In deze strafzaak is verdachte in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken voor diefstal op een besloten erf waarop een woning staat, gepleegd door twee of meer verenigde personen. De politierechter heeft daarnaast de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
Verdachte stelde hoger beroep in tegen dit vonnis, maar heeft geen schriftelijke grieven ingediend, noch mondeling bezwaren geuit tijdens de terechtzitting. Ook heeft verdachte geen raadsman gemachtigd om grieven namens hem in te dienen. De advocaat-generaal heeft daarom gevorderd het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hof heeft dit verzoek gevolgd en het hoger beroep van verdachte niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor blijft het vonnis van de politierechter ongewijzigd en wordt het hoger beroep niet inhoudelijk behandeld.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 31 januari 2025. De raadsheer M.M. Koevoets was wegens omstandigheden niet in staat het arrest mede te ondertekenen.