Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2025:329

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 februari 2025
Publicatiedatum
11 februari 2025
Zaaknummer
20-003319-23 (OWV)
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontnemingsvonnis wegens verduistering en vaststelling betalingsverplichting

In hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigd waarin een wederrechtelijk verkregen voordeel van €189.315,99 is vastgesteld. De betrokkene werd veroordeeld voor verduistering van twee geldbedragen, respectievelijk €118.255,26 en €71.060,73. De rechtbank legde een betalingsverplichting op van €113.255,26 en bepaalde een gijzelingstermijn van 1080 dagen bij niet-betaling.

De verdediging stelde primair dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk was in de ontnemingsvordering en subsidiair dat de vordering afgewezen moest worden. Het hof heeft deze verweren verworpen en zich aangesloten bij de redenering van de rechtbank. Het hof verduidelijkte tevens de wettelijke grondslag van het ontnemingsvonnis, ontleend aan artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De bewijsmiddelen waarop het hof zijn oordeel baseert, worden in geval van cassatieberoep nader toegelicht in een aanvullende bijlage. Het arrest werd op 6 februari 2025 uitgesproken door de meervoudige kamer van het hof.

Uitkomst: Het hof bevestigt het ontnemingsvonnis met een betalingsverplichting van €113.255,26 en een gijzelingstermijn van 1080 dagen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003319-23 OWV
Uitspraak : 6 februari 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 6 december 2023 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 02-820506-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op
€ 189.315,99 en aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd van € 113.255,26. Verder heeft de rechtbank de duur van de gijzeling bij niet-betaling van het ontnemingsbedrag vastgesteld op 1080 dagen.
Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de ontnemingsvordering. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis en met de redengeving waarop dit berust onder aanvulling van de gronden.
De veroordeling
De rechtbank heeft de ontneming gebaseerd op het onderliggende strafvonnis van 26 april 2023 (parketnummer 02-820506-17) waarbij betrokkene onder meer is veroordeeld ter zake van verduistering van een geldbedrag van € 118.255,26 (feit 1) en verduistering van een geldbedrag van € 71.060,73 (feit 2).
Tegen voormeld vonnis heeft betrokkene hoger beroep ingesteld en dit hof heeft bij arrest van heden onder parketnummer (20-001310-23) voormelde veroordeling bevestigd.
Het ontnemingsbedrag blijft daarmee gebaseerd op eerder genoemde veroordeling door de rechtbank.
In zoverre vult het hof de gronden van de rechtbank aan.
De wettelijke grondslag
In het ontnemingsvonnis heeft de rechtbank niet met zoveel woorden gezegd op welke wettelijke grondslag het voordeel is gebaseerd.
Het hof vult het ontnemingsvonnis daarom op de navolgende wijze aan.
Het hof ontleent aan de inhoud van de bewijsmiddelen het oordeel dat de betrokkene door middel van of uit de baten van het onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde (hof: zie hiervoor) voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, heeft verkregen.
De bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkorte arrest gehecht.
Standpunten van de verdediging
De verdediging heeft de in eerste aanleg gevoerde verweren ten aanzien van de ontnemingsvordering in hoger beroep herhaald. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof verwerpt die verweren dus op de wijze zoals de rechtbank heeft gedaan en volgt de rechtbank in hetgeen zij heeft overwogen omtrent de schatting van het voordeel en de vaststelling van de betalingsverplichting en het aantal dagen gijzeling dat kan worden gevorderd bij niet betaling van het ontnemingsbedrag. In zoverre bevestigt het hof het ontnemingsvonnis van de rechtbank.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. J.H. de Krijger, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 6 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.