ECLI:NL:GHSHE:2025:2558

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 september 2025
Publicatiedatum
22 september 2025
Zaaknummer
20-003475-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 onder C OpiumwetArt. 26 lid 1 Wet wapens en munitieArt. 404 lid 5 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling medeplegen drugshandel en wapenbezit op woonboot

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, waarin verdachte was veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en het bezit van een vuurwapen.

Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen een partiële vrijspraak betreffende kleinere hoeveelheden cocaïne, omdat deze vrijspraak beschermd is en niet bestreden kan worden. Het hof vulde de bewijsvoering aan met DNA-sporen op drugsverpakkingen en het vuurwapen, en verklaarde enkele proces-verbalen niet-bruikbaar.

Op basis van verklaringen van medeverdachten en de aangetroffen drugs en wapens in kamers van de woonboot, concludeerde het hof dat verdachte samen met anderen leiding gaf aan de drugshandel en beschikkingsmacht had over de middelen. Het hof verwierp het verweer dat verdachte geen wetenschap of macht had over de drugs en wapens.

De kwalificatie van het bewezenverklaarde werd verbeterd, en het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, met inachtneming van de aanvullingen en verbeteringen. De opgelegde straf blijft 42 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van drugshandel en wapenbezit, met bevestiging van het vonnis door het hof.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003475-23
Uitspraak : 16 september 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 december 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-180143-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1996,
thans verblijvende in [PI] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen geplaagd’ (het onder 1 tenlastegelegde) en ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III’ (het onder 2 tenlastegelegde) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft de teruggave gelast aan de verdachte van het inbeslaggenomen geldbedrag, te weten € 1.830,00.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Met betrekking tot de op te leggen straf heeft de verdediging het hof verzocht te volstaan met de in het vonnis opgelegde gevangenisstraf. Ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag heeft de verdediging geen standpunt ingenomen.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Onder 1 is aan de verdachte onder andere tenlastegelegd het opzettelijk aanwezig hebben van 6,32 en 18,62 gram cocaïne op of omstreeks 22 november 2022. De rechtbank heeft de verdachte hiervan vrijgesproken.
Het hof is van oordeel dat de hiervoor genoemde partiële vrijspraak onder feit 1 als een beschermde vrijspraak dient te worden beschouwd. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze vrijspraak geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de hierboven genoemde in het vonnis waarvan beroep gegeven (partiële) vrijspraak.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust (met dien verstande dat de gebezigde bewijsmiddelen worden aangevuld, een deel van de bewijsmiddelen wordt geschrapt en de bewijsoverweging wordt vervangen) en met verbeterde lezing van de kwalificatie van het bewezenverklaarde onder 1.
Aanvulling en schrapping van de bewijsmiddelen
Het hof is van oordeel dat de gebezigde bewijsmiddelen aanvulling behoeven
en het hof voegt, na hetgeen op pagina 5 van het vonnis is opgenomen, het navolgende toe:
De in kamer 7 aangetroffen 18 zakken met bruin poeder zijn inbeslaggenomen, veiliggesteld en bemonsterd. In alle zaken zat een lichtbruin gekleurde substantie. De zakken zijn willekeurig genummerd en op het gebied van de knoop van zak 1 en zak 2 is DNA van de verdachte aangetroffen. [1]
Daarnaast voegt het hof op pagina 4 van het vonnis het navolgende bewijsmiddel toe:
In ruimte 6 werden de volgende verdachten aangehouden:
[medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag 2] 1999 te [geboorteplaats 2] en [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag 3] 1992 te [geboorteplaats 3] in Frankrijk. [2]
Tevens is het hof van oordeel dat de gebezigde bewijsmiddelen aanvulling behoeven met de navolgende verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] :
Alleen ik en [verdachte] hebben een sleutel van die boot (
het hof begrijpt: gelegen aan [adres] ). Ik heb een kopie van de sleutel gemaakt zodat [verdachte] naar binnen kon komen. De slaapkamers hadden sleutels. (..) zijn kamer had een ouderwetse sleutel. [3]
Daarnaast is het hof van oordeel dat de bewijsmiddelen inhoudende het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 november 2022 (pagina’s 67-71), de kennisgeving van inbeslagneming (pagina’s 276-278) de kennisgeving van inbeslagneming (pagina’s 244-246), het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 december 2022 (pagina’s 280-311), opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 december 2022 (pagina’s 249-273), opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , opgenomen op pagina’s 6 en 7 van het vonnis, niet tot het bewijs dienen te worden gebezigd en derhalve schrapt het hof deze processen-verbaal en kennisgevingen uit de bewijsvoering.
Bewijsoverwegingen
Het hof vervangt de bewijsoverwegingen van de rechtbank (pagina’s 7 en 8 van het vonnis) met de navolgende bewijsoverwegingen.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Hiertoe heeft de raadsvrouw van de verdachte – kort weergegeven – aangevoerd dat hoewel de verdachte ooit enkele verpakkingsmaterialen van drugs en een vuurwapen – die op 22 november 2022 op de woonboot zijn aangetroffen – in zijn handen heeft gehad, daarmee niet kan worden bewezen dat de verdachte deze voorwerpen op of omstreeks 22 november 2022 aanwezig heeft gehad. Uit het dossier volgt niet dat de verdachte na 4 oktober 2022 nog op de woonboot is geweest, aldus de verdediging. Uit het dossier volgt derhalve niet dat de verdachte de wetenschap en de beschikkingsmacht had over de drugs en het vuurwapen. Tot slot heeft de raadsvrouw van de verdachte bepleit dat niet kan worden bewezen dat er sprake is van medeplegen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Voor zover de verdediging heeft betoogd dat de rechtbank de verdachte partieel heeft vrijgesproken van het tenlastegelegde
op22 november 2022, is het hof van oordeel dat dit feitelijke grondslag mist, nu bewezen is verklaard dat de verdachte het tenlastegelegde onder 1 en 2 heeft gepleegd
op22 november 2022.
Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast. Vanuit de woonboot op [adres] worden drugs verhandeld, te weten heroïne en cocaïne. De verdachte – ook bekend als ‘ [verdachte] ’ en ‘ [verdachte] / [verdachte] ’ – heeft hierbij samen met ‘ [naam] ’ een leidinggevende rol. Hij stuurt dealer [medeverdachte 4] aan en geeft door op welke adressen er ‘koffie’ (heroïne) en ‘melk’ (cocaïne) moeten worden geleverd. Volgens medeverdachte [medeverdachte 3] woont de verdachte sinds april 2022 op deze woonboot, samen met [medeverdachte 3] en hebben alleen zij een sleutel van deze woonboot. Uit de verklaring van [medeverdachte 3] volgt dat de tweedelige kamer, welke is gelegen vanuit de voordeur gezien uiterst links (naar het hof begrijpt: kamers 6 en 7, welke via een open doorgang met elkaar verbonden zijn) in gebruik is bij de verdachte. In die kamers 6 en 7 zijn op 22 november 2022 ongeveer 17 kilo heroïne en 1 kilo cocaïne, alsmede een vuurwapen aangetroffen. Op zowel het gebied van de knoop van één van de zakken bestemd voor het verpakken van de harddrugs, als op andere zakken met daarin verdovende middelen en op het vuurwapen wordt DNA-materiaal van de verdachte aangetroffen. In kamer 6 zijn tenslotte twee medeverdachten aangetroffen.
Op basis van bovengenoemde feiten en omstandigheden acht het hof wettig en
overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen op 22 november 2022 heroïne en cocaïne (aangetroffen in kamers 6 en 7) aanwezig heeft
gehad en dat hij op die dag een vuurwapen voorhanden heeft gehad.
Het verweer van de verdediging dat de verdachte geen beschikkingsmacht en wetenschap had over de aangetroffen drugs en het vuurwapen, omdat uit het dossier niet volgt dat hij na 4 oktober 2022 nog op de woonboot is geweest, verwerpt het hof. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in het bijzonder gelet op de verklaring van [medeverdachte 3] dat hij daar samen met de verdachte woonde en de verdachte ook over een sleutel beschikte en gelet op de omstandigheid dat op verpakkingsmaterialen met daarin verdovende middelen en op het vuurwapen DNA van de verdachte is aangetroffen, is het hof van oordeel dat de verdachte wel degelijk de beschikkingsmacht had over de drugs en het vuurwapen. Dat de verdachte heeft verklaard dat hij regelmatig ergens anders verbleef en dat hij op 22 november 2022 niet ter plaatse was, maakt dit niet anders. Het hof is van oordeel dat gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, het niet anders kan zijn dan dat de verdachte ook wetenschap had van de verdovende middelen en het vuurwapen op de woonboot op 22 november 2022. Gegeven de omstandigheid dat medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in ruimte 6 zijn aangetroffen tijdens de doorzoeking op 22 november 2022 acht het hof ook het medeplegen bewezen.
De stelling van de verdachte dat hij nimmer verpakkingsmateriaal met daarin verdovende middelen heeft vastgehad vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.
Het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt derhalve in al zijn onderdelen verworpen.
Resumerend acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde onder 1 en 2 heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Verbeterde lezing kwalificatie van het bewezenverklaarde onder 1
Het hof zal de kwalificatie van het onder 1 bewezenverklaarde verbeterd lezen in die zin dat de kwalificatie als volgt komt te luiden:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Het hof is van oordeel dat in het vonnis abusievelijk het woord ‘
geplaagd’in plaats van
‘gepleegd’is opgenomen. De verdachte is door deze verbetering niet in zijn verdediging geschaad.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beschermde vrijspraak ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde met betrekking tot de hoeveelheden 6,32 en 18,62 gram cocaïne.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. S.V. Pelsser, voorzitter,
mr. M.C.C. van de Schepop en mr. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,
en op 16 september 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 november 2022, p. 67-71, de kennisgeving van inbeslagneming p. 325-327, proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 2 december 2022, p. 463-481, proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 2 december 2022, p. 402-413, het TMFI-rapport d.d. 2 december 2022, p. 510-520, proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juli 2023.
2.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 december 2022, p. 59.
3.Het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 3] , afgelegd bij het kabinet raadsheer-commissaris van dit hof d.d. 28 oktober 2024.