ECLI:NL:GHSHE:2025:291

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 februari 2025
Publicatiedatum
6 februari 2025
Zaaknummer
200.342.615_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BWArtikel 3 sub a Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over ingangsdatum kinderalimentatie voor minderjarige

Partijen, die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kind uitoefenen, zijn in hoger beroep gegaan tegen de ingangsdatum van de kinderalimentatie die door de rechtbank was vastgesteld op 22 maart 2024.

De vrouw verzocht om een eerdere ingangsdatum, variërend van 1 januari 2023 tot 21 juli 2023, terwijl de man het standpunt innam dat de ingangsdatum terecht op de datum van de beschikking was gesteld. Het hof overwoog dat de man vanaf 21 juli 2023, de datum waarop hij zelf een verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie indiende, rekening had kunnen houden met de betalingsverplichting.

Het hof vernietigde de eerdere beschikking en bepaalde dat de man vanaf 21 juli 2023 een bijdrage van €171,- per maand moet betalen, met een verhoging naar €182,- per maand vanaf 1 januari 2024 en €193,- per maand vanaf 1 januari 2025. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ingangsdatum van de kinderalimentatie wordt vastgesteld op 21 juli 2023 met maandelijkse betalingen van €171,-, oplopend tot €193,- in 2025.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.342.615/01
zaaknummer rechtbank : C/03/316195/ FA RK 23-1114
beschikking van de meervoudige kamer van 6 februari 2025
inzake
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. J.P.H.J. Hermans te Geleen ,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.E.A. Hendrix te Geleen .

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
De vrouw is op 19 juni 2024 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.
2.2.
De man heeft op 12 augustus 2024 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Bij het hof is voorts ingekomen:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 23 februari 2024.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft op 8 januari 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3.De feiten

3.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit die relatie is de thans nog minderjarige
[minderjarige]geboren op [geboortedatum] 2019 (hierna: [minderjarige] ).
3.2.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de vrouw.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de man met ingang van 22 maart 2024 aan de vrouw in het kader van de kosten voor verzorging en opvoeding van [minderjarige] , telkens bij vooruitbetaling, een bijdrage van € 182,- per maand zal betalen.
4.2.
De vrouw kan zich met deze beslissing voor wat betreft de ingangsdatum niet verenigen. Zij is hiervan in hoger beroep gekomen en verzoekt de bestreden beschikking op dit punt te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] wordt vastgesteld op 1 januari 2023, althans 19 mei 2023, althans 21 juli 2023, dan wel een beslissing te nemen die het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.
4.3.
De man heeft verweer gevoerd en verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen als zijnde onjuist, ongegrond en onbewezen, waarbij het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigt.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
Tussen partijen is in hoger beroep uitsluitend de ingangsdatum van de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] in geschil.
5.1.1.
De vrouw voert – samengevat – aan dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat voor de ingangsdatum van de kinderalimentatie aangesloten dient te worden bij de datum van de beschikking. De rechtbank is er vanuit gegaan dat de man sinds het ontstaan van zijn onderhoudsverplichting zou hebben bijgedragen in de kosten voor spullen voor [minderjarige] en heeft verder geoordeeld dat een nabetaling de verhoudingen tussen partijen verder onder druk zou zetten. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg erkend dat de man heeft bijgedragen in de kosten voor spullen, maar zij heeft die vraag niet goed begrepen. De bijdrage van de man is beperkt gebleven tot de helft van drie paar schoenen en een bijdrage in de kosten van de kinderopvang. Deze kinderopvang vond plaats in de week dat de man omgang had met [minderjarige] , zodat hij die kosten zelf diende te dragen. De kleding die de man voor [minderjarige] heeft gekocht staat hij niet af. De man was bekend met zijn onderhoudsverplichting voor [minderjarige] en hij kon hier rekening mee houden. Dat er tijd is verstreken tussen dat moment en het vaststellen van de bijdrage in eerste aanleg dient niet voor rekening van [minderjarige] te komen. De verhoudingen tussen partijen dienen ook geen rol te spelen bij het vaststellen van de ingangsdatum. Omdat partijen het eens zijn geworden over de hoogte van de kinderalimentatie over 2023 van € 171,- per maand, verzoekt de vrouw als ingangsdatum 1 januari 2023 te hanteren. Als het hof dat niet volgt, dan verzoekt de vrouw als ingangsdatum te bepalen de datum van het eerste schrijven van de advocaat van de vrouw aan de man (19 mei 2023), dan wel de datum van het aanvullend verzoekschrift van de man (21 juli 2023) waarin hij zelf om de vaststelling van kinderalimentatie heeft verzocht.
5.1.2.
De man voert – samengevat – het volgende aan. Er is geen reden om af te wijken van de ingangsdatum zoals die in de bestreden beschikking staat. Indien de rechter afwijkt van de hoofdregel dat de ingangsdatum dient te worden vastgesteld op de datum van de in dezen te wijzen beschikking moet de rechtbank rekening houden met alle omstandigheden van het geval. Hierbij dient de rechter rekening te houden met de belangen van beide partijen, waaronder in ieder geval het belang van de onderhoudsplichtige die mogelijk een hoog bedrag zal moeten voldoen. Een ander belang in het onderhavige geval is de onderlinge verhouding tussen partijen, zodat de rechtbank terecht deze omstandigheden in haar beslissing heeft betrokken. De vrouw heeft niet aangetoond dat zij in financiële nood is gekomen doordat de man enkel kosten in natura voldoet in de vorm van het betalen van onder andere kleding, schoenen en kinderopvang. Zoals de vrouw bevestigt, heeft de man bijgedragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] in de vorm van spullen voor haar. Deze gerechtelijke erkentenis kan ze niet herroepen. Hetgeen de vrouw stelt over de kleding die de man voor [minderjarige] heeft aangeschaft, is niet juist. De man heeft meermaals aangeboden de door hem gekochte kleding mee te geven. De vrouw heeft van dit aanbod geen gebruik van gemaakt. De vrouw geeft [minderjarige] geen kleding mee en zij gaat er vanuit dat de man die kleding zelf koopt, ondanks dat zij een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ontvangt.
De ingangsdatum van 1 januari 2023 omdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de kinderalimentatie op basis van berekeningen van dat jaar, is niet onderbouwd en kan niet gevolgd worden. De datum van 19 mei 2023 ook niet. Op die datum heeft de advocaat van de vrouw een e-mail gestuurd aan de advocaat van de man. Hieruit blijkt dat partijen in overleg maar het uitdrukkelijk nog niet met elkaar eens waren. Uiteindelijk is pas tijdens de mondelinge behandeling van 23 februari 2024 overeenstemming bereikt, een datum ver na de datum van het aanvullende verzoekschrift.
5.2.
Het hof overweegt als volgt.
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
5.2.1.
De vrouw heeft de Duitse nationaliteit . Het internationale karakter van de zaak vraagt een ambtshalve beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter.
5.2.2.
De bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van het verzoek kennis te nemen, wordt bepaald aan de hand van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008). Het inleidend verzoek is ingediend op 21 juli 2023. Omdat de vrouw op dat moment in Nederland woonde, kan de bevoegdheid worden aangenomen op grond van artikel 3 sub a van Pro de Alimentatieverordening.
5.2.3.
Tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht toepasselijk is, zijn geen grieven gericht. Reeds daarom zal ook het hof van de toepasselijkheid van Nederlands recht uitgaan.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.4.
Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
5.2.5.
Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de man in redelijkheid vanaf 21 juli 2023 – te weten de datum waarop de man zelf in de procedure in eerste aanleg een verzoek heeft gedaan tot vaststelling van een kinderalimentatie van € 171,- per maand – rekening heeft kunnen en moeten houden met betaling van die bijdrage. Het hof ziet geen aanleiding om de ingangsdatum op een eerder moment vast te stellen, zoals door de vrouw verzocht. De vrouw heeft pas in haar reactie op het verzoekschrift van de man, zijnde het verweerschrift van 25 augustus 2023, met terugwerkende kracht om vaststelling van kinderalimentatie verzocht. Weliswaar heeft de vrouw de man via haar advocaat eerder aangeschreven over deze bijdrage, maar vaststaat dat dit op dat moment nog niet tot overeenstemming heeft geleid. Het hof heeft daarnaast niet kunnen vaststellen of, en zo ja in welke mate, de man al voor de bestreden beschikking heeft bijgedragen in de kosten van [minderjarige] bijvoorbeeld middels het kopen van kleding of schoenen, zodat ook een datum na indiening van het verzoek niet in de rede ligt.
5.3.
Concluderend zal het hof als ingangsdatum voor de tussen partijen in eerste aanleg overeengekomen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] , 21 juli 2023 hanteren. Partijen hadden overeenstemming over een bedrag van € 171,- per maand in 2023. Dat betekent dat analoog aan de wettelijke indexering de bijdrage in 2024 (afgerond) € 182,- per maand is en in 2025 (afgerond) € 193,- per maand.
Uit praktische overwegingen zal het hof het dictum van de bestreden beschikking ten aanzien van de daarin bepaalde kinderalimentatie vernietigen en de verplichting als geheel in het dictum van onderhavige beschikking opnemen.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 maart 2024 ten aanzien van de kinderalimentatie;
en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten voor verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal betalen:
- met ingang van 23 juli 2023 € 171,- per maand,
- met ingang van 1 januari 2024 € 182,- per maand,
- met ingang van 1 januari 2025 € 193,- per maand,
de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.N.M. Antens en E.M.D.M. van der Linden en is op 6 februari 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.