AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep diefstal en verduistering door misbruik bankpas en verkoop goederen
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor meervoudige diefstal en verduistering van geld en goederen van zijn schoonouders in de periode van januari 2021 tot januari 2023. Hij maakte zonder toestemming gebruik van de bankpas en pincode van zijn schoonvader, verrichtte talrijke pintransacties en online aankopen, en verkocht zonder toestemming waardevolle verzamelingen en sieraden.
Het hof baseerde de bewezenverklaring op verklaringen van de benadeelden, bankafschriften, bestellingen bij internetwinkels, getuigenverklaringen en de deels bekennende verklaringen van de verdachte zelf. De verdediging voerde aan dat toestemming was gegeven door de schoonmoeder, maar dit werd door het hof niet aannemelijk geacht. Het hof oordeelde dat het ontbreken van ondervraging van de benadeelden geen onrechtvaardig proces opleverde.
De verdachte kreeg een gevangenisstraf van 3 maanden onvoorwaardelijk opgelegd, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van het misbruik van vertrouwen en de financiële schade. De vordering tot schadevergoeding van €15.000 aan materiële schade werd toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente. De verdachte werd tevens veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding aan de Staat, met een gijzelingstermijn als dwangmiddel.
De strafrechtelijke veroordeling en de civielrechtelijke schadevergoeding weerspiegelen de ernst van het misbruik van kwetsbare ouderen en het financiële nadeel dat zij leden door het handelen van de verdachte.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf en betaling van €15.000 schadevergoeding wegens diefstal en verduistering.
Uitspraak
Parketnummer : 20-003194-24
Uitspraak : 3 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 19 november 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-128489-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter integraal zal bevestigen.
Namens verdachte is primair integrale vrijspraak van de tenlastegelegde feiten bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorts is verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat :
1. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 20 januari 2023 in de gemeente Echt-Susteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het/deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door
- met een bankpas van die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] met bijbehorende pincode te pinnen, en/of
- met de bankgegevens van die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] goederen (online) te betalen en/of
- geld over te boeken van die rekening van die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] naar een andere rekening,
tot het gebruik waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren;
subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 20 januari 2023 in de gemeente Echt-Susteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk geld verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) anders dan door misdrijf, te weten als belangenbehartiger(s) van voornoemde [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] [benadeelde 2] , onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;
2. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 20 januari 2023 in de gemeente Echt-Susteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer goed/goederen, te weten sieraden en/of een muntencollectie en/of (onderdelen van) een miniaturencollectie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) goed/goederen verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf onder zich had(den), te weten als houder (met de bedoeling om dat goed/die goederen gezamenlijk en in overleg met die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] te verkopen), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1. hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2021 tot en met 20 januari 2023 in Nederland geldbedragen, die aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door
- met een bankpas van die [benadeelde 1] met bijbehorende pincode te pinnen, en
- met de bankgegevens van die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] goederen (online) te betalen en
- geld over te boeken van die rekening van die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] naar een andere rekening,
tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet gerechtigd was;
2. hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2021 tot en met 20 januari 2023 in Nederland, opzettelijk goederen, te weten sieraden en een muntencollectie en een miniaturencollectie, toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , en welke goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. In het bijzonder is het hof, met de politierechter, de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte de feiten tezamen en in vereniging met een of meer anderen heeft gepleegd.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 20 januari 2023 (pg. 74-77), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde 1] :
Ik doe aangifte van diefstal van geld tegen mijn schoonzoon (het hof begrijpt: [verdachte] ). Mijn schoonzoon heeft op enig moment de beschikking over mijn pinpas en pincode gekregen. Mijn schoonzoon heeft mijn pinpas onrechtmatig gebruikt. Ik heb hem hier geen toestemming voor gegeven. Tevens heeft mijn schoonzoon goederen van mij verkocht. Hiervoor heeft hij van mij geen toestemming gegeven (het hof begrijpt: gekregen).
Ik spaarde miniatuurautootjes. Ik had zeker een paar duizend autootjes. Hiervan waren er ook veel echte collectors items. De meeste autootjes hadden een waarde tussen de 50 en 100 euro maar enkele ook 200 of 300 euro. Mijn schoonzoon heeft mij zelf verteld dat hij de autootjes heeft verkocht.
Van 9 maart 2021 tot 1 april 2021 werd ik met spoed opgenomen in het ziekenhuis. Ik woonde destijds met mijn vrouw zelfstandig. Vanaf het moment dat ik opgenomen werd, is mijn vrouw bij mijn dochter gaan wonen. Mijn vrouw is slechthorend en slechtziend en kon daardoor niet zelfstandig wonen. Mijn schoonzoon heeft toen tegen mijn vrouw gezegd dat hij alles zou regelen. [verdachte] , mijn schoonzoon, zei tegen mijn vrouw dat hij mijn identiteitsbewijs en mijn pinpas nodig had om alles te regelen. Mijn vrouw heeft dit toen ook afgegeven. Op 1 april 2021 ben ik in het verzorgingstehuis gaan wonen. Op 30 juli 2021 kwam mijn vrouw hier ook wonen.
In de tijd dat mijn vrouw bij onze dochter en schoonzoon woonde, is mijn vrouw niet
meer in de woning geweest. Mijn schoonzoon is toen wel enkele malen in de woning
geweest. Ik had tegen [verdachte] , mijn schoonzoon, gezegd dat als hij spullen wilde verkopen, dat hij dit met mij moest overleggen. Ik wilde dat hij dit met mij zou overleggen omdat ik de waarde wist van goederen en hij niet. [verdachte] is geen enkele keer komen vragen voor welk bedrag hij dingen moest verkopen.
Mijn vrouw is voordat ze naar het verzorgingstehuis kwam in de woning geweest met
[verdachte] . Het viel mijn vrouw toen op dat er veel spullen weg waren. Toen mijn vrouw [verdachte] hiermee confronteerde, zei hij dat hij dit verkocht had.
Ik had ook een collectie zilveren munten. Ik schat dat deze ongeveer 50 euro per stuk
waard waren. Ik had drie complete series rijksmunten. Deze zaten in een speciaal doosje en waren helemaal nieuw. Ik had ook nog een deel losse zilveren munten. Ik denk dat ik ongeveer 100 munten had.
[verdachte] heeft ook onze beide trouwringen, gouden armband, gouden ringen, gouden ring met een blauwe steen en broches verkocht. De sieraden lagen nog in ons oude huis. Onze maatschappelijk werkster heeft op 6 december 2022 met onze dochter gebeld om te vragen of we de sieraden terug mochten. [medeverdachte] , onze dochter, heeft toen gezegd dat ze deze sieraden niet meer hadden en dat ze het goud hebben verkocht.
Op 4 november 2022 belde mijn broer naar mijn afdeling om door te geven dat de notaris naar [adres 2] zou komen voor het ondertekenen van enkele documenten. Hiervoor hadden we mijn identiteitsbewijs nodig. Dit ging over een erfenis van een overleden oom, de heer [betrokkene 1] . We kregen ieder jaar een bedrag van de erfenis overgemaakt. Tussen 4 en 10 november 2022 heeft mijn broer gebeld met mijn dochter om door te geven dat de notaris naar [adres 2] zou komen. Mijn broer heeft toen tegen mijn dochter gezegd dat ze mijn identiteitskaart moest brengen omdat ik die nodig had, en dat ik zelf moest tekenen. Op 10 november 2022 belde mijn dochter naar de afdeling om te zeggen dat ze mijn identiteitskaart niet af wilde geven omdat ze deze nodig hadden om dingen te regelen.
Op 22 november 2022 ging mijn vrouw boodschappen doen bij de [bedrijf 1] in Echt. Toen ze de boodschappen wilde betalen ging dit niet. Ze kreeg toen de melding dat er geen saldo was. Dit was niet mogelijk. Ik en mijn vrouw hebben samen één gezamenlijke betaalrekening en één gezamenlijke spaarrekening. Mijn vrouw heeft haar eigen pasje en mijn pasje was in het bezit van [verdachte] . Toen we naar onze rekening gingen kijken, zagen we dat we in het rood stonden. We stonden toen 500 euro in het rood. We zagen toen dat er ook geld van de spaarrekening was. Er stond namelijk iets van 12.000 euro op. Op 1 januari 2022 stond er nog maar maar 1500 euro op. Inmiddels staat er nog maar 80 cent op. Wij hebben geen overlijdensverzekering. Hiervoor hadden we onze spaarrekening.
Ik overhandig u de bankafschriften van 01-01-2020 tot en met 01-06-2022 en van
01-06-2022 tot en met 30-11-2022. In de afschriften is te zien dat er veelvuldig
gepind is bij diverse winkels. Ook is er meerdere malen getankt met mijn pas. Ik heb
geen auto en mijn vrouw ook niet, dus wij hoeven niet eens te tanken. Ook is er vaak
betaald bij de [bedrijf 2] . Wij hoeven niets meer te verbouwen. Mijn schoonzoon heeft veelvuldig gebruik gemaakt van mijn rekening zonder mijn toestemming. Ook hebben ze veel goederen van ons verkocht.
Nadat de pinpas geblokkeerd was, heeft de schoonzoon de pinpas en de Raboreader terug gebracht omdat "hij er toch niets meer mee kon".
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 januari 2023 (pg. 87-89), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op zondag 22 januari 2023 nam ik, verbalisant, telefonisch contact op met [getuige] . [getuige] betreft de broer van de aangever [benadeelde 1] . [getuige] is tot de tijd dat de bewindvoering en het mentorschap in aanvraag is, het aanspreekpunt namens de aangever. Ik hoorde dat [getuige] zei dat hij aanwezig was geweest tijdens het opnemen van de aangifte. Ik hoorde dat [getuige] zei dat onder andere [betrokkene 2] , werkzaam als maatschappelijk werkster, ook aanwezig was bij het opnemen van de aangifte.
Ik hoorde dat [getuige] zei dat de aangever [benadeelde 1] van 9 maart 2021 tot 1 april 2021 opgenomen was in het ziekenhuis, zoals vermeld in de aangifte van de aangever [benadeelde 1] .
Desgevraagd hoorde ik dat [getuige] zei dat de pinpas van de aangever [benadeelde 1] in
deze betreffende periode in het bezit was gekomen van de schoonzoon van de aangever
[benadeelde 1] , genaamd [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte [verdachte] ). De schoonzoon zou aangegeven hebben dat hij bereid was om zaken namens de aangever [benadeelde 1] te regelen en daarvoor onder andere de pinpas en het legitimatiebewijs van de aangever [benadeelde 1] nodig had.
Ik, verbalisant, hoorde dat [getuige] zei dat in de bankafschriften van de aangever [benadeelde 1] te zien was dat er jaarlijks een schenking in de vorm van een geldbedrag namens de heer [betrokkene 1] werd overgemaakt op de bankrekening van de aangever [benadeelde 1] . Ik hoorde dat [getuige] zei dat de aangever [benadeelde 1] deze schenkingen altijd overboekte naar zijn spaarrekening. De aangever [benadeelde 1] zou geen uitvaartverzekering hebben en het geld op de spaarrekening zou bestemd zijn om de toekomstige uitvaart van de aangever [benadeelde 1] en zijn vrouw te bekostigen. Ik hoorde dat [getuige] zei dat ik in de bankafschriften van de spaarrekening van de aangever [benadeelde 1] kon zien dat er sinds 2020 geen geld meer was overgemaakt van de bankrekening naar de spaarrekening van de aangever [benadeelde 1] . Ik hoorde dat [getuige] zei dat er door de aangever [benadeelde 1] en zijn vrouw nooit aan iemand toestemming was verleend om geld van de spaarrekening over te boeken naar de betaalrekening.
Ik, verbalisant, zag in de door de aangever [benadeelde 1] aangeleverde bankafschriften dat op 29 februari 2020 een geldbedrag van 2200,-, op 21 januari 2021 een geldbedrag van 3200,- en op 27 mei 2022 een geldbedrag van 1500,- namens de heer [betrokkene 1] als schenking was overgemaakt op de bankrekening van de aangever [benadeelde 1] .
Voorts zag ik in de bankafschriften van de aangever [benadeelde 1] , dat de volgende
overboekingen vanaf de spaarrekening terug naar de betaalrekening van de aangever [benadeelde 1] overgeboekt waren:
- 28 april 2021 3000 euro
- 27 mei 2021 1200 euro
- 4 augustus 2021 1000 euro
- 30 augustus 2021 1000 euro
- 16 september 2021 1000 euro
- 30 september 2021 1000 euro
- 10 oktober 2021 1000 euro
- 22 oktober 2021 625 euro
- 20 november 2021 500,55 euro
- 11 december 2021 500 euro
- 10 januari 2022 300 euro
- 12 januari 2022 200 euro
- 19 februari2022 500 euro
- 17 maart 2022 250 euro
- 11 april 2022 150 euro
- 15 april 2022 50 euro
- 15 mei 2022 50 euro
Ik, verbalisant, vroeg aan [getuige] wat hij wist over de overschrijving van een geldbedrag van 3200 euro van de bankrekening van de aangever [benadeelde 1] , die op 31 maart 2021 met omschrijving ' [betrokkene 3] ' was gedaan. Ik hoorde dat [getuige] zei dat [betrokkene 3] de kleindochter van de aangever [benadeelde 1] was maar dat de aangever [benadeelde 1] en zijn vrouw nooit toestemming hadden verleend om zo'n groot geldbedrag over te maken naar de bankrekening van hun kleindochter [betrokkene 3] .
Ik hoorde dat [getuige] zei dat aangever [benadeelde 1] een zeer grote collectie had gehad van miniatuur landbouwvoertuigen en racewagens. Ik hoorde dat [getuige] zei dat de schoonzoon van de aangever tegen de aangever [benadeelde 1] had gezegd dat hij deze miniatuurcollecties namens de aangever wilde verkopen. De aangever [benadeelde 1] zou toen tegen zijn schoonzoon [verdachte] hebben gezegd dat de miniatuurcollecties alleen in overleg met hem verkocht mochten worden. Dit omdat de miniatuurcollecties duizenden euro's waard zouden zijn. Ik hoorde dat [getuige] zei dat de schoonzoon van de aangever [benadeelde 1] , genaamd [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte), de miniatuurcollecties zonder overleg met de aangever [benadeelde 1] voor een onbekend geldbedrag verkocht had.
Ik, verbalisant, vroeg aan [getuige] of de aangever [benadeelde 1] en zijn vrouw wel eens goederen bestelde via onder andere de internetsites [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] .
Ik hoorde dat [getuige] zei dat de aangever [benadeelde 1] en zijn vrouw nooit via deze
internetsites goederen bestelden.
Ik, verbalisant, vroeg aan [getuige] of de aangever [benadeelde 1] in het bezit was van een voertuig en met dit voertuig wel eens tankte. Ik hoorde dat [getuige] zei dat aangever [benadeelde 1] al jarenlang geen auto meer had. Ik deelde [getuige] mede dat in de bankafschriften te zien was dat er veelvuldig bij tankstations betaald was en dat er ook minimaal een keer bij de wasstraat [bedrijf 6] in Echt betaald was. Ik hoorde [getuige] zei dat de betalingen zoals vermeld in de bankafschriften van de aangever [benadeelde 1] , bij
tankstations en de wasstraat zonder toestemming van de aangever [benadeelde 1] gedaan waren. Deze betalingen zouden onrechtmatig door de schoonzoon van de aangever [benadeelde 1] , genaamd [verdachte] , gedaan zijn.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2023 (pg. 97-99), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 25 april 2023 was ik, verbalisant, in de woning van de aangever [benadeelde 1] , gelegen aan [adres 2] . Daar sprak ik met de aangever [benadeelde 1] , de vrouw van de aangever [benadeelde 1] genaamd [benadeelde 2] , de broer van de aangever [benadeelde 1] en tevens getuige genaamd
[getuige] en de maatschappelijk werkster van de aangever [benadeelde 1] .
Desgevraagd hoorde ik, verbalisant, dat de aangever [benadeelde 1] en zijn vrouw zeiden dat zij aan niemand toestemming hadden verleend om brandstof en of andere personenauto gerelateerde goederen aan te schaffen en deze te betalen met gebruikmaking van de pinpas van de aangever [benadeelde 1] .
Desgevraagd hoorde ik, verbalisant, dat de aangever [benadeelde 1] en zijn vrouw zeiden dat zij aan niemand toestemming hadden verleend om huisdieren en goederen voor huisdieren aan te schaffen en deze te betalen met gebruikmaking van de pinpas van de aangever [benadeelde 1] .
Desgevraagd hoorde ik, verbalisant, dat de aangever [benadeelde 1] en zijn vrouw zeiden dat zij aan niemand toestemming hadden verleend om goederen aan te schaffen via internetwinkels zoals [bedrijf 4] , [bedrijf 7] , [bedrijf 5] , [bedrijf 8] , [bedrijf 3] , [bedrijf 23] en dergelijke. Ik hoorde dat zij zeiden dat zij nooit toestemming hadden verleend om deze te betalen met gebruikmaking van de pinpas van de aangever [benadeelde 1] . Ik hoorde dat zij nooit hadden gevraagd om namens hun goederen via internetwinkels aan te schaffen.
Desgevraagd hoorde ik, verbalisant, dat de aangever [benadeelde 1] zei dat zijn zilveren munten collectie, uit drie complete series bestond. Ik hoorde dat de aangever [benadeelde 1] zei dat hij dacht dat elke serie ongeveer 150,- euro waard was. Ik hoorde dat de aangever [benadeelde 1] zei dat hij aan niemand toestemming had verleend om zijn muntencollectie te verkopen. Ik hoorde dat de aangever [benadeelde 1] zei dat hij nooit het geld van de verkoop van de zilveren munten had ontvangen.
Desgevraagd hoorde ik, verbalisant, dat de aangever [benadeelde 1] zei dat zijn collectie miniatuur voertuigen zeker enkele duizenden euro’s waard was. Ik hoorde dat de aangever [benadeelde 1] zei dat hij tegen zijn schoonzoon [verdachte] had gezegd dat hij de miniatuur voertuigen alleen in overleg en met zijn toestemming mocht verkopen. Ik hoorde dat de aangever [benadeelde 1] zei dat zijn schoonzoon [verdachte] had gezegd dat hij de miniatuur voertuigen had verkocht. Ik hoorde dat de aangever [benadeelde 1] zei dat hij daar geen toestemming voor had verleend en dat hij nooit het geld van de verkoop van de miniatuur voertuigen had ontvangen.
Desgevraagd hoorde ik, verbalisant, dat de aangever [benadeelde 1] en zijn vrouw zeiden dat zij nooit een boete van het Centraal Justitieel Incasso Bureau hadden ontvangen en deze hadden moeten betalen.
Vervolgens liet ik de foto's zien van de Black en Decker BDCDC18BAFC, het vetbed, het hondentuigje roze maat L, de professionele 2 zijdige ondervachtkam voor hond en kat, de groene bolderkar, de creme kleurige Deli Tire en de Schwalbe buitenband. Ik hoorde dat de aangever [benadeelde 1] en zijn vrouw zeiden dat zij deze goederen niet herkenden. Desgevraagd hoorde ik dat de aangever [benadeelde 1] en zijn vrouw zeiden dat zij nooit toestemming hadden verleend om deze goederen te betalen met gebruikmaking van de pinpas van de aangever [benadeelde 1] .
Ik, verbalisant, liet aan de vrouw van de aangever [benadeelde 1] de foto zien van de Etna KIV264RVS kookplaat. Ik hoorde dat de vrouw van de aangever [benadeelde 1] zei dat haar
schoonzoon [verdachte] deze had gekocht toen hij een nieuwe keuken had besteld. Ik hoorde
dat de vrouw van de aangever [benadeelde 1] zei dat zij geen toestemming had verleend om deze
kookplaat met gebruikmaking van de pinpas van de aangever [benadeelde 1] te betalen.
Ik, verbalisant, liet aan de aangever [benadeelde 1] en zijn vrouw de foto van het Philips S1332/41 scheerapparaat zien. Ik hoorde dat de vrouw van de aangever [benadeelde 1] zei dat dat het scheerapparaat van de aangever [benadeelde 1] was. Ik hoorde dat de vrouw zei dat zij dit scheerapparaat bij de winkel [bedrijf 9] had gekocht. Ik zag dat de vrouw van de aangever [benadeelde 1] opstond en de verpakking van het scheerapparaat pakte. Ik zag dat op de verpakking een Philips S3000 was afgebeeld. Ik zag dat deze qua uiterlijk veel overeenkwam met het scheerapparaat op de betreffende foto. Ik zag dat het type niet overeenkwam met het scheerapparaat op de foto.
Ik, verbalisant, liet aan de aangever [benadeelde 1] en zijn vrouw de foto zien van de sieraden. Deze foto had ik naar aanleiding van de vordering ontvangen van [bedrijf 10] . Ik zag dat de vrouw van de aangever [benadeelde 1] meteen naar het armbandje aan de linkerzijde op de foto wees. Ik hoorde dat de vrouw van de aangever [benadeelde 1] zei dat dat armbandje van haar was. Ik zag dat de vrouw van de aangever [benadeelde 1] naar de twee goudkleurige qua model gelijkende ringen wees. Ik hoorde dat de vrouw zei dat dat de trouwringen waren van haar en de aangever [benadeelde 1] . Ik zag dat de aangever [benadeelde 1] naar de ring met het steentje rechtsonder op de foto wees. Ik hoorde dat de aangever [benadeelde 1] zei dat hij zeker wist dat deze ring van zijn vrouw was. Ik vroeg aan de aangever [benadeelde 1] en zijn vrouw of zij de overige sieraden op de foto herkenden. Ik hoorde dat de aangever [benadeelde 1] en zijn vrouw zeiden dat de overige sieraden ook hun eigendom waren. Ik hoorde dat de aangever [benadeelde 1] en zijn vrouw zeiden dat zij geen toestemming hadden verleend om de sieraden op de foto te verkopen. Ik hoorde dat de aangever [benadeelde 1] en zijn vrouw zeiden dat zij geen geld van de verkoop van de sieraden hadden ontvangen.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 februari 2023 (pg. 90), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 20 februari 2023 ontving ik, verbalisant, naar aanleiding van de vordering verstrekking historische gegevens aan de [bank] , een bericht van een medewerker van de afdeling [bank] Fraude Monitoring & Requests FEC Fraude Telefoon. In dit bericht werd aangegeven welke bankpassen behoorden bij bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] op naam van [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] . In dit bericht stond dat bankpasnummer [nummer 1] op naam van [benadeelde 2] was gesteld. In dit bericht stond dat bankpasnummer [nummer 2] op naam van [benadeelde 1] was gesteld.
Op 23 februari 2023, nam ik, verbalisant, telefonisch contact op met een medewerker van de afdeling [bank] Fraude Monitoring & Requests FEC Fraude Telefoon. Desgevraagd hoorde ik dat deze medewerkster zei dat bij gebruik van de bankpas voorzien van het pasnummer [nummer 2] deze op de bankafschriften als pasnummer [nummer 2] weergegeven werd.
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 februari 2023 (pg. 151), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 20 februari 2023 ontving ik, verbalisant, van de [bank] de gevorderde gegevens van het bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] op naam van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Tevens maakten de genoemde personen ook gebruik van rekeningnummer [rekeningnummer 2] . Dit betrof de spaarrekeningnummer van genoemde personen. De ontvangen gegevens betroffen de bankafschriften van de bankrekeningnummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] .
6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 februari 2023 (pg. 91-94), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik, verbalisant, zag dat de navolgende betalingen waren uitgevoerd van bankrekening-nummer [rekeningnummer 1] , op naam van de aangever [benadeelde 1] , met gebruikmaking van pinpasnummer [nummer 2] , in de periode van 9 maart 2021, tot en met 1 december 2022. De onderstaande bedragen zijn de totaalbedragen die met de betreffende pinpas bij de desbetreffende instantie of persoon zijn betaald.
[betrokkene 4] , aanbetaling en aanschaf puppy 750 euro
[bedrijf 6] Echt 33,50 euro
[bedrijf 11] 125 euro
[bedrijf 12] (auto onderdelen) 81,79 euro
[bedrijf 13] in Sneek 1100 euro
[bedrijf 14] (auto onderdelen) 149,17 euro
[bedrijf 4] (In totaal bestelde goederen 1256,16 588,55 euro
Doorlopend abonnement 1 jaar select 9,99 euro
Geretourneerd in totaal 677,60 euro.)
[bedrijf 5] 388,25 euro
[bedrijf 15] (honden en kattenvoer) 54,95 euro
[bedrijf 16] (autobedrijf) 1902,30 euro
[incassobureau 1] 65,32 euro
[bedrijf 17] (dierenvoeding) 257,71 euro
[bedrijf 18] (autobedrijf) 482,79 euro
[bedrijf 19] (werkkleding) 408,61 euro
[bedrijf 20] (tankstation) 169,78 euro
[bedrijf 2] 59,97 euro
[bedrijf 2] Echt 452,83 euro
[bedrijf 2] Sittard 451,00 euro
[bedrijf 21] (Auto recycling) 510,00 euro
[pinautomaat 1] 360,00 euro
[pinautomaat 2] 240,00 euro
[pinautomaat 3] 300,00 euro
[pinautomaat 4] 250,00 euro
[pinautomaat 5] 1120,00 euro
[pinautomaat 6] 4780,00 euro
[pinautomaat 7] 120,00 euro
[pinautomaat 8] 710,00 euro
[pinautomaat 9] 320,00 euro
[incassobureau 2] (tav [verdachte] en [medeverdachte] ) 2000,00 euro
[bedrijf 22] 516,44 euro
[verdachte] (overboeking) 630,00 euro
[bedrijf 23] 345,98 euro
[bedrijf 24] (boxershorts) 44,98 euro
[bedrijf 7] 400,63 euro
[bedrijf 25] 232,66 euro
[bedrijf 26] (autoverhuur) 1043,00 euro
[bedrijf 27] 750,57 euro
[bedrijf 28] (tankstation) 130,55 euro
[bedrijf 29] 109,82 euro
[bedrijf 30] 771,98 euro
[bedrijf 8] 81,38 euro
[betrokkene 3] (bankrekening dochter verdachten) 3200 euro
[bedrijf 3] (In totaal bestelde goederen 264,55 euro
383,47 euro. Geretourneerd in totaal 118,92 euro)
7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2023 (pg. 184-187), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 8 maart 2023, ontving ik, verbalisant, de gevorderde gegevens van internetwinkel [bedrijf 4] . Ik zag dat de gevorderde gegevens verwerkt waren in een excelbestand. Voorts zag ik dat de volgende bestellingen waren gedaan bij internetwinkel [bedrijf 4] :
Bedrag: 22,36 euro, betaald van bankrekeningnummer IDEAL [rekeningnummer 1]
Telkens met de volgende gegevens:
Email adres: [e-mailadres]
Naam: [verdachte]
Telefoon: [telefoonnummer]
Bezorgadres: [adres 1]
8 . Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2023 (pg. 192-193), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 16 maart 2023, ontving ik, verbalisant, de gevorderde gegevens van internetwinkel [bedrijf 23] . Ik zag dat de beschrijving van de bestelde goederen vooral uit afkortingen en cijfers bestonden. Derhalve voerde ik deze beschrijvingen in op de internetsite [bedrijf 23] en of [website] . Op deze wijze kon ik lezen wat de bestelde goederen betroffen. Voorts zag ik dat de volgende bestellingen waren gedaan bij internetwinkel [bedrijf 23] :
16 april 2021
Goed: ODL32642H-DB- HD Black (betreft een LED televisie)
Bedrag: 132,99 euro
8 mei 2021
Goed: KIV264RVS (betreft een inductie kookplaat)
Bedrag: 299,00 euro
19 juni 2021
Goed: S1332/41 SHAVER 31 -ID (scheerapparaat)
Bedrag: 46,98 euro
Telkens met de volgende gegevens:
Emailadres: [e-mailadres]
Naam: [verdachte]
Telefoon: [telefoonnummer]
Bezorgadres: [adres 1]
9. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 maart 2023 (pg. 207-208), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 21 maart 2022, ontving ik, verbalisant, de gevorderde gegevens van internetwinkel [bedrijf 24] . Voorts zag ik de volgende gegevens:
Naam: [naam]
Emailadres: [e-mailadres]
Bezorgadres: [adres 3] , Nederland (het hof begrijpt: het oude adres van aangever)
Bestel datum en bedrag:
23 juni 2021 : 0,01 euro, verificatie kosten en levering gratis boxershort Quack.
23 juli 2021 : 9,99 euro, Boxershort Kimo, geleverd in augustus
23 augustus 2021 : 9,99 euro, Boxershort Yumo, geleverd in september.
10. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2023 (pg. 217-218), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 13 maart 2023, ontving ik, verbalisant, de gevorderde gegevens van internetwinkel [bedrijf 7] . Ik zag op het overzichtstabel van klantnummer [nummer 3] dat bestellingen zoals genoemd in de vordering betaald waren middels het bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] . Dit betreft de bankrekening van aangever [benadeelde 1] .
10 december 2021
Goed: Koffer diepvriezer
Bedrag: 135 euro. Voorafbetaling van de levering van totaal bedrag 454,05 euro.
Naam [betrokkene 3]
Bezorgadres: [adres 1]
11. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 maart 2023 (pg. 234), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 8 maart 2023, ontving ik, verbalisant, de gevorderde gegevens van internetwinkel [bedrijf 8] . Voorts zag ik dat de volgende bestellingen waren gedaan bij [bedrijf 8] :
Factuurdatum 22 december 2021:
Bestelde goederen:
- WE Fashion velours jurk met panterprint en ceintuur oranjebruin. Maat 170/176.
Totaalbedrag van 19,40 euro en middels Ideal betaald op 25 januari 2022.
Ik zag dat er in totaal voor een bedrag van 81,38 euro bij internetwinkel [bedrijf 8] was
besteld. Ik zag dat de bestelde goederen door [betrokkene 3] waren besteld en dat de
goederen bezorgd waren op het adres [adres 1]
12. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 april 2023 (pg. 263), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 22 april 2023, ontving ik, verbalisant, de gevorderde gegevens van [bedrijf 31] . Voorts zag ik dat de volgende goederen verkocht waren aan [bedrijf 31] :
9 september 2021:
- Verkoper: Dhr [verdachte]
- Identificatie: Nederlands rijbewijs [documentnummer]
- Geboortedatum: [geboortedag] 1971
- Adres: [adres 1]
- Telefoonnummer [telefoonnummer]
- Email: [e-mailadres]
- Verkochte goederen: Munten
- Totaal bedrag: 525,- euro
Overgemaakt per bank: Hr. [verdachte] , bankrekeningnummer [rekeningnummer 3]
Verkoper verklaarde dat hij de rechtmatige eigenaar van de bovenvermelde goederen en
handelingsbekwaam was. Door de koper en verkoper werd een handtekening geplaatst.
Betrokken Rechtspersoon
Naam: [bedrijf 31]
Adres: [adres 4]
Postcode plaats: [adres 4]
Gemeente: Hoeksche Waard
13. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 april 2023 (pg. 271), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 22 april 2023 ontving ik, verbalisant, de gevorderde gegevens van [bedrijf 10] Voorts zag ik dat de volgende goederen verkocht waren aan [bedrijf 10] :
21 september 2021, te 09.44 uur:
- Verkoper: Dhr [verdachte]
- Identificatie: Nederlands rijbewijs [documentnummer]
- Geboortedatum: [geboortedag] 1971
- Adres: [adres 1]
- Telefoonnummer [telefoonnummer]
- Email: [e-mailadres]
- Verkochte goederen: Sieraden
- Totaal bedrag: 300,- euro
Overgemaakt per bank: [verdachte] , bankrekeningnummer [rekeningnummer 3]
Betrokken Rechtspersoon
Naam: [bedrijf 31]
Adres: [adres 4]
Postcode plaats: [adres 4]
Gemeente: Hoeksche Waard
14. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2023 (pg. 97-99), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Tijdens het onderzoek had ik via internet een aantal goederen opgezocht die bij diverse internetwinkels door de verdachte besteld waren.
Ik, verbalisant, zocht tijdens het onderzoek op de internetsite [bedrijf 4] , onder andere de bestelde bolderkar en fietsbanden op.
Ik, verbalisant, zocht tijdens het onderzoek op de internetsite [bedrijf 23] , onder andere de keramische kookplaat van het merk Etna op.
Ik, verbalisant [verbalisant] , probeerde tijdens het onderzoek op de internetsite [bedrijf 7] de bestelde koffer diepvriezer op te zoeken. Ik zag dat er meerdere koffer diepvriezers getoond werden.
Op 23 mei 2023 bevond ik, verbalisant, mij in de woning gelegen aan [adres 1] , in de gemeente Echt-Susteren. Daar keek ik in de woning en bijbehorende achtertuin zoekend rond.
Ik zag dat in de achtertuin van de woning een groene bolderkar stond en dat deze bolderkar overeenkwam met de bolderkar die via de internetwinkel [bedrijf 4] besteld was. Ik zag dat er in de betreffende achtertuin meerdere fietsen en een driewielerfiets ten behoeve van volwassen stonden. Ik zag dat de fietsen en de driewieler voorzien waren van fietsbanden. Ik zag dat twee fietsbanden overeenkwamen met de banden die via de internetwinkel [bedrijf 4] besteld waren.
Ik zag in de woning dat er op het aanrecht in de keuken een keramische kookplaat van het merk Etna stond. Ik zag dat deze kookplaat overeenkwam met kookplaat die besteld was bij [bedrijf 23]
In de losstaande schuur in de achtertuin van de woning zag ik dat er een grote koffer diepvriezer stond.
15. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Limburg, locatie Roermond, d.d. 19 november 2024, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Het is juist dat ik, in de periode van 1 januari 2021 tot en met 20 januari 2023 in de gemeente Echt-Susteren, meerdere malen transacties met de bankpas van mijn
schoonvader heb gedaan zonder dat ik hier toestemming voor had.
16. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 19 november 2025, voor zover inhoudende:
Ik heb niet van mijn schoonvader toestemming gehad om zijn pas van de en/of rekening te gebruiken. Hetzelfde geldt voor de verkoop van de spullen. We hebben het niet aan mijn schoonvader gevraagd. Met het geld van de spaarrekening wilde ik de betaalrekening op peil houden. Ik heb niets bijgehouden van wat ik heb gedaan met het geld.
17. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 mei 2023 (pg. 55-71), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [medeverdachte] :
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
O: Opmerking verbalisant
(p. 61)
V: Op 10 oktober 2021 is er vanuit de bankrekening van je schoonouders een bedrag van 375 euro overgemaakt naar [betrokkene 4] . In de omschrijving staat 'tnv puppy aanbetaling'. Vervolgens is er op 23 oktober 2021 wederom vanuit de bankrekening van je schoonouders een bedrag van 375 euro overgemaakt naar [betrokkene 4] . Je schoonouders hebben al jaren geen hond en jullie hebben een hond. Verklaar daar eens over.
A: Klopt. Dat hebben we ook van de pas van schoonvader betaald. Dat hebben we niet
gevraagd omdat we dachten dat storten we wel terug. Dat zouden we contant teruggeven
of door middel van kleding maar dat is niet gebeurd.
(p. 67-68)
V: Tijdens mijn onderzoek zag ik in de bankafschriften van bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] op naam van [verdachte] , dat er op 9 september 2021 een bedrag van 525,- euro was bijgeschreven. In de omschrijving stond 'Sittard'. Het bedrag was
overgemaakt door [bedrijf 31] . Verklaar daar eens over.
A: Dat is het bedrag van dat goud. Het waren sieraden die ze (het hof begrijpt: mw. [benadeelde 2] ) niet meer droeg of waar iets [kapot] van was. Het was de bedoeling dat er van de opbrengst iets nieuws werd gekocht maar dat is nog niet gebeurd. We zijn er twee keer geweest, voor de sieraden en de munten. We bedachten toen dat de munten in de toekomst minder waard werden en zodoende hebben we ze toen naar de goudhandel gebracht. Ik weet niet meer welk bedrag we ervoor kregen maar dat bedrag behoort schoonmoeder nog te krijgen.
V: Tijdens mijn onderzoek zag ik in de bankafschriften van bankrekeningnummer
[rekeningnummer 3] op naam van [verdachte] , dat er op 21 september 2021 een bedrag van 300,- euro was bijgeschreven, In de omschrijving stond 'Sittard'. Het bedrag was overgemaakt door [bedrijf 10] .
A: Het ene deel was de munten en het andere de sieraden.
V: Je hebt in september 2021 de miniaturen, sieraden en munten van je schoonouders
verkocht. Het is inmiddels mei 2023 en er is nog niets betaald aan je schoonouders.
Waarom heb je dat nog niet gedaan?
A: Omdat ik zelf de financiën nog niet op orde had. Iedere maand waren we gaten aan het vullen.
(p. 69)
V: Je schoonouders hadden op 28 april 2021 een bedrag van 12.325,55 op hun
spaarrekening staan. Omdat zij geen uitvaartverzekering hebben, was dit spaargeld ten
behoeve van de uitvaart als zij kwamen te overlijden. Op 15 mei 2022 stond er nog maar 0,78 euro op de spaarrekening van je schoonouders. Dit betekent dat er in totaal 12.324,77 euro van de spaarrekening was opgenomen. Je schoonouders verklaarden dat zij altijd alleen maar geld hadden overgemaakt naar de spaarrekening en nooit geld hadden overgeboekt van de spaarrekening. Zij hadden ook nooit aan iemand toestemming verleend om geld van de spaarrekening af te halen. Waarom hebben jullie die bedragen over gemaakt van de spaarrekening?
A: Onvoldoende saldo.
V: Moedwillig. Jullie hebben moedwillig de spaarrekening leeg gehaald.
A: Dat is wel het beste antwoord.
V: Jullie wilde het saldo op peil houden en daarom deden jullie dit.
A: Klopt. Om het te verdoezelen.
18. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 mei 2023 (pg. 26-39), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [medeverdachte] :
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
O: Opmerking verbalisant (als niet in pv of niet gebruikt wordt dan weglaten)
A: Ik ben getrouwd met [verdachte] .
V: Wie beheert en regelt in jullie huishouden de financiën?
A: Mijn man, [verdachte] .
V: Verklaar eens waar [verdachte] de pinpas van je vader voor gebruikt had?
A: Tanken en bij mijn weten pinnen zodat mijn moeder geld had voor de boodschappen. En misschien heeft hij een keer betaald toen we naar een wok-restaurant zijn geweest. Toen heb ik wel gezegd dat hij dat terug moest betalen . Ik weet niet of hij dat heeft gedaan.
V: Waarom gebruikte hij toen die pinpas van je vader in het restaurant?
A: We moesten toen nog loon krijgen, één dag later zou hij het geld terugbetalen.
V: Door wie werd het banksaldo en de bij- en afschrijvingen van de bankrekeningen van
je ouders in de gaten gehouden?
A: [verdachte] .
V: Op welke wijze werd dit gedaan?
A: Internetbankieren.
V: Na berekenen van alle betaalde en teruggestorte bedragen bleek dat er voor een bedrag
van 588,55 euro aan goederen besteld waren bij [bedrijf 4] en dat deze betaald waren van de bankrekening van je ouders. Deze bestelde goederen waren besteld op naam van [verdachte] , het gebruikte e-mailadres betrof [e-mailadres] bezorgd op jullie woonadres. De bestelde goederen bij [bedrijf 4] waren onder andere een schroefboor-machine, een magnetische stok met chips, een hondendeken, een hondentuigje, een honden of kattenborstel, een bolderkar, fietsenbanden en een autoradio. Je ouders hebben geen van deze goederen nodig of in gebruik. Verklaar daar eens over.
A: Daar weet ik echt niets van.
V: In totaal waren er voor een bedrag van 345,98 euro aan goederen besteld bij [bedrijf 23] en betaald van de bankrekening van je ouders. Deze goederen waren besteld op naam van [verdachte] , het gebruikte e-mailadres betrof [e-mailadres] en bezorgd op jullie adres. Verklaar daar eens over.
A: Ik moet u weer het antwoord schuldig blijven.
V: De bestelde goederen bij [bedrijf 23] waren (…) en een inductie kookplaat.
A: Ik ben met stomheid geslagen. Ik weet het echt niet.
V: We zijn vanmorgen in je woning geweest. We hebben de inductiekookplaat, de bolderkar, de fietsenbanden, een diepvrieskist gezien. Dit zijn goederen die besteld zijn van de rekening van je ouders. Verklaar daar eens over.
A: Ik kan daar niets over verklaren omdat ik niet wist dat dit betaald was van hun rekening.
A: Op een gegeven moment had mijn moeder haar pinpas zelf. Ze wilde ook zelf boodschappen doen. Het is een keer voorgekomen dat ze haar boodschappen niet kon betalen. Ze was bij de [bedrijf 1] en kon niet betalen. Een keer had ze niet genoeg geld op de rekening.
A: Ik had niet het beheer over het pasje van mijn vader. Dat had [verdachte] .
V: We zagen op de bankafschriften van je ouders dat er in de periode van 2 maart 2022 tot en met 18 augustus 2022 veelvuldig werd gepind met de pinpas van je moeder. Deze heeft als pasnummer [nummer 1] . Er werd vooral bij supermarkten, kledingwinkel en pinautomaten in Echt gepind. Je moeder was dus wel degelijk in staat om zelf te pinnen. Wat kun je hierover verklaren?
A: Dat klopt. Sinds ze in het verzorgingstehuis woont, is ze dat zelf gaan doen.
V: In de eerder benoemde periode, 9 maart 2021 tot en met 1 december 2022, is er voor een bedrag van 44,98 euro aan goederen besteld bij internetwinkel [bedrijf 24] en betaald van de bankrekening van je ouders. Deze goederen waren besteld op naam van [naam] , het gebruikte e-mailadres betrof [e-mailadres]
A: Daar kan ik niets over verklaren. Ik denk dat u allemaal dingen gaat benoemen waar
ik niets van weet.
V: Kan het zijn dat de boxershorts zijn besteld door [verdachte] voor hem zelf en dat hij die draagt?
A: Dat kan.
V: Hebben jullie boxershorts van [bedrijf 24] thuis?
A: Ja.
V: In de eerder benoemde periode zijn er bij internetwinkel [bedrijf 7] voor een bedrag van 400,63 euro aan goederen besteld bij internetwinkel [bedrijf 7] en betaald van de bankrekening van je ouders. Deze goederen waren besteld op naam van [medeverdachte] en bezorgd op jouw woonadres. Verklaar daar eens over.
A: Ik heb die bestelling niet gedaan.
V: De bestelde goederen bij [bedrijf 7] waren Comfort Jeans maat 54, Pullovers maat xl
Sokken, T-shirts en een koffer diepvriezer. Verklaar daar eens over.
A: Ik heb die bestellingen niet gedaan.
V: Wie heeft die bestellingen dan gedaan?
A: [verdachte] . Daar heeft hij mijn account voor gebruikt.
V: De bestelde koffer diepvriezer staat bij jullie in de garage.
V: Hebben je ouders toestemming gegeven voor de aanschaf van deze vriezer?
A: Weet ik niet.
A: Mijn vader had een grote verzameling miniaturen zoals tractoren en dergelijke. Deze
verzameling is verkocht.
V: En je vader?
A: Die wist het niet.
V: Dus die miniaturen, van je vader, zijn zonder zijn toestemming verkocht?
A: Dat klopt.
V: Je ouders hebben het geld van de verkoop van de sieraden en munten nooit ontvangen.
V: Wist je dat die munten en sieraden door [verdachte] zijn verkocht?
A: Ja.
V: Heb je er weet van gehad dat de pinpas van je vader werd gebruikt?
A: Ja, maar niet voor zulke bedragen
V: Heb je nooit in de gaten gehad dat er zoveel geld van de rekening werd gehaald?
A: Ik wist wel voor te tanken of een boodschap maar niet dit.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Namens de verdachte is verweer gevoerd ten aanzien van de tenlastegelegde feiten en is integrale vrijspraak bepleit. De raadsman heeft op gronden als in de pleitnota weergegeven, aangevoerd dat door mevrouw [benadeelde 2] , de schoonmoeder van de verdachte, telkens toestemming is gegeven voor de tenlastegelegde gedragingen. De verklaringen van de heer en mevrouw [benadeelde 1] , die het tegendeel beweren, worden betwist en de betrouwbaarheid daarvan aangevochten. Immers, de heer [benadeelde 1] leed voor zijn overlijden aan dementiële problematiek en mevrouw [benadeelde 2] kreeg en krijgt, mede als gevolg van haar slechte zicht en gehoor, verhalen vaak slecht of maar deels mee en maakt er geregeld haar eigen verhaal van. De moderne wereld gaat voor haar te snel.
De bewezenverklaring berust in beslissende mate op de verklaringen van de heer en mevrouw [benadeelde 1] , terwijl het ontbreken van toe- of instemming voor de door de verdachte verrichte gedragingen geen steun vindt in enig steunbewijs. Evenmin is er onderzoek gedaan naar de totstandkoming en de betrouwbaarheid van hun verklaringen en zijn er compenserende factoren in deze zaak. Aangezien de heer [benadeelde 1] inmiddels is overleden en de verdediging mevrouw [benadeelde 2] niet nader kan bevragen vanwege haar gezondheidsklachten, stelt de verdediging zich op het standpunt dat hun verklaringen moeten worden uitgesloten van het bewijs, hetgeen tot vrijspraak dient te leiden wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het uit artikel 6, derde lid, sub d, van het EVRM voortvloeiende ondervragingsrecht houdt het recht in om getuigen à charge te (doen) ondervragen, waarbij de verdachte een ‘adequate and proper opportunity’ moet worden geboden om ‘practical and effective’ deze getuigen te kunnen ondervragen, ter toetsing van diens ‘reliability’ en ‘credibility’. Dat recht is echter niet absoluut. Ook zonder een dergelijke ondervragingsgelegenheid kunnen belastende verklaringen voor het bewijs worden gebruikt zonder dat dan sprake is van een oneerlijk strafproces. Het gebruik van belastende verklaringen voor het bewijs is in overeenstemming met het in artikel 6, eerste lid, EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, mits voldaan wordt aan het door het EHRM ontwikkelde toetsingskader (vgl. EHRM (Grote Kamer) 15 december 2011, appl. Nos. 26766/05 & 22228/06, Al-Khawaja & Tahery vs. Verenigd Koninkrijk en EHRM (Grote Kamer) 15 december 2015, appl. No. 9154/10, Schatschaschwili vs. Duitsland). Dat toetsingskader houdt de drie volgende beoordelings-aspecten in, die met elkaar verbonden zijn en samengenomen bepalen of een procedure als geheel eerlijk is geweest:
1) bestond er een goede reden voor het ontbreken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid en bijgevolg voor het gebruik van de in het vooronderzoek afgelegde belastende, niet door de verdediging via een ondervraging getoetste, verklaring van de getuige voor het bewijs?
2) Is de veroordeling uitsluitend of in beslissende mate gestoeld op de verklaring van de belastende getuige (‘sole or decisive rule’)?
3) Is de verdediging in voldoende mate gecompenseerd voor het ontbreken van die effectieve en behoorlijke ondervragingsgelegenheid?
Toepassing van dit door het EHRM ontwikkelde toetsingskader op het onderhavige geval brengt het hof tot de volgende beoordeling.
Het hof stelt allereerst vast dat de aangever [benadeelde 1] en zijn echtgenote mevrouw [benadeelde 2] tegenover de politie voor de verdachte belastende verklaringen hebben afgelegd voor wat betreft het zonder hun toe- en/of instemming verrichten van de tenlastegelegde gedragingen door de verdachte.
Voorts stelt het hof vast dat de heer [benadeelde 1] inmiddels is overleden en dat uit de bevindingen van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij de rechtbank Limburg, en die van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij dit gerechtshof, blijkt dat ook mevrouw [benadeelde 2] niet meer nader kan worden ondervraagd. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook niet meer verzocht om haar als getuige te horen.
Ten aanzien van punt 2 van het toetsingskader stelt het hof vast dat de belastende verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] (voldoende) worden gesteund door andere bewijsmiddelen zoals de (deels bekennende) verklaringen van de verdachte zelf, zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, de processen-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , waaronder een overzicht van pintransacties van de rekening op naam van aangever [benadeelde 1] , alsmede de verklaringen van de echtgenote van de verdachte, mevrouw [medeverdachte] , die niet eensluidend heeft verklaard over de door verdachte geschetste gang van zaken, zoals hiervoor weergegeven in de bewijsmiddelen. De bewezenverklaring is derhalve niet in beslissende mate (“sole and decisive”) op de verklaringen van de aangever [benadeelde 1] en mevrouw [benadeelde 2] gebaseerd. Deze overige bewijsmiddelen ondersteunen daarmee ook de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .
De omstandigheid dat de verdediging aangever [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet als getuigen heeft kunnen ondervragen staat aldus niet in de weg aan het gebruik van de door hun afgelegde verklaring voor het bewijs. Het hof heeft zich bij voormelde beoordeling ervan vergewist dat met het voorgaande de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 vanPro het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘overall fairness of the trial’.
Het verweer wordt verworpen.
Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 primair
De bepleite vrijspraak vindt weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien.
De aangever [benadeelde 1] heeft verklaard dat hij nooit toestemming heeft gegeven aan de verdachte om met zijn bankpas te pinnen of om met gelden van zijn bankrekening spullen te kopen. Uit het dossier blijkt niet van het tegendeel. De stelling van de verdachte dat hij voor het gebruik van de pas met pincode van zijn schoonvader geen toestemming heeft gevraagd, omdat zijn schoonvader niet meer in staat zou zijn om deze te geven, wordt niet door enig objectief bewijsmiddel ondersteund. Het hof is van oordeel dat, gelet op de uitgebreide en gedetailleerde aangifte, er geen aanleiding is om aan te nemen dat de aangever in de bewezenverklaarde periode niet meer helder was.
De verdachte heeft verklaard dat hij gebruik heeft gemaakt van de pinpas met bijbehorende pincode, dat hij goederen heeft gekocht op rekening van de aangever en dat hij het spaargeld van de aangever heeft overgeboekt naar diens betaalrekening om de ontstane tekorten aan te vullen. Tevens heeft hij verklaard dat hij hiervoor toestemming van zijn schoonmoeder mw. [benadeelde 2] had gekregen, hetgeen werd gecommuniceerd via zijn echtgenote [medeverdachte] omdat zij het beste met haar moeder (in het Limburgs) kon praten via liplezen. Door voornoemde [benadeelde 2] is dit echter weersproken en ook zijn echtgenote heeft, expliciet daarnaar gevraagd, verklaard dat zij van de aanschaf van een aantal goederen of uitgaven/betalingen, niet wist dat deze via de en/of rekening van haar ouders verliepen. Daarbij komt dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat zijn schoonmoeder soms “de dingen niet helemaal begrijpt”.
De verdachte heeft op geen enkele wijze bijgehouden wat hij deed met de en/of betaalrekening van zijn schoonouders en heeft niets van de door hem verrichte handelingen op schrift gezet. Voor zover de verdachte heeft verklaard dat hij goederen voor hem of zijn gezin betaalde of uitgaven deed vanaf de en/of bankrekening van zijn schoonouders maar dat hij dit later zou “uitvlakken” (het hof begrijpt: rechttrekken), stelt het hof vast dat dit uitvlakken nimmer heeft plaatsgevonden.
Voorts is het hof gebleken dat de verdachte geen contante gelden hoefde te pinnen voor zijn schoonmoeder, zoals hij heeft aangevoerd, omdat zij in de bewezenverklaarde periode daartoe goed zelf in staat bleek te zijn.
Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 2
Ten aanzien van zijn miniatuurcollectie auto’s heeft de aangever [benadeelde 1] verklaard dat hij deze wel had willen verkopen maar alleen na overleg met hem, omdat hij de waarde van de miniaturen kende. Van enig overleg is nimmer sprake geweest. Ook heeft hij verklaard dat hij nooit toestemming heeft gegeven voor de verkoop van de muntenverzameling, alsmede, zo begrijpt het hof de aangifte, de collectie vliegtuigjes, treinen en militaire voorwerpen.
Voor zover de verdachte heeft verklaard dat zijn schoonmoeder wel toestemming voor de verkoop van deze collectie en de muntenverzameling heeft verleend, overweegt het hof dat zij niet eigenaar was van deze goederen. Bovendien is het geld van de verkoop door de verdachte ontvangen op zijn bankrekening dan wel cash en is de verkoopopbrengst nooit door hem aan de aangever overhandigd of overgemaakt.
Ten aanzien van de sieraden overweegt het hof dat aangever [benadeelde 1] heeft verklaard dat de verdachte de aan hem en [benadeelde 2] toebehorende gouden sieraden, waaronder hun beider trouwringen, heeft verkocht en dat hun maatschappelijk werkster hun dochter op 6 december 2022 heeft gebeld met de vraag of ze de sieraden weer terug mochten hebben. Hun dochter heeft toen gezegd dat ze de sieraden niet meer hadden en dat ze het goud hadden verkocht. Dit vindt steun in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2022 van verbalisant [verbalisant] , waaruit blijkt dat de aangever [benadeelde 1] en zijn vrouw tegenover de verbalisant verklaarden dat zij geen toestemming hadden verleend om de aan hen getoonde sieraden te verkopen. Hij hoorde dat de aangever [benadeelde 1] en zijn vrouw zeiden dat zij geen geld van de verkoop van de sieraden hadden ontvangen.
Dat er, zoals de verdachte verklaart, al dan niet door tussenkomst van zijn echtgenote [medeverdachte] , met [benadeelde 2] is gesproken om bepaalde sieraden om te smelten tot een nieuw sieraad voor haar en later, toen het omsmelten niet lukte, over de verkoop van de sieraden, is tegen de achtergrond van het vorenstaande naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk geworden. Het hof betrekt hierbij dat niet kan worden vastgesteld wanneer en voor welke sieraden die beweerdelijke toestemming dan door [benadeelde 2] zou zijn gegeven, waarbij het hof voorts gewicht toekent aan de omstandigheid dat de communicatie met [benadeelde 2] moeilijk verliep en dat zij, volgens de verdachte, de dingen niet altijd meer helemaal begreep en zijn eigen echtgenote, via wie de communicatie met zijn schoonmoeder kennelijk verliep, een verstandelijke beperking had. Bovendien is het geld uit de verkoop van die sieraden door de verdachte ontvangen op zijn bankrekening en is dit nooit aan het echtpaar [benadeelde 2] overhandigd of overgemaakt.
Al met al is het hof van oordeel dat de verklaring van de verdachte, inhoudende dat zijn schoonmoeder toestemming zou hebben gegeven voor de verkoop van de in de bewezenverklaarde genoemde goederen, niet aannemelijk.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde onder 1 primair en onder 2 heeft begaan.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
verduistering, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De politierechter heeft de verdachte terzake de feiten 1 primair en 2 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft bevestiging van deze strafoplegging gevorderd.
De verdediging heeft een straftoemetingsverweer gevoerd en daarbij aangegeven dat de verdachte enkel goed heeft willen doen en dat hij dom/naïef is geweest door de gemaakte afspraken met zijn schoonouders niet op papier te zetten. Het is nooit zijn intentie geweest om geld of spullen van zijn schoonouders te stelen. De gevolgen zijn voor de verdachte en zijn gezin ingrijpend geweest. Zo is er beslag gelegd, is de verdachte onder bewind gesteld en heeft hij een burn-out gekregen. Inmiddels heeft de verdachte weer werk en gaat het een stuk beter. De echtgenote van de verdachte en zijn dochter hebben geen passend afscheid kunnen nemen van hun vader en opa. De reclassering heeft geconcludeerd dat er sprake is van een laag recidiverisico en acht interventies of toezicht niet geboden. Verzocht wordt om te volstaan met het opleggen van een taakstraf, met eventueel daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich gedurende een periode van 2 jaar schuldig gemaakt aan diefstal van grote geldbedragen van zijn schoonouders door gebruik te maken van de bankpas en bijbehorende pincode van zijn schoonvader, terwijl hij daartoe niet gerechtigd was. Voorts heeft hij zonder uitdrukkelijke toestemming van zijn schoonvader, diens muntenverzameling en miniatuurcollectie auto’s, vliegtuigjes, treinen en militaire voorwerpen verkocht en de opbrengst daarvan in eigen zak gestoken en ook heeft hij de aan zijn schoonouders [benadeelde 1] en [benadeelde 2] toebehorende sieraden zonder hun toestemming verkocht en de opbrengst daarvan niet aan zijn schoonouders overhandigd.
Met zijn handelen heeft hij schaamteloos misbruik gemaakt van het vertrouwen van zijn kwetsbare schoonouders, die vanwege hun leeftijd en lichamelijke beperkingen juist hulp nodig hadden, maar ook van zijn kwetsbare echtgenote [medeverdachte] , die vanwege een verstandelijke beperking de gevolgen van het handelen van de verdachte niet goed kon inschatten en overzien. Hij heeft zijn schoonouders groot financieel nadeel berokkend. De verdachte heeft onder meer de spaarrekening, die bedoeld was voor de uitvaart van het echtpaar [benadeelde 2] , leeg gehaald om de betaalrekening aan te vullen waarmee hij weer spullen kocht of pinopnames deed. Het echtpaar [benadeelde 1] - [benadeelde 2] is door de hierdoor ontstane penibele financiële situatie onder bewind komen te staan.
De verdachte heeft naar het oordeel van het hof voor zijn handelen geen verantwoordelijkheid genomen en blijft volhardend in zijn stelling dat hij heeft gehandeld zonder kwade bedoelingen, terwijl nu jaren na dato er nog geen terugbetaling heeft plaatsgevonden.
Wat betreft de persoon van verdachte heeft het hof acht geslagen op het volgende:
het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 september 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake strafbare feiten door de strafrechter onherroepelijk veroordeeld is;
een de verdachte betreffend reclasseringsrapport d.d. 5 oktober 2023, waaruit volgt dat het recidiverisico wordt ingeschat als laag;
de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het opleggen van een taakstraf acht het hof, gelet op de ernst van de feiten en de enorme schade die de slachtoffers is toegebracht, niet passend. In hetgeen door de raadsman omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht, ziet het hof geen aanleiding om anders te beslissen.
Anders dan de politierechter en de advocaat-generaal ziet het hof, nu het recidiverisico als laag wordt ingeschat, geen aanleiding om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft via zijn bewindvoerder [bedrijf 32] te Brunssum in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 44.705,79 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Dit bedrag bestaat uit:
geleden schade wegens misbruik van de pinpas, diverse uitgaven en pinopnames ad in totaal € 39.274,87 en
de kosten van bewind na signalering financieel misbruik ad € 5.430,92.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep, toegewezen tot een bedrag van € 15.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2023. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard, met bepaling dat de benadeelde partij dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Op 20 juni 2025 heeft de bewindvoerder [bedrijf 32] zich namens de benadeelde partij in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Ter terechtzitting in hoger beroep is echter gebleken dat [benadeelde 1] reeds voor genoemde datum is overleden, waardoor de onderbewindstelling is geëindigd krachtens het bepaalde van artikel 1:448 vanPro het Burgerlijk Wetboek. Het hof is derhalve van oordeel dat het door [bedrijf 32] ingediende handhavingsformulier niet in rechte kan worden ontvangen.
Wanneer een benadeelde overlijdt nadat hij zich als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd, maar voordat er over de vordering is beslist, vererft een smartengeldclaim. Van de erfgenamen van [benadeelde 1] is echter geen handhavingsformulier ontvangen, zodat de voeging in hoger beroep van rechtswege voortduurt voor zover de vordering is toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Met de politierechter en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat op grond van de onderbouwing van de schadeposten in (de bijlagen bij) het voegingsformulier, het aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden tot een bedrag van € 15.000,00. Dit bedrag is naar het oordeel van het hof billijk en niet bovenmatig. Het hof wijst de vordering tot dit bedrag toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2023 tot de dag der algehele voldoening.
Ten aanzien van de proceskosten zal worden beslist als na te melden.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 15.000,00. De verdachte is daarvoor jegens (de erfgenamen van) het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan (de erfgenamen van) het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 311 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 3 (drie) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de (erfgenamen van de) benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 15.000,00 (vijftienduizend euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2023 tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de (erfgenamen van de) benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van (de erfgenamen van) het slachtoffer [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.000,00 (vijftienduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2023 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 110 (honderdtien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Hanssen, voorzitter,
mr. R.A.T.M. Dekkers en mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,
en op 3 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Voetnoten
1.Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de Politie Eenheid Limburg, zaakregistratienummer PL2300-2023064714, sluitingsdatum 26 juni 2023, pg. 1 tot en met 310. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.