In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis vernietigd en de vordering afgewezen. De betrokkene was eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden wegens mensenhandel, gepleegd in vereniging met anderen en met geweld.
De rechtbank had vastgesteld dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel €4.695 bedroeg en had betrokkene verplicht tot betaling van de helft daarvan aan de Staat. In hoger beroep heeft de betrokkene primair verzocht de vordering af te wijzen en subsidiair vermindering van het bedrag gevorderd.
Het hof heeft het dossier en de zitting onderzocht en geoordeeld dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene daadwerkelijk financieel voordeel heeft genoten. Verklaringen van betrokkenen gaven geen duidelijkheid over geldstromen naar betrokkene, en er waren geen aanwijzingen van ander wederrechtelijk voordeel. Daarom is de vordering tot ontneming afgewezen.
Het arrest bevestigt dat voor ontneming het concrete, daadwerkelijk genoten voordeel moet worden vastgesteld en dat bij onvoldoende bewijs de vordering niet kan worden toegewezen.