvuldig contante opnamen plaats;
  • verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij de overboekingen en contante opnamen heeft verricht;
  • twee containers van de Stichting door verdachte zijn verkocht en tijdens het faillissement zijn opgehaald, zonder dat de curator daarvan op de hoogte is gebracht.
(Feitelijk) bestuurder
Verdachte was vanaf 20 oktober 2017 tot 12 november 2019 bestuurder van de Stichting in
de hoedanigheid van secretaris/penningmeester. Weliswaar zijn er op 20 november 2019
twee nieuwe bestuurders, namelijk [getuige 3] (de toenmalige vriendin van verdachte) en [getuige 2]
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, maar deze bestuurders hadden blijkens
hun verklaringen geen enkele wetenschap over en zeggenschap binnen de Stichting. Zij
waren slechts bestuurders op papier. Het was verdachte die volgens [getuige 2] vanaf zijn
aantreden daadwerkelijk de Stichting bestuurde. Evenals de rechtbank acht ook het hof deze verklaringen geloofwaardig en stelt vast dat de verdachte (feitelijk) bestuurder van de Stichting was gedurende de tenlastegelegde periode.
Feit 1 – onttrekkingen vóór faillissement (overboekingen en contante opnamen)
De verdediging heeft ten aanzien van de onttrekkingen voor de intreding van het faillissement, bepleit dat:
de verdachte niet heeft gehandeld met (voorwaardelijk) opzet op de benadeling van schuldeisers;
niet is uitgesloten dat de tenlastegelegde contante opnamen door anderen kunnen zijn gedaan;
de verdachte recht had op een salaris vanuit de stichting en – zo begrijpt het hof – daardoor naar believen onttrekkingen mocht doen ten behoeve van privé-uitgaven.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat de verdachte omtrent de (financiën van) de Stichting zelf heeft verklaard dat er niet altijd voldoende geld was om alle kosten te betalen, dat voorrang werd gegeven aan betalingen met betrekking tot het personeel en de huurpenningen, en dat er vaak niet genoeg geld was om de loonheffingen en pensioenpremies te voldoen. [7]
Ook [getuige 1] heeft verklaard dat de loonheffing niet door de Stichting werd betaald door ‘zorgelijke liquiditeitsproblemen’ en dat de oorzaak van deze financiële problemen was dat er te veel geld onttrokken werd door de verdachte in privé en er veel geld ging naar diens eenmanszaak [bedrijf 1] . In dat verband heeft [getuige 1] met de Belastingdienst een betalingsregeling getroffen maar deze werd door de verdachte gefrustreerd door zich niet aan de in dat kader gestelde voorwaarden te houden. Dat de verdachte niet op de loonlijst van de Stichting stond, kwam volgens [getuige 1] doordat het financieel moeizaam ging en het al mooi was als het personeel betaald kon worden. Op latere momenten zei de verdachte volgens [getuige 1] ook zelf dat dit nog niet kon vanwege de financiële problemen van de Stichting. [8]
[getuige 4] heeft verklaard dat de financiële problemen achteraf beschouwd eigenlijk al vanaf de oprichting van de Stichting aanwezig waren en dat er op het kantoor van de Stichting ook stapels ongeopende enveloppen verstopt bleken te liggen. Na het in kaart brengen van de financiën constateerde hij dat er voor een totaal van ongeveer € 90.000,- aan openstaande posten was. [9]
Gelet op voormelde feiten en omstandigheden – bezien ook tegen de rol van de verdachte binnen de Stichting – concludeert het hof dat de verdachte zich van meet af aan bewust was van de financieel zorgelijke situatie van de Stichting en desondanks aanzienlijke bedragen (ruim € 80.000,00) zonder zakelijke reden aan de boedel van de Stichting heeft onttrokken. Het kan dan ook niet anders dan dat de verdachte telkens heeft gehandeld wetende dat daardoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zouden worden benadeeld.
Hij heeft ten minste voorwaardelijk opzet gehad op het feit dat (mede) door die gedragingen – en gelet op de aanzienlijke schulden in 2018 en 2019 en de beperkte waarde van de activa van de Stichting – een faillissement met een tekort zou volgen (ook bezien tegen de achtergrond van de waarschuwingen door [getuige 1] ).
Resumerend verwerpt het hof dan ook het onder a) vermelde verweer van de verdediging.
Het onder b) vermelde verweer van de verdediging vindt weerlegging in de bewijsmiddelen. Zo heeft de verdachte verklaard dat hij alle betalingen deed. Later nuanceerde hij dat door te zeggen dat [getuige 4] ook toegang had tot de bankrekeningen en zijn eigen bankpas had, maar hij, verdachte, was toch degene die de meeste betalingen deed. Verder lijkt uit de ontslagbrief die de Stichting op 5 september 2019 aan de verdachte heeft gezonden, (bewijsmiddel 18) te volgen dat de verdachte inmiddels ook in het bezit was van de pas van medebestuurder [getuige 4] . Bovendien is uit de verklaringen van [getuige 1] af te leiden dat de verdachte verantwoordelijk was voor de onderhavige onttrekkingen. Er ontbreekt in het dossier ieder begin van aannemelijkheid dat daarvoor mede een ander kan worden aangewezen.
Het onder c) vermelde verweer van de verdediging vindt eveneens weerlegging in de bewijsmiddelen. De verdachte had welbewust afgezien van salaris en stond niet op de loonlijst. Bovendien is dit standpunt in strijd met de wet. Enkel verplichte, dus krachtens overeenkomst of wet uitgekeerde salarisbetalingen, rechtvaardigden uitkeringen ten laste van de Stichting ten behoeve van privé-uitgaven/levensonderhoud van de verdachte.
Feit 1 – onttrekkingen tijdens faillissement (containers)
De verdediging heeft ten aanzien van de tenlastegelegde containers bepleit dat de verdachte deze containers al voor het intreden van het faillissement had verkocht en deze tijdens het faillissement heeft geleverd omdat hij niet wist dat dit niet mocht. Bovendien zou hij er een crediteur mee betaald hebben waardoor geen sprake is van een benadeling van schuldeisers.
Het hof overweegt als volgt.
Ervan uitgaande dat de containers reeds voorafgaande aan het faillissement van de Stichting zijn verkocht door de verdachte, dan had de verdachte deze tijdens dit faillissement niet aan de koper(s) mogen leveren (artikelen 20 en 23 van de Faillissementswet). Dat de verdachte dit niet wist, acht het hof ongeloofwaardig. De verdachte was zelf in privé immers al failliet verklaard en uit dien hoofde bekend met de rechten en plichten in een faillissement. Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat de curator binnen een of twee dagen na de faillietverklaring van de Stichting op 21 april 2020 de verdachte heeft bezocht. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij een dergelijk bezoek de (ex-) (feitelijk) bestuurders van de failliete rechtspersoon worden geïnformeerd over hun rechten en plichten. Het hof acht ongeloofwaardig dat de curator dit in casu zou hebben nagelaten, te meer nu dit van groot belang is om de taken waarmee hij – in zijn hoedanigheid van curator – belast is, effectief en naar behoren te kunnen vervullen.
Dit vindt naar het oordeel van het hof steun in e-mailcorrespondentie met de verdachte. Zo is op 27 mei 2020 aan de verdachte gemaild: “Zoals je weet mag er momenteel niets het pand verlaten!’ [10] en is ook op 9 juni 2020 aan de verdachte gemaild: “Ik heb moeten constateren dat er containers zijn verdwenen uit de [adres 3] . Zoals je weet is dat niet toegestaan!”. [11]
Voorts heeft de verdachte aanvankelijk verklaard dat hij met de opbrengst van de containers een derde heeft betaald om het pand aan de [adres 4] op te ruimen [12] , terwijl hij ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard daarmee de verhuurder te hebben betaald.
Het hof merkt dienaangaande op dat de koper(s) van de containers hun vorderingen bij de curator hadden moeten indienen (artikel 26 van Faillissementswet). Het was aan de curator in het faillissement van de Stichting om de opbrengst van die containers te verdelen onder de gezamenlijke schuldeisers volgens een vaststaande rangorde. Het hof kan op grond van de wisselende verklaringen van de verdachte dienaangaande en het gebrek aan enige onderbouwing niet vaststellen waaraan de verdachte de opbrengst van de door hem verkochte containers heeft besteed. Gelet op de omvang van de schulden van de Stichting, waaronder grote schulden bij de Belastingdienst, is het echter onaannemelijk dat een van de door de verdachte gestelde crediteuren door de curator uit de opbrengst van die containers zou zijn betaald. Bij gebrek aan enige indicatie voor het tegendeel, heeft de verdachte door (de opbrengst van) de containers niet aan de curator ter beschikking te stellen, de boedel van de Stichting en daarmee de schuldeisers van de Stichting in hun verhaalsmogelijkheden benadeeld.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.
Feit 3 – schenden inlichtingenplicht
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde bepleit dat hij niet heeft geweigerd inlichtingen aan de curator te verschaffen, noch opzettelijk onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft gegeven. De verdachte wilde telkens meewerken maar werd daarbij vanaf de tweede helft van 2019 beperkt door de nasleep van zijn burn-out, zijn beperkte kennis van de financiële situatie van de Stichting na een periode van afwezigheid, en het ontbreken van stukken. Bovendien zijn bepaalde informatieverzoeken mogelijk niet aangekomen bij de verdachte omdat hij geen toegang had tot het e-mailadres van de stichting.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 106, eerste en tweede lid jo. 105, eerste lid, van de Faillissementswet de bestuurder van een gefailleerde rechtspersoon (waaronder mede begrepen een feitelijk bestuurder daarvan) wettelijk verplicht is om de curator alle inlichtingen te verschaffen als dit van hem wordt verlangd en op de wijze als daarbij is bepaald. Diezelfde plicht rust op eenieder die in de drie jaar voorafgaande aan het faillissement bestuurder was. Dit betekent dat op de verdachte deze wettelijke plicht rustte, zowel omdat hij formeel bestuurder was in de periode van de drie jaar voorafgaande aan het faillissement, namelijk tot 12 november 2019, als omdat hij nadien functioneerde als feitelijk bestuurder van de Stichting.
Dat sprake zou zijn van een burn-out vanaf de tweede helft van 2019 acht het hof ongeloofwaardig. De verdachte heeft vanaf de tweede helft van 2019 immers nog katvangers aangesteld als formeel bestuurders ( [getuige 2] en [getuige 3] ) en zelf als feitelijk bestuurder opgetreden. Ook [getuige 4] heeft in die tijd veel contact gehad met de verdachte en spreekt niet over een burn-out bij de verdachte. Bovendien heeft een aantal onttrekkingen ook in die periode plaatsgevonden. Deze stelling is ook op geen enkele wijze onderbouwd met stukken en ook niet kenbaar voor de curator, terwijl dat in een dergelijk geval in de rede zou hebben gelegen.
Ook de blote stelling dat bepaalde informatieverzoeken mogelijk niet zijn aangekomen omdat hij geen toegang tot het mailadres van de stichting had acht het hof ongeloofwaardig. Dit in de eerste plaats vanwege de e-mailcorrespondentie in het dossier tussen de verdachte en (het kantoor van) de curator, waaruit blijkt dat de verdachte ook mailde met zijn e-mailadres van de Stichting, en in de tweede plaats omdat hij ook daarvan destijds geen melding heeft gemaakt.
Het verweer van de verdediging vindt voor het overige weerlegging in de bewijsmiddelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, enig goed aan de boedel heeft onttrokken, meermalen gepleegd

en

als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, tijdens het faillissement enig goed aan de boedel onttrekken.
Het onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
als degene die in het faillissement van een ander wettelijk verplicht is tot het geven van inlichtingen, weigeren de vereiste inlichtingen te geven, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De verdediging heeft bepleit dat het hof aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf zal opleggen. Daartoe is – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. De verdachte heeft al veel last gehad van een privé-faillissement dat ruim drie jaar heeft geduurd. Ook heeft hij vanaf het begin verantwoordelijkheid genomen voor de gevolgen van zijn handelen en oprecht berouw getoond. Er is sprake van oude feiten en een lange duur van de procedure. Ten slotte heeft de verdachte kinderen en zal hij in de nabije toekomst starten als begeleider bij een zorginstelling. Een (deels) onvoorwaardelijke straf zou disproportioneel zijn en de balans in het leven van de verdachte bedreigen, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straffen gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – het benadelen van schuldeisers door het doen van onttrekkingen voor en tijdens faillissement (
feit 1) en het schenden van zijn inlichtingenplicht door te weigeren inlichtingen aan de curator te verstrekken (
feit 3).
Dergelijke feiten acht het hof zeer kwalijk. De verdachte heeft op een onverantwoordelijke wijze leiding gegeven aan een Stichting die zich inzette voor kwetsbare mensen. Hij heeft voor een groot bedrag gelden uit die Stichting getrokken als behoorden deze aan hemzelf toe, en tal van waarschuwingen van de boekhouder dienaangaande in de wind geslagen. Daarmee heeft hij de belangen van de schuldeisers van de Stichting, waaronder het personeel, en van de cliënten van de Stichting met voeten getreden en zijn eigen financiële belang voorop gesteld. Vervolgens heeft de verdachte de curator niet de gevraagde, en voor een adequate afwikkeling van het faillissement vereiste inlichtingen gegeven. Hierdoor werd de curator sterk gehinderd in zijn taak de belangen van de schuldeisers te behartigen.
Het totale tekort in het faillissement kan niet zonder meer aan de verdachte worden toegerekend. Daarom zal het hof – bij gebreke van een deugdelijke en volledige administratie – uitgaan van een benadelingsbedrag gelijk aan de vastgestelde onttrekkingen door de verdachte, te weten een bedrag van ruim € 80.000,00.
Het hof stelt vast dat om überhaupt tot dat bedrag te kunnen komen een opsporingsonderzoek door de FIOD noodzakelijk is geweest, waardoor – bijvoorbeeld door het opvragen van bankafschriften – verschillende onttrekkingen konden worden gereconstrueerd. De curator zelf kon niets, nu er geen fatsoenlijke administratie door de verdachte was bijgehouden.
De verdachte vergoelijkt dit ter terechtzitting in hoger beroep door aan te voeren dat de verdachte twee jaar lang in paniek was en last had van een burn-out in de tweede helft van 2019. Dit is door het hof hiervoor reeds als ongeloofwaardig terzijde geschoven. De verdachte heeft zonder zakelijke verantwoording ten behoeve van zijn eenmanszaak en zichzelf in privé gelden aan de Stichting onttrokken, aldus aankoersend op een onvermijdelijk faillissement en vervolgens ook in faillissement nog twee containers aan de boedel onttrokken.
Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 april 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte voor zover daarvan ter terechtzitting gebleken.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.
Dat de verdachte binnenkort aan de slag zou gaan als begeleider brengt het hof niet tot een ander oordeel, mede gelet op de ernst van de feiten en de lange duur waarover hij de bewezenverklaarde feiten heeft begaan ondanks de vele waarschuwingen van zijn boekhouder. De verdachte heeft de Stichting ten koste van de vele schuldeisers en de kwetsbare cliënten in volle bewustzijn als een soort van melkkoe gebruikt, privé en voor zijn eenmanszaak [bedrijf 1] . De verdachte heeft daarvoor geen verantwoordelijkheid genomen. Ter terechtzitting heeft hij verklaard de schuldeisers alsnog schadeloos te willen stellen.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, in verband met een juiste normhandhaving en vanuit het perspectief van vergelding en speciale preventie, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
In eerste aanleg is geen sprake geweest van overschrijding van de redelijke termijn, nu de verdachte eerst op 26 januari 2022 in verzekering is gesteld en het vonnis is gewezen op 11 juli 2023. Nu van de zijde van de verdachte hoger beroep is ingesteld op 20 juli 2023 en het hof bij arrest van heden, 28 juli 2025, arrest zal wijzen, is daarmee de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met een week. Het hof zal volstaan met de enkele constatering dat van een overschrijding sprake is.
Beroepsverbod en publicatie arrest
De verdachte heeft op een onverantwoordelijke wijze een Stichting ten behoeve van kwetsbare mensen geëxploiteerd. De verdachte lijkt zich geen rekenschap te geven van de schade die hij daarmee heeft aangericht. Ondanks het faillissement van zijn eenmanszaak [bedrijf 1] , zijn persoonlijke faillissement en het faillissement van [stichting] heeft de verdachte aanvankelijk tegenover de curator het voornemen geuit een doorstart te willen maken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte desgevraagd verklaard ‘voorlopig’ niet meer te willen ondernemen. Het hof ziet in dit alles aanleiding om als bijkomende straf de verdachte voor een periode van drie jaren te ontzetten van het recht het beroep van bestuurder van rechtspersonen uit te oefenen. Dit om de verdachte die in zijn beroep als bestuurder het voor een gezond economisch klimaat noodzakelijk vertrouwen ernstig heeft beschaamd, uit het handelsverkeer te weren teneinde herhaling te voorkomen. Teneinde de controle op dit beroepsverbod te kunnen uitoefenen, zal het hof de openbaarmaking daarvan in de registers van de Kamer van Koophandel gelasten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 28, 31, 36, 57, 63, 194, 343 en 349 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van
3 (drie)jaren;
gelast dat deze uitspraak openbaar wordt gemaakt in de registers van de Kamer van Koophandel en schat de kosten daarvan op € 0,00 (nihil).
Aldus gewezen door:
mr. C.M. Hilverda, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 28 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Hilverda en mr. Lonterman zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] (V-001-04), dossierpagina 67 en 68.
2.G-002-03, dossierpagina 261.
3.G-003-01, dossierpagina 271.
4.G-001-01, dossierpagina 192.
5.G-001-02, dossierpagina 232.
6.Voor zover niet anders is aangegeven, maken de hierna te noemen bewijsmiddelen met verwijzing naar paginanummers deel uit van het dossier van de FIOD, kantoor Breda, met dossiernummer 69070/6069070 (onderzoek Lewisville), gesloten op 9 maart 2022, aantal doorgenummerde bladzijden: 1 tot en met 611, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De inhoud van de bewijsmiddelen is, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
7.V-001-03.
8.G-003-01.
9.G-002-02.
10.DOC-026.
11.DOC-032.
12.DOC-033.