ECLI:NL:GHSHE:2025:3037

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
24/391
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet BPMArt. 8:45 AwbArt. 10 lid 1 Wet BPMArt. 10 lid 2 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM wegens waardevermindering motorschade

Belanghebbende kocht een auto met motorschade en betaalde BPM over de registratie. De inspecteur stelde de handelsinkoopwaarde zonder waardevermindering wegens motorschade vast en legde een naheffingsaanslag op. De rechtbank oordeelde dat de motorschade deels in mindering moest worden gebracht en verminderde de aanslag.

In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de waardevermindering hoger moest zijn, terwijl de inspecteur het standpunt handhaafde. Het hof stelde vast dat de motorschade bekend was bij belanghebbende en dat de betaalde prijs voor de auto de handelsinkoopwaarde goed weerspiegelt.

Daarom vond het hof dat de inspecteur de waarde niet te hoog had vastgesteld en wees het hoger beroep van belanghebbende af. Het incidenteel hoger beroep van de inspecteur werd gegrond verklaard. Het hof veroordeelde de inspecteur in een beperkte proceskostenvergoeding voor de beroepsfase.

Het hof heropende het onderzoek na relevante arresten van de Hoge Raad, maar geen partij verzocht om een nadere zitting. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 5 november 2025.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag BPM zonder waardevermindering wegens motorschade.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/391
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
en het incidentele hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 26 februari 2024, nummer BRE 22/3045, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.
1.6.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.7.
De zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Op deze zitting zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 25/28.
1.8.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting, zonder bezwaar van de andere partij, een kopie overgelegd van de verkoopfactuur van de onderhavige auto.
1.9.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.10.
Bij brief van 1 oktober 2025 heeft het gerechtshof het onderzoek heropend en partijen gelegenheid gegeven om binnen twee weken na 1 oktober 2025 te reageren op enkele arresten van de Hoge Raad van 26 september 2025. Gemachtigde heeft hierop gereageerd bij brieven van 3 oktober 2025. De inspecteur heeft niet gereageerd. Geen van partijen heeft om een nadere zitting verzocht.
1.11.
Het gerechtshof heeft het onderzoek op 20 oktober 2025 gesloten en bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van het motorrijtuig [merk auto] met VIN-nummer [nummer] (hierna: de auto). Belanghebbende heeft de auto blijkens de inkoopfactuur op [datum] 2021 gekocht voor € 35.000. Op de inkoopfactuur staat verder vermeld dat sprake is van motorschade door een ongeval, dat de auto is verkocht in de staat zoals de auto is gezien en dat er geen sprake is van garantie.
2.2.
Belanghebbende heeft op 20 januari 2021 op aangifte een bedrag van € 1.970 aan BPM voldaan ter zake van de registratie van de auto.
2.3.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [bedrijf 1] van 17 januari 2021. In dit rapport heeft de taxateur een bedrag aan schade berekend van (afgerond) € 29.703. Er is een bedrag van € 26.730 in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bedraagt volgens de taxateur daardoor € 7.910.
2.4.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een taxatierapport van 1 februari 2021. De handelsinkoopwaarde is door de hertaxateur bepaald op € 35.867. De hertaxateur heeft geen schade aan de auto geconstateerd.
In onderdeel 4c. ‘Bevindingen/opmerkingen’ heeft de hertaxateur het volgende vermeld:
“Extra opmerkingen taxateur -> Voertuig is met autoambulance binnen in onze taxatiestraat gereden. Motorblok ziet er als nieuw uit. We hebben hem even gestart, na korte tijd hoor je het motorgeluid in stationair rustig lopen. Heb ook geen motor probleem gezien in de storingslijst ook brand er geen motormanagement lampje (zie foto 15 t/m 18). Er zit ook een prijsopgave van een ruilmotor, maar dat geeft niet aan of de motor kapot is. Luchtfilter en ventilator zijn eruit gehaald weet niet waarom zie geen reden en ook op het taxatierapport van [bedrijf 1] is dit niet vermeld. Mijn inziens is het blok met toebehoren niet kapot en als dit wel zou zijn valt het nog onder de garantie gezien ook de lage kilometerstand.”
2.5.
De inspecteur heeft op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde BPM moet worden vastgesteld op € 8.811. Vervolgens heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd.
2.6.
De rechtbank heeft het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat er schade is aan de motor, maar kent niet het hele bedrag aan schade toe omdat de nieuwe motor een verbetering betreft ten opzichte van de oude motor en de motorschade onder de fabrieksgarantie valt. De rechtbank heeft de schade in goede justitie vastgesteld op € 5.000, de naheffingsaanslag verminderd tot € 5.612, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.370 en bepaald dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden.
2.7.
Belanghebbende heeft in hoger beroep diverse facturen overgelegd van reparaties en de aankoop van onderdelen. Deze facturen zijn afkomstig van [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] .

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Heeft de inspecteur voldoende rekening gehouden met waardevermindering wegens schade?
II. Dient het bedrag van de vastgestelde herstelkosten van de schade voor 72% in aanmerking te worden genomen ter bepaling van de waardevermindering dan wel voor een hoger percentage?
III. Dient belanghebbende op grond van artikel 8:45 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb) facturen met betrekking tot de aan- en verkoop en de reparatie van de auto over te leggen?
IV. Heeft belanghebbende recht op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag wegens een hogere waardevermindering door schade. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
I.
Schade
4.1.
Het hof stelt voorop dat de verschuldigde BPM met betrekking tot gebruikte personenauto’s wordt berekend met inachtneming van een vermindering. [1] Deze vermindering is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs en de BPM op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen. [2] De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van die vermindering rusten op de belastingplichtige. [3] De vermindering heeft tot doel om bij de heffing van BPM ter zake van gebruikte personenauto’s rekening te houden met een (bij benadering) reële waardedaling van het desbetreffende voertuig. [4]
4.2.
De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit - met inachtneming van bepaalde voorwaarden - kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken, namelijk door een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, ofwel door een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van één van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling BPM voorziene afschrijvingstabel. Hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen brengt mee dat de belastingplichtige die kiest voor één van die methodes, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk dient te maken die meebrengen (a) dat die methode in zijn geval mag worden toegepast en (b) dat toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waardedaling. [5]
4.3.
Normale gebruiksschade kan niet in mindering gebracht worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Op grond van artikel 2, aanhef en letter c, Wet BPM dient onder normale gebruiksschade te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
4.4.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een waardevermindering wegens motorschade. Blijkens de inkoopfactuur, de offerte van [bedrijf 2] , diverse foto’s en video-opnames van de auto en de reparatienota’s had de auto motorschade, aldus belanghebbende.
4.5.
De inspecteur betwist de ernst en de hoogte van de motorschade en acht de overgelegde reparatienota’s van belanghebbende niet overtuigend. De inspecteur concludeert dat de door de hertaxateur vastgestelde handelsinkoopwaarde, mede gelet op de inkoopfactuur, niet te hoog is vastgesteld.
4.6.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van motorschade. Dat de auto motorschade had volgt uit de inkoopfactuur van belanghebbende en is tevens af te leiden uit de door hem overgelegde foto’s en video-opnames. Dit kan belanghebbende echter niet baten. Het hof is op basis van de inkoopfactuur van oordeel dat de inspecteur de handelsinkoopwaarde van de auto niet te hoog heeft vastgesteld, ondanks dat de inspecteur bij het bepalen van deze handelsinkoopwaarde geen rekening heeft gehouden met een waardevermindering wegens motorschade. Aangezien de motorschade bij aankoop van de auto op de factuur is vermeld en derhalve bekend was bij belanghebbende, acht het hof aannemelijk dat hij bij het bepalen van de prijs rekening heeft gehouden met deze schade. Het door belanghebbende betaalde bedrag voor de auto, te weten € 35.000 (exclusief BPM en btw) geeft dan ook een goede indicatie voor de handelsinkoopwaarde. Nu het betaalde bedrag in lijn ligt met de door de inspecteur vastgestelde handelsinkoopwaarde, te weten € 35.867, ziet het hof geen reden om de handelsinkoopwaarde zoals vastgesteld door de inspecteur te verminderen.
4.7.
Gelet op het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. Het hof komt daardoor niet toe aan de beoordeling van vragen II tot en met IV.
Tussenconclusie
4.8.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en het incidentele hoger beroep van de inspecteur gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.9.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.10.
Aangezien het beroep bij de rechtbank ongegrond wordt verklaard, zal het hof het oordeel van de rechtbank over de (proces)kostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase vernietigen en opnieuw vaststellen. Belanghebbende heeft in beroep een verzoek om schadevergoeding gedaan. In de omstandigheid dat aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsprocedure is toegekend, vindt het hof aanleiding om de inspecteur te veroordelen in de kosten van het geding in beroep. [6]
4.11.
Het hof stelt de tegemoetkoming voor de beroepsfase op 1 (punt) [7] x € 907 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) [8] is € 226,75.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • verklaart het incidentele hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over de vergoeding van immateriële schade en het griffierecht;
  • verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank van € 226,75.
De uitspraak is gedaan door J.C.E. Ackermans-Wijn, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J. Wessels, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers J.C.E. Ackermans-Wijn
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 10, lid 1, Wet BPM.
2.Artikel 10, lid 2, Wet BPM.
3.Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
4.Hoge Raad 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.2.
5.Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4.
6.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.
7.1 punt voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade.
8.Zie de bijlage bij de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524, onderdeel 1.2, letter e.