[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
wonende te [adres] .
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. De rechtbank heeft het subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994’, de verdachte daarvoor niet strafbaar verklaard en hem ontslagen van alle rechtsvervolging.
Door de officier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren.
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het vonnis van de rechtbank zal worden bevestigd omdat de verdachte een geslaagd beroep op de AVAS-variant ‘verontschuldigbare onmacht’ toekomt en derhalve dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, dan wel moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde. Daarnaast heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 30 juli 2021 te Ossenisse, binnen de gemeente Hulst, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als (beginnend) bestuurder van een motorrijtuig (personenauto Citroën voorzien van het kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Grindweg naar Hontenisse, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximum snelheid van 60 kilometer per uur gereden (te weten ongeveer rond 135, althans 129 km per uur), in elk geval gereden met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of
- onvoldoende zijn snelheid geminderd bij het naderen van een bocht, althans, niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig zodanig geregeld dat hij in staat was zijn motorrijtuig onder controle te houden en/of tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien,
waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) van de weg af is geraakt en tegen twee bomen is aangereden, althans in botsing is gekomen, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juli 2021 te Ossenisse, binnen de gemeente Hulst, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als (beginnend) bestuurder van een motorrijtuig (personenauto Citroën voorzien van het kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Grindweg naar Hontenisse, zich zodanig heeft gedragen dat door zijn gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers heeft hij, verdachte,
- met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximum snelheid van 60 kilometer per uur gereden (te weten ongeveer rond 135, althans 129 km per uur), in elk geval gereden met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of
- onvoldoende zijn snelheid geminderd bij het naderen van een bocht, althans, niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig zodanig geregeld dat hij in staat was zijn motorrijtuig onder controle te houden en/of tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien,
waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) van de weg af is geraakt en tegen twee bomen is aangereden, althans in botsing is gekomen, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , werd gedood.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 30 juli 2021 te Ossenisse, binnen de gemeente Hulst, als verkeersdeelnemer, namelijk als beginnend bestuurder van een motorrijtuig (personenauto Citroën voorzien van het kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Grindweg naar Hontenisse, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, zeer onvoorzichtig
- met een veel hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximum snelheid van 60 kilometer per uur gereden (te weten ongeveer rond 135, althans 129 km per uur), in elk geval gereden met een veel hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en
- onvoldoende zijn snelheid geminderd bij het naderen van een bocht, althans, niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig zodanig geregeld dat hij in staat was zijn motorrijtuig onder controle te houden,
waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) van de weg af is geraakt en tegen twee bomen is aangereden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , werd gedood.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Er is volgens de advocaat-generaal geen sprake van verontschuldigbare onmacht. De conclusie van de rechtbank dat niet is uit te sluiten dat sprake is geweest van bewustzijnsverlies is niet voldoende om verontschuldigbare onmacht aan te nemen. Daarvoor is meer nodig. De omstandigheid dat de verdachte heeft verklaard dat hij met zijn volle verstand en met zijn volle bewustzijn nooit op deze manier zou hebben gereden, hetgeen wordt ondersteund door zijn blanco strafblad, is immers niet uniek en de omstandigheid dat de verdachte zich van het ongeval niets kan herinneren zou ook een gevolg kunnen zijn geweest van de aanrijding en wijst niet in de richting van verontschuldigbare onmacht.
Voorts wijst de advocaat-generaal naar de snelheidsafname één seconde voor het ongeval van bijna 40 kilometer per uur, welke niet kan worden verklaard door het rijden in de berm of het ingrijpen van de bijrijder, maar welke snelheidsafname enkel wijst op het ingrijpen door de bestuurder. Ook het driftspoor duidt erop dat er voortdurend kracht is uitgeoefend op het stuur door te proberen door de bocht heen te sturen, aldus de advocaat-generaal.
Daarnaast is niet gebleken dat de verdachte voorafgaand aan het ongeval een hevige bloedneus zou hebben gehad waardoor hij duizelig zou zijn geworden. Indien het hof daar wel van uit zou gaan, is de onmacht niet verontschuldigbaar, omdat de verdachte in dat geval onverantwoorde risico’s heeft genomen in het verkeer door te rijden met de wetenschap dat hij van een dergelijke bloedneus duizelig kan worden. Voorts is door een forensisch arts geconcludeerd dat de medische voorgeschiedenis van de verdachte geen enkele afwijking liet zien die de kans op een ongeval vergroot. Met de beschikbare gegevens werd de kans op een spontane hersenbloeding uiterst gering geacht, terwijl het bloed onder het harde hersenvlies goed leek te passen bij de gevolgen van het ongeval.
Nu er geen sprake is van verontschuldigbare onmacht, komt de advocaat-generaal tot de conclusie dat de verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte een geslaagd beroep op de AVAS-variant ‘verontschuldigbare onmacht’ toekomt en derhalve dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Daartoe is in de kern aangevoerd dat het aannemelijk is dat de verdachte tijdens het besturen van de auto voorafgaand aan het ongeval onwel is geworden en zijn bewustzijn heeft verloren, waarna zijn voet op het gaspedaal is blijven hangen en de zwaartekracht van zijn ongecontroleerde voet het gaspedaal alleen maar verder heeft ingeduwd. Dat het voertuig 0,5 seconde voor het ongeval iets is afgeremd, is mogelijk het gevolg van het raken van een andere meer afremmende ondergrond dan het wegdek, te weten de berm, waardoor de wielen meer weerstand kregen en daardoor kunnen zijn vertraagd. Een andere mogelijkheid voor de snelheidsvertraging zou kunnen zijn dat de bijrijder heeft proberen in te grijpen terwijl de verdachte als bestuurder onwel was geworden.
De verdachte valt daarbij naar de overtuiging van de verdediging geen enkel verwijt te maken. Hij had immers geen medische voorgeschiedenis, waaruit hij enig gevaar voor autorijden kon destilleren, aldus de raadsman.
Het oordeel van het hof
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat er op 30 juli 2021 om 00.51 uur op de Grindweg naar Hontenisse te Ossenisse, gemeente Hulst, een eenzijdig verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De verdachte reed als beginnend bestuurder in een personenauto, te weten de Citroën C4 van zijn vader met het (Belgische) kenteken [kenteken] , over deze weg in de richting van Walsoorden. Naast hem in de auto zat zijn vriend [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , toen 21 jaar oud. Zij hadden de dag samen doorgebracht en waren ’s avonds aan zee nog naar de zonsondergang, het uitzicht en de boten gaan kijken. Ze waren op weg terug naar huis.
Op de plaats van het ongeval maakt de Grindweg naar Hontenisse een bocht naar rechts. De weg bestaat uit één rijbaan, bestemd voor verkeer in beide richtingen. De weg ligt binnen een 60-kilometerzone, aangeduid door middel van een bord. Er was geen straatverlichting, het was donker. Het weer was droog.
Om 00.53 uur kwam bij de politie het verzoek binnen om naar de Grindweg naar Hontenisse te gaan omdat er een automatisch noodsignaal van een voertuig vanaf die locatie was binnengekomen bij het Operationeel Centrum. Toen de politie ter plaatse kwam zagen zij aan de rechterzijde van de weg een personenauto in de sloot liggen. Het voertuig was zeer zwaar beschadigd. Op de rijbaan lagen een grote hoeveelheid auto-onderdelen die over een lengte van zeker 20 meter uit elkaar lagen. Tevens zag de politie dat er twee bomen beschadigd waren. Het motorblok lag op korte afstand van de auto in het weiland. In een ondiepe sloot werd de verdachte aangetroffen. Op de passagiersstoel van het voertuig zat de bijrijder, die ter plaatse reeds was overleden.
Ter plaatse is forensisch onderzoek gedaan. Er zijn sporen onderzocht op het wegdek, aan de bomen en aan de personenauto.
Op de rijbaan van de Grindweg naar Hontenisse waren recent afgetekende bandsporen te zien die de uiterlijke kenmerken hadden van een driftspoor. Een driftspoor wordt in het proces-verbaal aangeduid als een spoor dat ontstaat wanneer een wiel onder een drifthoek beweegt terwijl er nog in meer of mindere mate sprake is van een gecontroleerde voertuigbeweging. De bandsporen vingen aan in de bocht naar links, aan de linkerzijde van de rijbaan. De sporen waren in een curve naar rechts in de richting van de linker grasberm afgetekend en hadden een verder verloop in de grasberm en eindigden ter hoogte van de tweede boom met schade aan de stam. Deze bandsporen zijn volgens het forensisch onderzoek passend bij het scenario dat deze zijn afgetekend door het linker voorwiel en het rechter voorwiel van de personenauto op het moment dat de bestuurder van de personenauto met een te hoge snelheid, althans voor deze situatie, alsnog de bocht probeerde te halen.
Het bandspoor van het linker voorwiel liep nagenoeg langs de stam van de eerste boom waarop schade was aangetroffen, passend bij het scenario dat de auto met de linker achterzijde van het voertuig langs deze boom was geschampt. Gelet op de sporen aan de tweede boom en de schade aan het voertuig was dit passend bij het scenario dat de auto met de rechter voorzijde tegen de tweede boom was gebotst.
De aangetroffen sporen op het wegdek en de schade aan de personenauto waren passend bij het scenario dat de bestuurder van de personenauto de bocht naar rechts, met een voor deze situatie, te hoge snelheid heeft willen berijden. Vervolgens was de auto in de linker grasberm langs de eerste boom geschampt en vervolgens met de rechtervoorzijde tegen de tweede boom gebotst. De auto was hierdoor om zijn hoogte-as geroteerd en op de eindpositie tot stilstand gekomen.
Uit het proces-verbaal Forensische Analyse Snelheid & Impact blijkt het volgende. Op grond van het bandspoor van het linker voorwiel en op basis van eerdere remproeven met een vergelijkbare auto werd een indicatieve snelheidsberekening gemaakt met een uitkomst van 143 kilometer per uur.
De personenauto was tevens voorzien van een Event Data Recorder (EDR) welke onder andere de voertuigsnelheid registreert kort voor en tijdens een ongeval. Deze is geanalyseerd. Hieruit blijkt dat de auto vijf seconden voor de botsing reed met een geregistreerde snelheid van 129,43 kilometer per uur. Vervolgens is de snelheid opgelopen tot 135,78 kilometer per uur één seconde voor de botsing. De auto reed 0,5 seconden voor de botsing met een geregistreerde snelheid van 123,07 kilometer per uur en tijdens de botsing met een snelheid van 98,38 kilometer per uur.
De verdachte kan zich niets herinneren van het ongeval. Hij heeft verklaard dat hij niet weet wat er gebeurd is. Hij kan zich alleen herinneren dat hij samen met zijn vriend in de auto is gestapt, dat hij wakker werd in de sloot en vervolgens dat hij in het ziekenhuis was. Hij kent de weg, weet dat het daar gevaarlijk is en kan zich niet voorstellen dat hij bewust met zo’n snelheid daar gereden heeft. Hij zou het nooit expres gedaan hebben. Hij moet dus onwel zijn geworden. Hij heeft verklaard dat hij last heeft van bloedneuzen, waardoor hij draaierig wordt. Door de bloedneuzen heeft hij nooit het bewustzijn verloren. Hij voelt zich desondanks wel schuldig omdat hij achter het stuur zat.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of het verkeersongeval aan verdachtes schuld in de zin van artikel 6 WVW is te wijten.
Om tot een bewezenverklaring van een overtreding van artikel 6 WVW te kunnen komen, moet worden bewezen dat de verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat er een causaal verband moet bestaan tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval. Daarnaast heeft het juridische begrip ‘schuld’ verschillende gradaties, variërend van een grove of aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid tot roekeloosheid. Bij beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van dit artikel komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat in het algemeen niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van genoemde bepaling. Voor schuld is meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en oplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag in strijd met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Het hof stelt op grond van de bevindingen uit het dossier en met name het forensisch onderzoek vast dat de verdachte met een veel hogere snelheid heeft gereden dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 60 kilometer per uur. Uit de gegevens van de Event Data Recorder volgt een indicatieve geregistreerde snelheid van 129,43 kilometer per uur vijf seconden voor het ongeval, tot aan 135,78 kilometer per uur één seconde voor het ongeval. Tijdens het ongeval zou het voertuig met een indicatieve geregistreerde snelheid hebben gereden van 98,38 kilometer per uur. Deze snelheden zijn eveneens passend bij de aangetroffen sporen op het wegdek, de aangetroffen sporen op beide bomen en de aangetroffen sporen op de personenauto. De verdachte heeft door het rijden van deze snelheden niet voortdurend de controle over de auto gehad, waarna hij met hoge snelheid in een bocht naar rechts in een driftbeweging is gekomen, de auto van de weg in de linker berm is geraakt en hij daarna tegen twee bomen is aangereden.
De verdachte heeft verklaard dat hij de situatie ter plaatse goed kende, omdat hij vaker naar de dijk in Ossenisse ging. Hij wist dat er op deze weg veel bochten en veel bomen aanwezig zijn en dat het wegdek niet verlicht is. Desondanks heeft de verdachte met vorengenoemde snelheden, in ieder geval kort voor het ongeval, over de Grindweg naar Hontenisse gereden.
Naar het oordeel van het hof kunnen bovengenoemde gedragingen in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in artikel 6 WVW te wijten is. Dat kan anders zijn indien omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit volgt dat de verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde, en aldus van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW niet kan worden gesproken. De verdediging heeft in dat kader het alternatief scenario naar voren gebracht dat de verdachte vlak voor het ongeluk onwel is geworden en last heeft gehad van bewustzijnsverlies.
Bij de beoordeling van een alternatief scenario wordt het toetsingscriterium gevormd door de vraag of het naar voren gebrachte alternatief scenario aannemelijk is geworden. In dat kader overweegt het hof het volgende.
De verdediging heeft ten aanzien van het gestelde bewustzijnsverlies onder meer naar voren gebracht dat de verdachte zich niets kan herinneren van het verkeersongeval en dat hij een medische voorgeschiedenis heeft van onverklaarbare bloedneuzen die gepaard gaan met duizeligheid.
In eerste aanleg is onderzoek gedaan naar de medische voorgeschiedenis van de verdachte. Uit informatie van de huisarts is gebleken dat de verdachte twee keer in de praktijk is geweest voorafgaand aan het ongeval, te weten op 27 januari 2020 en op 10 mei 2021, omwille van klachten van neusbloedingen. De huisarts heeft geconstateerd dat er geen noodzaak was om naar een specialist te gaan.
Forensisch arts [deskundige] van het Nederlands Forensisch Instituut heeft op 21 juli 2023 geschreven dat de verdachte een blanco medische voorgeschiedenis heeft, hij geen medicijnen gebruikte, hij geen aandoeningen had die de rijvaardigheid beïnvloeden en uit bloedonderzoek niet is gebleken van afwijkingen die de neusbloedingen of een hersenbloeding zouden kunnen verklaren. De kans dat de verdachte voorafgaand aan het ongeval een ‘spontane’ hersenbloeding zou hebben gehad is, mede gezien zijn leeftijd, uiterst gering. De omstandigheid dat bij de verdachte op de CT-scan een beperkte bloeding binnen de schedel is gezien, te weten bloed onder het harde hersenvlies (subduraal bloed) aan de rechterzijde bij het achterhoofd/zijwaarts, is goed te verklaren als gevolg het ongeval en het botsend geweld tegen het hoofd waarbij ook de aangezichtsbreuken zijn veroorzaakt. De beperkte bloeding die werd gediagnostiseerd was derhalve meest waarschijnlijk traumatisch van origine en te zien als gevolg van het ongeval.
Het hof ziet in deze conclusies van de forensisch arts en de overige medische gegevens geen grond om het gestelde bewustzijnsverlies bij de verdachte aannemelijk te achten. Er kan derhalve geen medische oorzaak aannemelijk worden geacht als oorzaak van het ongeval. Het hof kan die medische oorzaak ook niet aannemelijk achten op grond van het gegeven dat het onlogisch en onnatuurlijk is om niet te remmen vlak voor een ongeval en dat derhalve het wel zo geweest moet zijn dat de voet van de verdachte door het onwel worden het gaspedaal harder heeft ingedrukt.
Het hof overweegt dat het forensisch onderzoek tevens erop wijst dat de verdachte tijdens het ongeval bij bewustzijn moet zijn geweest. Allereerst heeft de Event Data Recorder hoge indicatieve snelheden vastgesteld waarbij van vijf seconden tot aan één seconde voor het ongeval de snelheid nog werd verhoogd van 129,43 kilometer per uur naar 135,78 kilometer per uur. Vervolgens is in de laatste seconde voor het ongeval een snelheidsvermindering te zien van bijna 40 kilometer per uur naar een snelheid van 98,38 kilometer per uur. Die omstandigheid wijst naar het oordeel van het hof erop dat de verdachte moet hebben geremd om een dergelijke snelheidsvermindering te bewerkstelligen. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat het niet aannemelijk is dat een dergelijke snelheidsvermindering in het korte tijdsbestek van één seconde alleen het gevolg kan zijn door het rijden over de berm en dus een andere ondergrond dan het wegdek.
Daarnaast is op het wegdek een bandspoor aangetroffen met de uiterlijke kenmerken van een driftspoor. Een driftspoor ontstaat wanneer een wiel onder een zekere drifthoek beweegt terwijl er nog in meer of mindere mate sprake is van een gecontroleerde voertuigbeweging. Dit bandspoor is door [verbalisant] passend geacht bij het scenario dat de verdachte met een te hoge snelheid alsnog de bocht probeerde te halen, hetgeen wijst op een bewuste stuurbeweging. Bij die mate van controle past niet de mogelijke optie van de verdediging dat de bijrijder aan het stuur heeft getrokken, zodat het hof dat niet aannemelijk acht.
Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof het niet aannemelijk dat vlak voor of tijdens het ongeval bij de verdachte sprake is geweest van onwel worden en bewustzijnsverlies. Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging strekkende tot het beroep op verontschuldigbare onmacht. Naar het oordeel van het hof dient het rijgedrag van de verdachte zoals hiervoor is vastgesteld als zeer onvoorzichtig te worden aangemerkt. Het daardoor ontstane verkeersongeval waarbij [slachtoffer] is overleden, is dan ook te wijten aan de schuld van de verdachte in de zin van artikel 6 WVW.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren. Daarbij heeft de advocaat-generaal rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zijn (schuldbewuste) houding gedurende het strafproces en de gevolgen van het bewezenverklaarde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een straftoemetingsverweer gevoerd en heeft het hof verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn blanco strafblad en de gevolgen van het bewezenverklaarde feit voor de verdachte. De raadsman heeft het hof verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen en heeft gesteld dat hij de vordering van de advocaat-generaal redelijk acht.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen sancties gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij op 30 juli 2021 te Ossenisse met de door hem bestuurde auto een eenzijdig verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij de bijrijder [slachtoffer] , een jonge man die vader was van een jong kind, om het leven is gekomen. De verdachte heeft zeer onvoorzichtig gereden door met een snelheid van 129 tot 135 kilometer per uur op een weg te rijden waar een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur geldt. De auto is daardoor in een bocht in een driftbeweging gekomen en van de weg afgeraakt, waarna deze tegen twee bomen aan is gereden. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. In deze oriëntatiepunten wordt bij het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 bij ‘ernstige schuld’ als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren genomen.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 september 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Daarnaast heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij als gevolg van het verkeersongeval nog diverse gezondheidsklachten heeft. Daardoor is het voor hem niet meer mogelijk om, zoals hij eerst wenste, sportleerkracht te worden. De verdachte is inmiddels afgestudeerd in de sector BSO (beroepssecundair onderwijs).
Door het verkeersongeval is de verdachte zijn beste vriend verloren en het hof ziet dat de verdachte het daarmee erg moeilijk heeft. De verdachte lijdt er nog iedere dag onder. De verdachte heeft verklaard dat hij psychologische hulp na het verkeersongeval heeft geweigerd, omdat dit hem niet heeft kunnen helpen. Hij verklaarde steun te hebben gevonden in zijn geloof. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij goed contact heeft met de nabestaanden van [slachtoffer] .
In bovengenoemde persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof aanleiding om ten voordele van de verdachte af te wijken van de LOVS-oriëntatiepunten en aan hem geen gevangenisstraf op te leggen.
Alles afwegende acht het hof, in navolging van de vordering van de advocaat-generaal, een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis passend en geboden. Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid acht het hof het passend en geboden om tevens een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen op te leggen voor de duur twee jaren.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende.
De verdachte is op 8 oktober 2021 voor het eerst als verdachte door de politie gehoord. De rechtbank heeft vervolgens op 21 februari 2024 vonnis gewezen. Aldus is niet binnen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM vonnis gewezen en is die termijn in eerste aanleg met vier en een halve maand overschreden. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen is het hof niet gebleken.
Wat betreft de daaraan te verbinden gevolgen, zal het hof de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de passend en geboden geachte taakstraf zal verminderen met in totaal 20 uren.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
80 (tachtig) dagen hechtenis;
ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
2 (twee) jaren.
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. S. Riemens en mr. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,
en op 2 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.