De verdachte heeft tot tweemaal toe, laatstelijk op 25 juli 2025, zijn medewerking aan een trajectconsult geweigerd. Zo kon niet door de districtspsychiater worden onderzocht of een pro justitia onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte geïndiceerd is en, zo ja, welke variant. Daarnaast is zijn medewerking aan de totstandkoming van een zijdens de verdediging verzocht reclasseringsadvies gestagneerd. Nadat de verdachte aanvankelijk een meewerkende houding aannam en met de reclassering in gesprek ging over zijn levensloop, weigerde hij vervolggesprekken over zijn religieuze vorming en opvattingen. Hoewel de reclassering blijkens haar rapport van 18 september 2025 geen risicoprofiel heeft kunnen opstellen, noch een inschatting heeft kunnen maken van het recidiverisico op gewelddadig extremisme luidde haar professionele inschatting in haar advies van 13 mei 2024 nog dat het gevaar op herhaling hoog is. Toen overwoog de reclassering omtrent de verdachte het volgende:
‘Het dossier en de gedragingen van betrokkene binnen de PI laten een zorgelijk beeld zien. Daarnaast gaat betrokkene het gesprek/contact met de bij hem betrokken partijen vanuit de PI uit de weg. In het dossier is te lezen dat betrokkene berekenend en planmatig te werk is gegaan in de voorbereidingen van zijn uitreispoging. Tevens is te lezen dat dit vermoedelijk een tweede uitreispoging betreft.
Uit het proces-verbaal maken wij op dat betrokkene contact onderhield met een persoon die vermoedelijk in het strijdgebied aanwezig is en betrokkene aanwijzingen gaf hoe hij het beste heimelijk af kon reizen met als doel zich aan te sluiten bij de in het strijdgebied verblijvende broeders.
Deze tweede uitreispoging is na een ambtsbericht van de AIVD door het ingrijpen van het OM en de politie tegengehouden. Sindsdien verblijft betrokkene in detentie.
Gezien zijn niet-meewerkende houding en de summiere informatie in het proces-verbaal is het voor de reclassering niet mogelijk een complete analyse van het recidiverisico en het risico op gewelddadig extremisme op te maken. De reclassering concludeert op basis van de gedragingen van betrokkene binnen de PI en het proces-verbaal dat de kans op recidive (dat betrokkene opnieuw zal pogen zich bij een terroristische organisatie aan te sluiten) hoog is. De reclassering heeft geen beschermende factoren in kaart kunnen brengen. Er is bij betrokkene op dit moment geen sprake van enige responsiviteit voor interventies die eraan kunnen bijdragen het recidiverisico te verlagen. Betrokkene heeft daarnaast niet meegewerkt aan het trajectconsult van het NIFP waardoor er geen beeld is van zijn psychosociaal functioneren. Zijn houding en gedragingen vragen hier echter wel om.
Gezien de (proces)houding van betrokkene kan de reclassering niet anders dan concluderen dat het uitvoering geven aan eventuele bijzondere voorwaarden gekoppeld aan een deels voorwaardelijke straf niet mogelijk is. De reclassering ziet hieruit voortvloeiend de noodzaak tot het adviseren van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM).
De problematiek van betrokkene, zoals zichtbaar op basis van het proces-verbaal en zijn gedragingen, brengt (zoals eerder benoemd) het risico met zich mee dat hij zich opnieuw zou willen aansluiten bij een terroristische organisatie en deze zullen naar onze verwachting nog steeds aanwezig zijn na detentie. De GVM biedt mogelijkheden om na de detentie te onderzoeken of betrokkene dan wel ontvankelijk is voor toezicht of behandeling waarbij op dat moment ook onderzocht kan worden welke interventies of voorwaarden in het kader van risicobeheersing passend zijn.’
Ruim een jaar later rapporteert de reclassering dat de verdachte van een reguliere
afdeling is overgeplaatst naar het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (hierna: PPC), omdat aan zijn zorgvraag niet meer op een reguliere afdeling kan worden voldaan. Er bestaan zorgen over zijn mentale gezondheid en er zijn vermoedens van aanwezigheid van psychopathologie. Bij het PPC kan hij beter worden geobserveerd ten aanzien van een eventueel psychiatrisch ziektebeeld, nu sprake zou zijn van dwangmatige handelingen, vreemd gedrag, zich niet laten aansturen en ondermaatse persoonlijke en cel-hygiëne. De verdachte zou zich afzijdig houden en alleen (functioneel) in contact staan, niet aan de arbeid deelnemen en geen gebruik maken van de sportactiviteit.
Beschermende factoren in relatie tot recidive en veiligheid kan de reclassering niet benoemen. De reclassering adviseert in haar rapport van 18 september 2025 als volgt:
‘Bij bewezenverklaring adviseren wij om een volledig onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hierdoor kan betrokkene in aanmerking komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) en kan de reclassering opnieuw met betrokkene in gesprek voor een inschatting van de risico's en bepalen welke risicoverlagende interventies eventueel nodig zijn. Hiernaast adviseert de reclassering opnieuw de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM, artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht) op te leggen omdat er bij bewezenverklaring sprake is van een terroristisch misdrijf en
betrokkene niet volledig wil meewerken aan het reclasseringsadvies waardoor de risico’s na detentie en VI niet kunnen worden ingeschat.’