ECLI:NL:GHSHE:2025:3510

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
20-001640-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak openlijke geweldpleging en veroordeling poging zware mishandeling met lifehamer

Op 6 januari 2022 vond te Vlissingen een incident plaats waarbij meerdere geweldshandelingen werden gepleegd. De verdachte werd primair vrijgesproken van openlijke geweldpleging, omdat het hof onvoldoende overtuigend bewijs vond dat hij dit feit had begaan.

Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte met een lifehamer opzettelijk en met kracht heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan het slachtoffer door hem in het gezicht te slaan. Deze poging tot zware mishandeling werd ondersteund door verklaringen, camerabeelden en medisch bewijs.

De verdediging voerde onder meer noodweer aan, maar dit verweer werd verworpen omdat het bewezen geweld plaatsvond voordat het slachtoffer de auto verliet. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar.

Het hof hield rekening met het justitiële verleden van de verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en het feit dat het geweld op een openbare plaats plaatsvond. De opgelegde straf weerspiegelt de ernst van het feit en dient tevens recidive te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van openlijke geweldpleging en veroordeeld tot taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf voor poging zware mishandeling.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001640-23
Uitspraak : 9 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 juni 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-257326-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
wonende te [adres]
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 en feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren.
De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een noodweerverweer gevoerd en in verband daarmee verzocht dat de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 6 januari 2022 te Vlissingen, in elk geval in Nederland, openlijk, te weten, aan de [plaats] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten de heer [slachtoffer 1] , door die [slachtoffer 1] :
- vast te pakken aan/bij het lichaam en/of
- te slaan tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam;
2.
hij op of omstreeks 6 januari 2022 te Vlissingen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan de heer [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met kracht) met een lifehamer in/tegen het gezicht heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 januari 2022 te Vlissingen, in elk geval in Nederland, de heer [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met een lifehamer in/tegen het gezicht te slaan.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het procesdossier staat genoegzaam vast dat op 6 januari 2022 te Vlissingen aan de [plaats] een incident heeft plaatsgevonden waarbij door betrokkenen over en weer geweldshandelingen zijn gepleegd. De verklaringen over de gebeurtenissen lopen echter sterk uiteen. Objectief bewijsmateriaal sluit de verschillende scenario’s die door de betrokkenen naar voren zijn gebracht over wat er zich op straat heeft afgespeeld niet uit. Alles overziende heeft het hof uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging gekregen dat de verdachte het hem onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 6 januari 2022 te Vlissingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan de heer [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met kracht) met een lifehamer tegen het gezicht heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, District Zeeland, Basdisteam Walcheren, registratienummer PL2000-2022019623, gesloten d.d. 30 april 2022, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] (brigadier van politie), doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 121 (digitale bestand 123 pagina’s). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. De inhoud van verklaringen is zakelijk weergegeven.
1.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 7 januari 2022 (p. 20-23), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 2] :
Plaats: [plaats] , Vlissingen.
Pleegdatum: tussen donderdag 6 januari 2022 20:00 uur en 20:15 uur.
Ik ben teruggereden naar de [straat] . Ik zag dat heel de familie bij hun auto stond. Ik deed mijn raam open om een foto te maken. Ik zei dat ik een foto ging maken van het kenteken. Ik stond met mijn auto naast hun auto. Ze wilde niet dat ik foto's ging maken. Mijn vader stapte uit en ging met de andere vader praten. Ze kwamen direct bij mijn deur staan, de broer van 19 jaar en die jongen van de aanrijding
(het hof begrijpt: de verdachte).
Ik zag dat er iets uitstak en iets glinsterde in zijn linkerhand. Dit leek op een veiligheidshamer. Toen ik de foto's ging maken had ik verteld dat ik aangifte zou doen. Ik merkte dat het toen escaleerde, doordat ze kort bij mijn deur kwamen staan. Die jongen van de aanrijding (
het hof begrijpt: de verdachte) was constant aan het dreigen om naar mij toe te lopen. Deze keer kwam hij heel hard naar mij toe gerend. Ik zat nog steeds in de auto aan de bestuurderskant met mijn gordel aan en het raam was open. Ik zie dat hij zich omdraait en ik voelde dat hij de hamer tegen mijn rechteroogkas sloeg. Ik voelde direct een pijnsteek in mijn oogkas. Ik voelde dat de hamer mij daar raakte. Ik zag dat hij iets in zijn hand had wat glinsterde toen hij mij ging slaan. Dit ding had hij in zijn linkerhand. Hij maakte met zijn linkerarm een onderhandse zwaaiende beweging met het glinsterende ding in zijn hand het raam in tegen mijn hoofd. Vervolgens rende hij naar achter richting mijn vader.
Ik voel direct dat het niet goed is. Ik raakte mijn hoofd aan en ik zag dat het bloedde. Ik voelde gelijk bloed voelde. Ik weet om te gaan met een stoot, maar dit voelde als echt een flinke klap. Ik zag dat in mijn auto op de bijrijdersstoel het hamertje lag.
Opmerking verbalisant:
De aangever heeft:
- bloed op zijn rechterslaap,
- opgezwollen oogkas en slaap,
- meerdere wondjes rondom zijn wenkbrauw,
- op zijn linkerhand bij de pink zie ik een klein wondje.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2022 (p. 36), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op donderdag 6 januari 2022, omstreeks 20.45 uur verscheen aan de balie van het politiebureau een man welke later genaamd bleek te zijn: [slachtoffer 2] , geboren [geboortedatum] 1992. [slachtoffer 2] verklaarde zojuist slachtoffer te zijn geweest van een mishandeling aan de [plaats] te Vlissingen. [slachtoffer 2] overhandigde mij een oranje kleurige lifehammer. [slachtoffer 2] deelde mij mede dat met de life-hamer was geslagen en dat hij de lifehammer in zijn auto had gevonden.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen beelden [plaats] d.d. 22 januari 2022 (p. 47-48), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op 8 januari 2022, omstreeks 14.40 uur zijn door mij, verbalisant [verbalisant 2] , de beelden
bekeken van de beveiligingscamera van de gemeente Vlissingen welke zich bevindt op de
[plaats] . Ik zag hierbij het volgende;
Op 6 maart
(het hof begrijpt: januari)2022, omstreeks 20.02 uur komt een personenauto aanrijden, komende vanuit de richting van de [straat] . Hij rijdt naar de geparkeerd staande auto’s welke tegenover de Albert Heijn ingang staan geparkeerd. De auto stopt vervolgens naast de geparkeerd staande auto's. Op het moment dat de auto stil staat komt er vanaf de trottoirzijde een persoon naar de auto lopen. Deze lijkt contact te maken met de bestuurder van de auto
(het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ). Tegelijkertijd stapt aan de passagierszijde een persoon uit het voertuig
(het hof begrijpt: de vader van [slachtoffer 2] )en deze loopt om de auto heen het trottoir op. Er lijkt nog een tweede persoon bij te komen bij de persoon die al aan de bestuurderszijde naast de auto staat. Als de passagier het trottoir op loopt gaan de personen die bij het bestuurdersportier stonden ook het trottoir weer op. Er staat dan even niemand naast het voertuig en de bestuurder zit nog steeds in het voertuig. De auto rijdt vervolgens nog een stukje naar voren, iets dichter richting het trottoir. Dan loopt er opeens een persoon vanaf het trottoir richting het bestuurdersportier. Deze maakt een zwaaiende beweging en lijkt uit te glijden en op de grond terecht te komen naast de auto. Deze staat weer op en lijkt bewegingen te maken richting de bestuurder in de auto. Daarna loopt deze persoon weer gehaast terug het trottoir op.
4.
De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 25 november 2025, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op 6 januari 2022 meerdere boze berichten heb gestuurd naar [slachtoffer 2] . Toen [slachtoffer 2] en zijn vader naar ons toe waren gereden, heb ik een lifehammer uit de auto gepakt.
5.
Een schriftelijk bescheid, te weten een beschrijving van het letsel d.d. 6 januari 2022 (p. 24-25) van GGD Zeeland, voor zover inhoudende als de bevindingen van een forensisch geneeskundige:
Datum/tijdstip incident: 06-01-2022
Naam en voornamen; [slachtoffer 2]
Informatie betrokkene: zat in de auto, raam naar beneden, slagen met veiligheidshamer. Tussen rechter slaap en rechter oog.
Letsel past bij informatie betrokkene.
Omschrijving letsel:
  • Pijnlijke zwelling rechter slaap
  • Twee bloedende wondjes met een diameter van 6 millimeter, met daarboven en daaronder een kleinere rode impressie
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 2:
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair vrijspraak bepleit van het onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde. Daartoe is – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte met een lifehamer letsel heeft toegebracht bij aangever [slachtoffer 2] . Het letsel van de aangever is waarschijnlijk ontstaan tijdens een worsteling tussen de verdachte en de aangever. De verdachte heeft weliswaar een lifehammer gepakt, maar heeft deze enkel richting de auto van aangever gegooid nadat de worsteling tussen de verdachte en [slachtoffer 2] geëindigd was. Op dat moment bevond zich niemand in de auto. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging, nu de verdachte zou hebben gehandeld uit noodweer omdat de verdachte eerst zou zijn geslagen.
Het hof overweegt als volgt.
De alternatieve verklaring van de verdachte, inhoudende dat de aangever het letsel heeft opgelopen tijdens een worsteling die buiten de auto heeft plaatsgevonden, vindt reeds weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen. Het hof ziet geen redenen om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de tot het bewijs gebezigde inhoud van de verklaring van aangever te twijfelen. Die verklaring, inhoudende dat aangever met een lifehammer is geslagen toen hij zich nog in zijn auto bevond, vindt steun in de beschrijving van de camerabeelden, het geconstateerde letsel dat volgens de geneeskundige verklaring past bij de door aangever beschreven toedracht, de verklaring van de verdachte dat hij een lifehammer heeft gepakt en het na de gebeurtenissen aantreffen van de lifehammer in de auto van aangever.
Het met kracht met een lifehammer ter hoogte van de slaap slaan van iemand is naar het oordeel van het hof een gedraging die naar de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is niet gebleken.
Voor zover er door de verdediging een beroep op noodweer is gedaan, behoeft dit verweer geen verdere bespreking nu het is gegrond op gebeurtenissen die zich zouden hebben afgespeeld nádat aangever zijn auto had verlaten. Het hof heeft hiervoor echter vastgesteld dat het bewezenverklaarde geweld door de verdachte al daarvoor heeft plaatsgevonden.
Het hof verwerpt de gevoerde verweren en acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich aan de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling schuldig heeft gemaakt.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft [slachtoffer 2] (met kracht) met een lifehammer tegen het gezicht geslagen. Door aldus te handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van voornoemde [slachtoffer 2] . In het algemeen veroorzaakt dergelijk handelen hevige gevoelens van onrust, angst en onveiligheid bij slachtoffers. Daar komt nog bij dat de verdachte het geweld heeft toegepast aan de openbare weg. Het hof rekent het de verdachte ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 1 oktober 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent gebleken dat de verdachte drie dagen per week in de zaak van zijn moeder werkt. De verdachte heeft hier zijn passie voor koken gevonden, en hoopt de zaak in de toekomst over te kunnen nemen. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij, vanwege een bedrijfsongeval dat in 2014 heeft plaatsgevonden, een WIA-uitkering ontvangt. De verhoudingen met aangever zijn nog niet hersteld, maar de verdachte vermijdt nieuwe confrontaties.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden is. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. A.C. van Campen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Beskers, griffier,
en op 9 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.