De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank die het gezamenlijk gezag beëindigde en het contact tussen vader en kinderen ontzegde. De vader was tweemaal strafrechtelijk veroordeeld voor agressie en bedreiging jegens de moeder. De kinderen verblijven bij de moeder en ontvangen hulp vanwege de stressvolle thuissituatie.
De vader betwistte de feiten en de gevolgen voor het gezag, maar erkende wel de opgelegde straf. De moeder stelde dat de vader geen zelfinzicht toont en dat het contactverbod noodzakelijk is voor de veiligheid van haar en de kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde voortzetting van het eenhoofdig gezag bij de moeder en het contactverbod.
Het hof oordeelde dat het gezamenlijk gezag praktisch onmogelijk is vanwege het contactverbod tussen ouders en dat de veiligheid van moeder en kinderen voorop staat. Het hof benadrukte het belang van het Verdrag van Istanbul en concludeerde dat het contact met de vader op dit moment in strijd is met de belangen van de kinderen. Een nieuw onderzoek achtte het hof niet zinvol zolang de vader geen openheid geeft over zijn gedrag en behandeling.
De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd, waarmee het eenhoofdig gezag bij de moeder blijft en het contactverbod voor de vader gehandhaafd wordt.