ECLI:NL:GHSHE:2025:231

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 januari 2025
Publicatiedatum
30 januari 2025
Zaaknummer
200.342.747_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling omgangsregeling na onderlinge overeenstemming tussen ouders

In deze zaak stond de omgangsregeling voor een minderjarige centraal, waarbij de moeder in hoger beroep ging tegen de beschikking van de rechtbank Limburg. De rechtbank had een gefaseerde omgangsregeling vastgesteld waarbij de vader de minderjarige geleidelijk meer omgang zou krijgen, beginnend met begeleide bezoeken op neutraal terrein.

De moeder verzocht om aanpassing van het eindtijdstip en de wijze van omgang, terwijl de vader in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep primair het bestreden vonnis wilde handhaven en subsidiair een alternatieve regeling voorstelde. Tijdens de mondelinge behandeling is het hof geschorst om partijen de gelegenheid te geven tot onderling overleg te komen.

Partijen bereikten overeenstemming over de omgangsregeling, waarbij de omgang gefaseerd wordt opgebouwd met duidelijke tijdstippen en locaties, inclusief het ophalen en terugbrengen van de minderjarige door de vader en de moeder. Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en stelde de nieuwe regeling vast, die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en stelt een nieuwe omgangsregeling vast overeenkomstig de tussen partijen bereikte overeenstemming.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 30 januari 2025
Zaaknummer : 200.342.747/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/03 260803 / FA RK 19-599
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats ] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. P.M.F.M. Maas,
tegen
[de vader],
wonende te [woonplaats ] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. W.G. ten Brummelhuis.
Deze zaak gaat over:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in principaal en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 juni 2024, heeft de moeder – na verduidelijking tijdens de mondelinge behandeling – verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor wat betreft het eindtijdstip vanaf het moment dat [minderjarige] een weekend per twee weken in de even weekenden van zaterdag tot zondag bij de vader verblijft en opnieuw rechtdoende te bepalen dat [minderjarige] als volgt bij de vader verblijft:
- de eerste vier maanden één keer per veertien dagen op zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur op neutraal terrein (bijvoorbeeld een indoor speeltuin) in het bijzijn van de moeder;
- de daaropvolgende zes maanden één keer per veertien dagen op zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] thuis ophaalt en terugbrengt;
- vervolgens een weekend per twee weken in de even weekenden van zaterdag 12.00 uur tot zondag 15.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] op zaterdag ophaalt bij de moeder en de moeder [minderjarige] op zondag ophaalt bij de vader;
- een opbouw van de vakantieverdeling vanaf het moment dat [minderjarige] bij de vader blijft overnachten, gefaseerd toewerkend naar de helft van de vakanties en feestdagen.
2.2.
Bij verweerschrift tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep met productie, ingekomen ter griffie op 2 augustus 2024, heeft de vader – na verduidelijking tijdens de mondelinge behandeling – verzocht:
- primair: de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans en in elk geval haar verzoek af te wijzen alsmede de bestreden beschikking te bevestigen;
- subsidiair: de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans en in elk geval haar verzoek af te wijzen met het verzoek om, indien het hof het door de moeder aangewezen eindtijdstip wijzigt, opnieuw rechtdoende te bepalen dat [minderjarige] met ingang van 6 april 2024 als volgt bij de vader verblijft:
  • de eerste vier maanden één keer per veertien dagen op zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur op neutraal terrein (bijvoorbeeld een indoor speeltuin) in het bijzijn van de moeder;
  • de daaropvolgende zes maanden één keer per veertien dagen op zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur waarbij de vader [minderjarige] thuis ophaalt en terugbrengt;
  • vervolgens een weekend per twee weken in de even weekenden van zaterdag 12.00 uur tot zondag 17.00 uur, met dien verstande dat [minderjarige] elk eerste omgangsweekend van de maand en in de omgangsweekenden dat hij geen volleybal heeft van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader [minderjarige] op zaterdag/vrijdag ophaalt bij de moeder en de moeder [minderjarige] op zondag ophaalt bij de vader;
  • een opbouw van de vakantieverdeling vanaf het moment dat [minderjarige] bij de vader blijft overnachten, gefaseerd toewerkend naar de helft van de vakanties en feestdagen.
- dan wel verzoekt de man het hof opnieuw recht te doen als het hof in goede justitie zal behagen, zulks met kosten rechtens.
Kosten rechtens.
2.3.
Bij verweerschrift in voorwaardelijk incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 10 september 2024, heeft de moeder verzocht de subsidiaire verzoeken van de vader af te wijzen.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 december 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Maas;
  • de vader, bijgestaan door mr. Ten Brummelhuis;
  • de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 28 februari 2024.

3.De feiten in principaal en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep

3.1.
Partijen hebben tot oktober 2017 een affectieve relatie met elkaar gehad. Tijdens de relatie van partijen is [minderjarige] geboren.
3.2.
De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] verblijft bij de moeder.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige] met ingang van 6 april 2024 als volgt bij de vader verblijft:
  • de eerste vier maanden één keer per veertien dagen op zaterdag 12.00 uur tot 17.00 uur op neutraal terrein (bijvoorbeeld een indoor speeltuin) in het bijzijn van de moeder;
  • de daaropvolgende zes maanden één keer per veertien dagen op zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur waarbij de vader [minderjarige] thuis ophaalt en terugbrengt;
  • vervolgens een weekend per twee weken in de even weekenden van zaterdag 12.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] op zaterdag ophaalt bij de moeder en de moeder [minderjarige] op zondag ophaalt bij de vader;
  • een opbouw van de vakantieverdeling vanaf het moment dat [minderjarige] bij de vader blijft overnachten, gefaseerd toewerkend naar de helft van de vakanties en feestdagen.
4.2.
De moeder kan zich niet met de beslissing verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. De vader kan zich – indien het hof het verzoek van de moeder in hoger beroep toewijst – niet met de beslissing verenigen en hij is in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep gekomen.

5.De beoordeling in principaal en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep

5.1.
Nadat met partijen gesproken is over de punten die hen verdeeld houdt heeft het hof de mondelinge behandeling in hoger beroep enige tijd geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg tot overeenstemming te komen. Partijen hebben overeenstemming bereikt en het hof verzocht om deze vast te leggen in de beschikking. Partijen handhaven hun grieven niet langer en hebben hun verzoeken gewijzigd overeenkomstig de overeenstemming. Het hof zal de onderstaande regeling opnemen.
5.2.
Partijen zijn overeengekomen dat vanaf het moment dat [minderjarige] een weekend per twee weken in de even weekenden van zaterdag tot zondag naar de vader gaat, deze regeling er als volgt uit ziet: [minderjarige] verblijft bij de vader een weekend per twee weken van zaterdag 10.30 uur tot zondag 16.30 uur, waarbij de vader [minderjarige] op zaterdag ophaalt bij de moeder en met [minderjarige] naar zijn sportles gaat, en de moeder [minderjarige] op zondag ophaalt bij de vader.
5.3.
De ouders hebben afgesproken dat vanaf zaterdag 21 december 2024 zal worden gestart met het tweede gedeelte van de opbouwregeling (zes maanden omgang één keer per veertien dagen op zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] thuis ophaalt en terugbrengt). Vanaf zaterdag 21 juni 2025 zal worden gestart met het derde gedeelte van de opbouwregeling, overeenkomstig voornoemde overeenstemming.
5.4.
Omwille van de duidelijkheid en leesbaarheid zal het hof de bestreden beschikking geheel vernietigen en overeenkomstig de bereikte overeenstemming beslissen. Omdat de uitspraakdatum is gelegen na 21 december 2024 zal het hof de tussen partijen gemaakte afspraken vanaf die datum in de beslissing opnemen.

6.De beslissing

in het principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 maart 2024;
en opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat [minderjarige] als volgt bij de vader verblijft:
  • vanaf 21 december 2024 gedurende zes maanden één keer per 14 dagen op zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur waarbij de vader [minderjarige] thuis ophaalt en terugbrengt;
  • vervolgens vanaf 21 juni 2025 een weekend per twee weken in de even weken van zaterdag 10.30 uur tot zondag 16.30 uur, waarbij de vader [minderjarige] op zaterdag ophaalt bij de moeder en met [minderjarige] naar zijn sportles gaat, en de moeder [minderjarige] op zondag ophaalt bij de vader;
  • een opbouw van de vakantieverdeling vanaf het moment dat [minderjarige] bij de vader blijft overnachten, gefaseerd toewerkend naar de helft van de vakanties en feestdagen.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, J.C.E. Ackermans-Wijn en K.A. Boshouwers en is op 30 januari 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.