ECLI:NL:GHSHE:2025:3347

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
20-002016-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 18 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De verdachte, geboren in 2001, werd beschuldigd van het veroorzaken van een verkeersongeval op 22 mei 2023 te Tilburg, waarbij een fietsster, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel opliep. De rechtbank had de verdachte eerder veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk. De advocaat-generaal vorderde in hoger beroep een zwaardere straf, maar de verdediging pleitte voor vrijspraak. Het hof oordeelde dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend had gehandeld door met één hand aan het stuur te rijden en met beide benen aan één zijde van de scooter. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het primair tenlastegelegde bewezen, waarbij het letsel van de fietsster als zwaar lichamelijk letsel werd gekwalificeerd. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002016-24
Uitspraak : 18 november 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 18 juli 2024 in de strafzaak met parketnummer 02-016191-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het primair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren in de schuldgradatie ‘zeer onvoorzichtig en onoplettend’ en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit. Daarnaast heeft de raadsvrouw een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 22 mei 2023 te Tilburg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een snorfiets/scooter merk Piaggio, daarmede rijdende over de weg, de Reeshofdijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- op een gevaarlijke manier op de scooter gereden, te weten met beide benen aan één zijde van de snorfiets/scooter en met één hand aan het stuur en/of
- niet, althans onvoldoende geanticipeerd op (een) medeweggebruiker(s) en/of (een) medeweggebruiker(s) niet tijdig waargenomen en/of
- met een hogere snelheid dan de aldaar voor snorfietsers/scooters toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur gereden, in elk geval gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of harder gereden dan gelet op de wijze waarop hij, verdachte, op zijn scooter zat, verantwoord was en/of
- met de door hem bestuurde snorfiets/scooter een voor hem rijdende fietsster inhalende, terwijl deze doende was linksaf te slaan ter hoogte van het Hultensepad,
ten gevolge waarvan verdachte met zijn snorfiets/scooter in aanrijding is gekomen met een fietsster, genaamd [slachtoffer] , door welk verkeersongeval voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een of meerdere gebroken ribben en/of een oogkas fractuur en/of een hersenkneuzing/-schudding en/of een klaplong, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 mei 2023 te Tilburg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een snorfiets/scooter merk Piaggio, daarmede rijdende over de weg, de Reeshofdijk, zich zodanig heeft gedragen dat door zijn gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers heeft hij, verdachte,
- op een gevaarlijke manier op de scooter gereden, te weten met beide benen aan één zijde van de snorfiets/scooter en met één hand aan het stuur en/of
- niet, althans onvoldoende geanticipeerd op (een) medeweggebruiker(s) en/of (een) medeweggebruiker(s) niet tijdig waargenomen en/of
- met een hogere snelheid dan de aldaar voor snorfietsers/scooters toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur gereden, in elk geval gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of harder gereden dan gelet op de wijze waarop hij, verdachte, op zijn scooter zat, verantwoord was en/of
- met de door hem bestuurde snorfiets/scooter een voor hem rijdende fietsster inhalende, terwijl deze doende was linksaf te slaan ter hoogte van het Hultensepad,
waardoor verdachte met zijn snorfiets/scooter in aanrijding is gekomen met een fietsster.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 22 mei 2023 te Tilburg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een scooter merk Piaggio, daarmede rijdende over de weg, de Reeshofdijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend
- op een gevaarlijke manier op de scooter gereden, te weten met beide benen aan één zijde van de scooter en met één hand aan het stuur en/of
- niet geanticipeerd op een medeweggebruiker en/of
- gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of
- met de door hem bestuurde scooter een voor hem rijdende fietsster inhalende, terwijl deze doende was linksaf te slaan ter hoogte van het Hultensepad,
ten gevolge waarvan verdachte met zijn scooter in aanrijding is gekomen met een fietsster genaamd [slachtoffer] , door welk verkeersongeval voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten gebroken ribben en een oogkas fractuur en een hersenkneuzing/-schudding en een klaplong.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2023127225, op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier, gesloten d.d. 22 november 2023, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, doorgenummerde digitale dossierpagina’s 1-60.
1.
Het proces-verbaal van aanrijding misdrijf d.d. 18 november 2023, dossierpagina 6, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Locatie ongeval:

Datum: 22 mei 2023
Omstreeks: 16.58 uur
Adres: Reeshofpark
Plaats: Tilburg
Op de kruising met: Hultensepad
Soort weg: een weg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg
Maximum snelheid: 30 kilometer per uur

Vermoedelijke toedracht:

Aanrijding tussen een snorfiets
(het hof begrijpt telkens: scooter), merk Piaggio, kenteken [kenteken] en een elektrische fiets. De bestuurster van de elektrische fiets betrof [slachtoffer] . De bestuurder van de snorfiets betrof [verdachte] . Beide bestuurders reden vanaf de Heyhoef in de richting van het voor het openbaar verkeer openstaande weg, het Hultensepad.
Bestuurster van de fiets stak haar hand uit. Ter hoogte van de kruising werd zij aangereden door de Piaggio. [slachtoffer] is hierbij hard op het hoofd gevallen, hierdoor was zij enkele minuten buiten bewustzijn. Ook nadat zij weer bij bewustzijn kwam was zij slecht aanspreekbaar en vergat zij steeds waar ze was. [slachtoffer] is mee genomen naar het ziekenhuis [locatie] .
2.
Het proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer] d.d. 13 november 2023, dossierpagina 13, voor zover inhoudende:
Op 22 mei was ik naar de Heyhoef geweest op de fiets, het was ongeveer 16.30 uur. Ik was op weg naar huis. Daarna weet ik niets meer. Het bleek dat ik was aangereden door een scooterrijder.
Het letsel dat ik heb opgelopen is:
- 4 gebroken ribben op twee plaatsen voor en achter;
- oogkas fractuur;
- hersenkneuzing;
- arm schaafwonden;
- voorhoofd een bult.
Ik ben vergeetachtig, last van prikkels, overprikkeld. Verder moet ik heel veel rusten omdat ik anders de dag niet door kom. Ik ben nu aan het revalideren. Ik ben onder behandeling van een psycholoog, fysiotherapeut, ergotherapeut en een psychosomatische therapeut. Door de aanrijding heb ik last van mijn linkerbeen. Nu heb ik zelfs hielspoor. Verder de gehele dag het gevoel van een balk op mijn hoofd. Ik heb vijf dagen in het ziekenhuis gelegen.
3.
Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 30 mei 2023, dossierpagina 15, voor zover inhoudende:
Ik liep samen met mijn buurvrouw over het Reeshofpad
(het hof begrijpt: de Reeshofdijk)in het Reeshofpark, op 22 mei 2023 rond 17.00 uur. Ik zag een scooterrijder voorbij komen op hoge snelheid. Ik zag dat hij met allebei zijn benen aan de linkerzijde van de scooter zat. Hij had het stuur maar met één hand vast, namelijk met zijn rechterhand. Hij lag helemaal achterover op het zadel van zijn scooter.
4.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 22 mei 2023, dossierpagina 19, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige:
Op maandag 22 mei 2023 omstreeks 17.00 uur liep ik over de Reeshofdijk in Tilburg in de richting Reeshofpark. Ik zag dat een vrouw voor mij fietste. Ik zag de vrouw linksaf wilde slaan. Ik zag een scooterrijder aan komen rijden vanuit dezelfde richting. Ik zag dat deze scooterrijder heel hard reed, ik schat rond de 40 a 50 kilometer per uur. Ik zag de scooterrijder de vrouw aan haar linkerzijde raken. Ik zag dat de vrouw gelanceerd werd en een groot stuk over het wegdek schaafde totdat zij tot stilstand kwam.
5.
Het geschrift, zijnde de geneeskundige verklaring van de zorgverlener d.d. 6 juni 2023, dossierpagina 56, voor zover inhoudende:
Medische informatie betreffende [slachtoffer] .
Letsel:
- zwelling gelaat/neus, 2 minuten bewusteloos, aangezichtsfractuur links;
- klaplong links;
- gebroken ribben;
- hersenschudding.
Storingen in het bewustzijn: hersenschudding.
Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 22 mei 2023.
Overige: contusio cerebri, kan lang duren.
6.
Het geschrift, zijnde medische informatie van het ziekenhuis [locatie] d.d. 23 mei 2023, dossierpagina’s 57-59, voor zover inhoudende:
Betreft: [slachtoffer] .
Conclusie:
HET (fietser versus scooter), met hierbij:
1. Fracturen costa 3 t/m 6 links dorsaal en lateraal met beperkte ventrale pneumothorax.
2. Licht traumatisch schedel-hersenletsel.
3. VZR volgens Babinski.
4. Laterale orbitawandfractuur zonder dislocatie.
7.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juni 2023, dossierpagina 24, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op 8 juni 2023 ontving ik de camerabeelden van het verkeersongeluk dat plaatsvond op de Reeshofdijk met de kruising het Hultensepad te Tilburg, via cameratoezicht van de gemeente Tilburg.
Op de beelden is de Reeshofdijk te zien met het Hultensepad als afslag naar links, dit betreffen beiden fietspaden. Ter hoogte van de afslag bij het Hultensepad is een fietsster te zien, deze fietsster steekt haar hand uit naar links. Deze fietsster doet dit op ongeveer 25 meter voor de afslag en keek nog over haar schouder. De scooter reed over het fietspad in dezelfde richting als de fietsster. De bestuurder van de scooter zat met allebei zijn benen aan de linkerkant van de scooter en zijn linkerhand los van het stuur. Op de beelden is te zien hoe de scooter bestuurder pas op 2 meter afstand van de fietsster zijn stuur met zijn linkerhand beet probeert te pakken, maar te laat is om haar te ontwijken of af te remmen. De scooterrijder gaat onderuit en direct daardoor raakt hij de fietsster in haar linkerflank. De fietsster valt hierdoor hard met haar hoofd op de grond.
8.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2023, dossierpagina 21, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Ter plaatse hoorde ik dat de man (
het hof begrijpt: de verdachte) vertelde dat de vrouw linksaf sloeg toen hij haar inhaalde. Dat hij in het park wel enigszins lomp had gereden. Hij zei dat hij met zijn voeten los van de scooter had gereden en met een hand aan het stuur.
9.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting bij de rechtbank te Breda op 4 juli 2024, voor zover inhoudende:
Het is juist dat ik op mijn scooter reed op de Reeshofdijk te Tilburg en dat ik daar in aanrijding kwam met een vrouw die daar op de fiets reed. Het klopt dat ik kort vóór het ongeval met mijn beide benen aan één kant van de scooter heb gereden. Ik heb enige tijd niet mijn beide handen aan het stuur gehad. Gezien de camerabeelden, lijkt het erop dat ik bij de kruising rechtdoor wilde rijden. Ik had niet gezien dat zij haar hand uitstak. Pas op het laatste moment kwam ik erachter dat ze naar links ging en toen gebeurde het ongeval. Ik kende de situatie daar. U houdt mij voor dat ik bij het naderen van het kruispunt mijn rijgedrag niet heb aangepast. Daar heeft u gelijk in. Ik heb de hele situatie niet goed overzien.
10.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep te ’s-Hertogenbosch d.d. 4 november 2025, voor zover inhoudende:
Ik reed op het fietspad met de scooter van een vriend. Ik wilde inhalen. Ik zag niet dat ze naar links ging. Ik zag het te laat. Ik had de uitgestoken hand niet gezien.
Bewijsoverwegingen
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdachte heeft volgens haar zeer onvoorzichtig gereden door op een onverantwoorde manier op zijn scooter te rijden en zo te proberen een fietsster in te halen terwijl zij duidelijk met haar arm kenbaar had gemaakt dat zij linksaf ging afslaan. De verdachte heeft daarop te laat gereageerd en geremd, waardoor een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Het letsel dat slachtoffer [slachtoffer] heeft opgelopen valt volgens de advocaat-generaal aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de enkele gedragingen van de verdachte, te weten het rijden met één hand aan het stuur en beide benen aan één kant van de scooter, onvoldoende zijn om strafrechtelijke schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 aan te nemen. Daarbij is niet onderzocht of het verkeersgedrag van mevrouw [slachtoffer] , te weten het linksaf slaan terwijl zij werd ingehaald, mede oorzaak was van het verkeersongeval, hetgeen van belang is voor de causaliteitsvraag. Tevens kan niet worden vastgesteld dat de verdachte te hard heeft gereden of enige verkeersovertreding heeft begaan. Er is aldus geen sprake van structureel gevaarzettend of risicovol gedrag. De rijhouding van de verdachte en het laat reageren op de aanwezigheid van mevrouw [slachtoffer] op de rijbaan zijn weliswaar onzorgvuldige handelingen, maar niet zodanig dat zij in onderlinge samenhang de kwalificatie ‘aanmerkelijk onvoorzichtig’ dragen.
Daarnaast heeft de raadsvrouw betoogd dat het letsel van mevrouw [slachtoffer] niet als ‘zwaar lichamelijk letsel’ kan worden aangemerkt. Er zijn geen objectieve medische gegevens – zoals een medisch deskundigenrapport – beschikbaar over de aard, ernst, herstelduur en blijvende beperkingen, aldus de raadsvrouw.
Het oordeel van het hof
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of er sprake is van een overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Om tot een bewezenverklaring van een overtreding van artikel 6 WVW te kunnen komen, moet worden bewezen dat de verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat er een causaal verband moet bestaan tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval. Daarnaast heeft het juridische begrip ‘schuld’ verschillende gradaties, variërend van een grove of aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid tot roekeloosheid. Op grond van bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor een bewezenverklaring van schuld in de zin van ‘aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid’. Het komt aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
Het hof stelt op basis van het verhandelde ter terechtzitting en de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte als bestuurder van een scooter op 22 mei 2023 omstreeks 16.58 uur op de Reeshofdijk te Tilburg ter hoogte van de T-splitsing met het Hultensepad in aanrijding is gekomen met mevrouw [slachtoffer] als bestuurster van een elektrische fiets. De Reeshofdijk betreft een fietspad. De verdachte reed met beide benen aan de linkerzijde van de scooter en hield alleen zijn rechterhand aan het stuur. [slachtoffer] reed in dezelfde richting rechts voor hem. Op enige afstand voor de afslag naar het Hultensepad die zich, gezien vanuit de rijrichting van de verdachte en [slachtoffer] aan de linkerzijde bevond, stak [slachtoffer] haar hand uit en keek zij over haar linkerschouder. Vervolgens sloeg zij linksaf het Hultensepad in. De verdachte naderde [slachtoffer] van achteren, aan de linkerkant van het fietspad. Niets duidt erop dat hij ook linksaf wilde slaan en dat hij vaart minderde. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij [slachtoffer] wilde inhalen. Pas op ongeveer twee meter afstand van haar probeerde hij met zijn linkerhand het stuur beet te pakken. Hij was te laat om af te remmen en om haar te ontwijken, terwijl zij bezig was linksaf te slaan. De verdachte ging vervolgens met zijn scooter onderuit en raakte daardoor [slachtoffer] in haar linkerflank. Aansluitend viel [slachtoffer] hard met haar hoofd op het fietspad. Als gevolg van het ongeval liep zij meervoudig letsel op.
Het hof overweegt dat de verdachte een afslag/T-splitsing naderde en dat er volgens de
camerabeelden op dat moment meerdere weggebruikers – fietsers en wandelaars – in de
nabijheid van die T-splitsing aanwezig waren. Dit zijn omstandigheden waar de verdachte
rekening mee had moeten houden en die naar het oordeel van het hof van een bestuurder van een motorrijtuig extra alertheid vragen, zodat in ieder geval geanticipeerd kan worden op hetgeen zich voordoet in het verkeer. Die alertheid heeft de verdachte niet getoond. De verdachte heeft daarbij verklaard dat hij bekend was met de situatie ter plaatse. Niet is gebleken dat de verdachte zijn snelheid en rijgedrag daarop heeft aangepast, hetgeen wel van hem verwacht mocht worden. Daarnaast mocht ook van de verdachte worden verwacht dat hij extra oplettend en voorzichtig zou rijden, in tegenstelling tot de achteloze en gevaarlijke wijze waarop hij op de scooter reed. Door met beide benen aan één zijde van de scooter en met één hand aan het stuur te rijden heeft de verdachte zichzelf immers in de onmogelijkheid gebracht om op tijd corrigerend te handelen door te remmen dan wel bij te sturen.
Door op een gevaarlijke manier op de scooter te rijden, niet te anticiperen op [slachtoffer] , te rijden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en te proberen [slachtoffer] in te halen terwijl zij doende was linksaf te slaan, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gehandeld waardoor het verkeersongeval is veroorzaakt. Anders dan de raadsvrouw is het hof dan ook van oordeel dat het verkeersongeval niet (mede) door [slachtoffer] is veroorzaakt – door linksaf te slaan terwijl zij werd ingehaald – nu tevens uit de camerabeelden voldoende is gebleken dat zij haar arm heeft uitgestoken en dit door andere verkeersdeelnemers, waaronder getuige [getuige 2] , wel is waargenomen, om kenbaar te maken dat zij linksaf wilde slaan en het aan de verdachte is geweest om daarop op tijd te anticiperen, hetgeen hij heeft nagelaten.
Vervolgens dient het hof zich te buigen over de vraag of het letsel van [slachtoffer] kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Bij het vaststellen of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel kunnen als algemene gezichtspunten in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Het hof stelt vast dat uit de medische stukken van het slachtoffer blijkt dat zij onder andere een hersenkneuzing/-schudding, een klaplong, diverse gebroken ribben en een aangezichtsfractuur heeft opgelopen. Daarbij heeft [slachtoffer] vijf dagen in het ziekenhuis gelezen. Zij heeft daarna een intensief revalidatie-traject ondergaan en was onder behandeling van een psycholoog, fysiotherapeut, ergotherapeut en een psychosomatische therapeut. Tot op heden ervaart [slachtoffer] nog altijd verschillende fysieke en psychische klachten. Het hof kwalificeert het door [slachtoffer] als gevolg van het verkeersongeval opgelopen letsel, met name gelet op de aard van dat letsel en de duur van de klachten, dan ook als zwaar lichamelijk letsel.
Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straffen
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft het hof verzocht aan de verdachte een voorwaardelijke rijontzegging op te leggen. Daarbij heeft de raadsvrouw verwezen naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de beperkte ernst van de schuld, de positieve en constructieve proceshouding van de verdachte en de disproportionele gevolgen van een (gedeeltelijk) onvoorwaardelijke rijontzegging.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij als bestuurder van een scooter een verkeersongeval heeft veroorzaakt door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden. Door het verkeersongeval heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
Het leed dat door het ongeval is toegebracht aan het slachtoffer is groot en onherstelbaar. Dat het verkeersongeval een grote impact op haar en haar gezin heeft gehad, volgt tevens uit de schriftelijke slachtofferverklaring die de echtgenoot van mevrouw [slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep heeft voorgelezen. Het slachtoffer ondervindt nog steeds fysieke klachten, is snel overprikkeld en erg moe en heeft psychische complicaties als gevolg van de aanrijding.
Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft allereerst acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. In deze oriëntatiepunten wordt bij een overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 bij ‘aanmerkelijke schuld’ met zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer ten gevolge hebbend als uitgangspunt een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden genomen.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 september 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Daarnaast heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij werkzaam is als manager bij een logistiek bedrijf en daar een vast arbeidscontract heeft. Voor klantbezoeken heeft hij zijn rijbewijs nodig, maar de verdachte heeft verklaard dat hij ook op kantoor andere werkzaamheden kan verrichten.
Het hof constateert ten slotte dat de verdachte zich ter terechtzitting in hoger beroep schuldbewust heeft getoond, hetgeen het hof heeft meegewogen bij de straftoemeting.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, passend en geboden. Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid acht het hof het passend en geboden om tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Met oplegging van deze deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
In hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht, ziet het hof dan ook geen aanleiding om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke rijontzegging op te leggen, mede gelet op de ernst van het bewezenverklaarde.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis;
ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
6 (zes) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot
3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door:
mr. S. Riemens, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,
en op 18 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.