In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor diefstal door twee of meer verenigde personen, gepleegd op of omstreeks 11 november 2024 in ’s-Hertogenbosch en Son en Breugel. De politierechter veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van drie weken met aftrek van voorarrest en beval de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van drie maanden.
De verdachte stelde hoger beroep in tegen het vonnis, waarbij hij onder meer verzocht om de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer te leggen maar de proeftijd te verlengen of de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het was gericht tegen de vrijspraak van diefstal in ’s-Hertogenbosch, omdat hoger beroep tegen die beslissing niet openstaat volgens artikel 404, vijfde lid, Sv.
Het hof bevestigde het vonnis voor zover het aan zijn oordeel was onderworpen en verwierp het verzoek om de straf om te zetten of de proeftijd te verlengen. De raadsman had aangevoerd dat de gevangenisstraf van drie maanden zou leiden tot verlies van baan, inkomen en woning, maar het hof vond dit onvoldoende onderbouwd. Het arrest werd uitgesproken op 3 september 2025 door de meervoudige kamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.