ECLI:NL:GHSHE:2025:3535

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
23/1316
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Teruggaaf van omzetbelasting bij invoer van een wedstrijdpaard door een buitenlandse paardensportbond

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 10 december 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van een in Qatar gevestigde paardensportbond, hierna te noemen belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De zaak betreft de weigering van de inspecteur van de Belastingdienst om teruggaaf van omzetbelasting te verlenen die door belanghebbende was betaald bij de invoer van een wedstrijdpaard. Belanghebbende had in 2018 omzetbelasting voldaan naar aanleiding van een uitnodiging tot betaling en verzocht om teruggaaf over het derde kwartaal van 2018. De inspecteur weigerde dit verzoek, wat leidde tot bezwaar en uiteindelijk beroep bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Belanghebbende stelde dat er een rechtstreeks verband was tussen de invoer van het paard en haar economische activiteiten, maar de rechtbank oordeelde dat belanghebbende dit niet voldoende had onderbouwd. In hoger beroep herhaalde belanghebbende haar standpunt, maar het hof concludeerde dat er geen recht op aftrek van de bij invoer geheven btw bestond. Het hof oordeelde dat de activiteiten van belanghebbende voornamelijk gericht waren op het behalen van kwalificatie voor de Olympische Spelen en dat de inkomsten voornamelijk afkomstig waren van subsidies, zonder dat er sprake was van belastbare economische activiteiten. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om teruggaaf van de omzetbelasting af. Daarnaast werd belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1316
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende]
gevestigd te Qatar
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 augustus 2023, nummer BRE 21/3191 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de Minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende heeft naar aanleiding van een uitnodiging tot betaling met datum 20 augustus 2018 omzetbelasting ter zake van de invoer van een paard voldaan.
1.2.
Belanghebbende heeft een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting ingediend over het derde kwartaal van 2018. De inspecteur heeft bij beschikking van 5 december 2019 besloten niet aan dit verzoek tegemoet te komen.
1.3.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [persoon 1] en [persoon 2] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.9.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is een in Qatar gevestigde nationale paardensportbond. Zij heeft in Nederland geen vaste inrichting.
2.2.
Belanghebbende houdt zich bezig met paardensport. Volgens de statuten van belanghebbende bestaan haar doelstellingen onder andere uit het ontwikkelen van de verschillende disciplines binnen de paardensport, het opleiden en creëren van topruiters in Qatar en het aldaar verbeteren van de voor de paardensport benodigde infrastructuur.
2.3.
Uit artikel 3 van de statuten van belanghebbende blijkt dat zij zich met diverse activiteiten bezighoudt:
“The Federation shall undertake the following terms of reference:
1. Develop policies and programs that achieve the dissemination of the equestrian and [A] in the country and raise its technical level within the framework of the policy and rules approved by the International Federation of the Sport.
2- Manage the affairs of the sport from all technical, administrative, and financial aspects.
3- Develop programs and organize competitions in which clubs and member bodies participate, supervise their implementation, and award titles and prizes.
4- Prepare the teams to represent the state in Olympic, international, continental, and regional sports competitions.
5- Prepare research and studies, organize training courses, and hold conferences necessary to spread and raise the level of the sport.
6- Approve the participation of clubs and sports bodies members of their teams in sports activities and tournaments, with foreign teams domestically and abroad.
7- Advise clubs and sports member bodies, and work to resolve the dispute that may arise between members in the affairs of the sport.
8- Represent Qatar in international sports conferences and meetings in relation to the sport and organize such conferences and meetings when they are held in Qatar .
9- Adopt the registration of riders and establish regulations for their transfers inside and
outside the country and regulate the affairs of professionalism within the framework of the
regulations of international federations.
10- Monitor compliance with the international rules and principles of the sport in accordance with the regulations of the International Federation of the Sport
11- Organize training, arbitration, auxiliary functions and setup appropriate requirements and qualifications for the recruitment of its staff.
12- Combat doping and sign the sanctions stipulated in the regulations and rules issued by the competent international bodies.
13- Work on the development of the financial resources of the Federation within the framework of the policy of the Committee and the laws of the State.
14- Compliance with the laws, instructions and other resolutions regulating the Sport issued by the International Federation.
15- Organize and supervising all sports competitions and activities in accordance with the regulations of the International Federation.
16- Encourage the use of decisions and rulings issued by the International Court of Arbitration for Sport (CAS) and ensure that the decisions and judgments issued will be legally binding on all members of the Federation.
Further definition of the terms of reference of the federation stipulates:
The [belanghebbende] and [A] is a sport federation with an independent moral personality established for the purpose of not obtaining a basic profit and exercising its legal powers according to this system.
The federation aims at organizing and managing the affairs of the sport among its members,
supervise and promote and raise the technical level of the sport within the limits of the law and regulations and rules decided by the International Federation of the Sport, (FEI) and the Federation is responsible for the activity of the game in the State of Qatar .”
2.4.
De doelstellingen van belanghebbende worden in de jaarstukken als volgt omschreven:
“The [belanghebbende] and [A] is a national sporting federation that does not primarily aim to make profit and is an autonomous body with a moral personality.
The Federation aims to:
• Manage equestrian and [A] sports in the State of Qatar from all aspects, and to work as it deems appropriate in order to regulate, promote, develop, and supervise these activities, all over the country, with full coordination and guidance of the Olympic Committee under the general controls of the International Equestrian Federation.
• Upgrade the status of the State of Qatar in equestrian sports and [A] , and achieving higher results in regional, continental, and international competitions.
• Spread the principles of integrity, ethics, fair play and fair competition.
• Strengthen ties of friendship and respect between Qatari players and officials and their counterparts in other countries through competitions in which they participate.
• Cooperate with the members and provide advice and consultation.
• Protect members' interests.”
2.5.
Met betrekking tot de reden van aankoop van het paard heeft belanghebbende een verklaring opgesteld waarin onder meer het volgende wordt opgemerkt:
“(…)
- His previous notable performances justify his selection as a candidate for the [belanghebbende] ( [belanghebbende] ) to purchase the horse as Qatar was seeking to achieve its first Olympic qualification. The pedigree of the horse speaks for itself. (…)
(…)
- Since his purchase, [B] represented Qatar in a total of 64 horse jumping competitions and shows in Qatar and around the world. His notable contribution was in February of 2014 at [C] as the Qatar National Horse Jumping Team achieved
Qatar ’s first Olympic qualification to the horse jumping finals of the 2016 Rio Olympic Games.
(…)”
2.6.
In 2018 waren volgens de jaarstukken de inkomsten van belanghebbende 35.950.544 QAR. Voor het grootste deel waren deze inkomsten afkomstig van het [naam comité] (hierna: [naam comité] ). Belanghebbendes inkomsten afkomstig van [naam comité] zijn in de jaarstukken onderverdeeld in [naam comité] Support Competitions, [naam comité] Support Payments, [naam comité] support Elite Project, [naam comité] Support (Settle Previous Payments), [naam comité] Support- Breeding Project en Horse Feed Payment. Het [naam comité] heeft als doelstelling het stimuleren van sport, het sponsoren en ontwikkelen van de Olympische beweging en het stimuleren en de ontwikkeling van sportprestaties in Qatar . Daartoe verstrekt het [naam comité] subsidies aan sportbonden.
2.7.
Belanghebbende heeft over de rol van het paard bij het verwerven van sponsoren onder meer het volgende verklaard:
“The present of [B] was not only a challenge for other riders to compete against the prestigious horse, but was also an incentive for commercial brands and companies to utilize the name of the horse as a platform for advertisement and marketing of their products and services.
This is why since 2014 sponsorships of [belanghebbende] events and activities have increased gradually in number and in value. By 2019, [belanghebbende] has no less than (5) such agreements with various sponsors including an agreement with a professional media outlet that adds much need revenues.
(…)
2.8.
Belanghebbende beschikt in Qatar over arena's met de daarbij behorende faciliteiten, inclusief 177 stallen, diverse rijbakken en andere faciliteiten. Op de locatie hiervan houdt belanghebbende evenementen voor de wereldtop van springpaarden.
2.9.
Belanghebbende verhuurt onroerend goed met cafés, restaurants, winkels voor paardentuig en -voer bij het stadion in [plaats 1] . Voorts verzorgt belanghebbende met haar zogenoemde Future Riding School trainingen en opleidingen voor talentvolle ruiters in Qatar . Belanghebbende beschikt eveneens over een team ruiters die onder meer in Nederland worden getraind op het terrein van [D] in [plaats 2] .
2.10.
Belanghebbende beschikt voorts over eigen springpaarden. Belanghebbende heeft in
2013 het paard [B] (het paard) voor een bedrag van € 12.100.000 aangekocht. Het paard heeft nadien aan diverse nationale en internationale wedstrijden deelgenomen. In 2017 heeft het paard een blessure opgelopen en is op 15 februari 2017 ingevoerd in Nederland om bij [D] te laten trainen en te herstellen.
2.11.
Naar aanleiding van de invoer van het paard heeft de Belastingdienst/Douane met dagtekening 20 augustus 2018 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (UTB) uitgereikt voor de invoer-btw ten bedrage van € 172.847,42. Daarnaast is tevens een bedrag aan invoerrechten opgelegd aan belanghebbende. Op 7 maart 2019 heeft de inspecteur van belanghebbende een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting van € 172.847 over het derde kwartaal van 2018 ontvangen. Dit verzoek is gedaan op grond van de Dertiende richtlijn (Richtlijn 86/550/EEG) en is door de inspecteur geweigerd.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is of de inspecteur de teruggaaf van de door belanghebbende ter zake van invoer verschuldigd geworden omzetbelasting terecht heeft geweigerd en meer specifiek of er een rechtstreeks en onmiddellijk verband is tussen de invoer van het paard en de belaste handelingen van belanghebbende, dan wel tussen de invoer van het paard en de algemene economische activiteit van belanghebbende.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de beschikking en tot verlening van de gevraagde teruggaaf van de betaalde omzetbelasting van € 172.847,42. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

4.1.
Op grond van artikel 15, lid 1, onderdeel c, onder 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB), kan een ondernemer de verschuldigde omzetbelasting ter zake van de invoer van voor hem bestemde goederen in aftrek brengen, voor zover de goederen worden gebruikt voor belaste handelingen. Ingevolge artikel 15, lid 2, onderdeel a, Wet OB is er voorts een recht op aftrek van omzetbelasting voor buiten Nederland verrichte handelingen van de als zodanig handelende ondernemer, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in Nederland zouden zijn verricht.
4.2.
Belanghebbende stelt dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de invoer van het paard en de belaste handelingen van belanghebbende aanwezig is, dan wel tussen de invoer en de algehele economische activiteit van belanghebbende. In hoger beroep stelt belanghebbende daartoe dat het paard met name is ingezet voor de volgende belastbare handelingen die zij tegen vergoeding heeft verricht:
- ontwikkeling van programma's ter verbreiding en verbetering van het niveau van de paardensport in Qatar ;
- het organiseren van competities/wedstrijden waarbij titels en prijzen te winnen zijn;
- maken van reclame voor sponsoren, en;
- het ontwikkelen van teams tot het niveau waarop zij Qatar kunnen vertegenwoordigen op de Olympische spelen en internationale competities op het hoogste niveau.
4.3.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende de kosten niet heeft gemaakt in haar hoedanigheid als ondernemer. De inspecteur stelt subsidiair dat belanghebbende met de door haar overgelegde bewijstukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband is tussen de invoer en bepaalde belaste handelingen, dan wel tussen de invoer en de algehele economische activiteit.
4.4.
De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende de door haar gestelde economische activiteiten niet met concrete stukken heeft onderbouwd en derhalve het recht op aftrek van de omzetbelasting geheven bij invoer niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank overweegt ter zake:
“5.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende – op wie de bewijslast rust – niet aannemelijk gemaakt dat de invoer-btw aftrekbaar is. De rechtbank overweegt daartoe dat belanghebbende hetgeen zij in dit verband heeft aangevoerd over haar gestelde economische activiteiten, niet met concrete stukken (die op die periode betrekking hebben) heeft onderbouwd. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden wat nu exact de organisatie van belanghebbende inhoudt en welke activiteiten gerelateerd aan de betalingen ontvangen van [naam comité] te duiden zouden kunnen zijn als (belaste) economische activiteiten. De rechtbank overweegt in dat kader dat de inkomsten van belanghebbende nagenoeg geheel bestaan uit betalingen ontvangen van [naam comité] (zie 3.2). De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat recht op aftrek zou hebben bestaan wanneer zij, zoals zij stelt, haar algehele activiteiten binnen Nederland had uitgevoerd. Ook anderszins heeft belanghebbende de door haar bepleite belaste handelingen en de relatie tot het paard, onvoldoende geduid. Gelet op voorgaande is niet aannemelijk gemaakt dat de invoer-btw rechtstreeks dan wel indirect met belaste activiteiten verband houdt. Het voorgaande leidt ertoe dat de inspecteur de aftrek van de invoer-btw op het paard terecht heeft geweigerd.”
4.5.
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat belanghebbende er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zij recht heeft op aftrek van de bij invoer geheven btw. Uit de stukken van het geding als vermeld in de punten 2.3 t/m 2.6 van deze uitspraak, volgt dat belanghebbende het paard voornamelijk heeft aangekocht om kwalificatie voor de Olympische Spelen af te dwingen. Dit doel is bereikt door met het paard veelvuldig en met succes deel te nemen aan wedstrijden. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende vergoedingen anders dan prijzengeld heeft ontvangen voor deelname aan wedstrijden met het paard. Zoals volgt uit het arrest Baštová van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU), kan de terbeschikkingstelling van het paard voor de deelname aan een wedstrijd niet worden beschouwd als een dienst onder bezwarende titel wanneer dit er niet toe leidt dat “deelnamegeld of een andere directe vergoeding wordt betaald” (HvJEU 10 november 2016, zaak C-432/15, Ba
štová, ECLI:EU:C:2016:855, punt 40). Ook anderszins heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de ter zake van de invoer geheven btw rechtstreeks is toe te rekenen aan andere activiteiten die wel recht geven op aftrek van btw. Zo heeft belanghebbende diverse sponsorcontracten afgesloten met internationale bedrijven, maar is het paard als zodanig niet ingezet voor reclamecampagnes van deze bedrijven, terwijl in de aan het hof overgelegde contracten ook geen voorwaarden zijn gesteld aan de inzet van het paard in dergelijke campagnes.
4.6.
Dat belanghebbende het paard heeft aangekocht om kwalificatie voor de Olympische Spelen af te dwingen, volgt overigens ook uit de omstandigheid dat de activiteiten van belanghebbende, waaronder de aankoop en inzet van het paard, voornamelijk worden bekostigd uit de bijdragen van het [naam comité] . Daarbij is duidelijk dat de bijdragen van het [naam comité] ook bedoeld zijn om kwalificatie voor de Olympische Spelen te bevorderen en de hippische sport te ontwikkelen. Niet aannemelijk geworden is echter dat deze bijdragen kunnen worden aangemerkt als vergoedingen voor door belanghebbende verrichte prestaties. Hoewel het [naam comité] periodiek controleert op welke wijze haar bijdragen zijn besteed, hebben de bijdragen veeleer het karakter van subsidies waar geen tegenprestatie van belanghebbende tegenover staat. Op basis van de overgelegde informatie kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een identificeerbaar voordeel (verbruik) door een individualiseerbare afnemer. Dit levert geen belastbare economische activiteiten van belanghebbende op waarop een recht op aftrek van ter zake van de invoer geheven btw valt te baseren. Een en ander betekent ook dat toerekening aan de algehele economische activiteit zoals belanghebbende subsidiair betoogt, niet aan de orde kan komen en dus niet kan leiden tot aftrek van de bij invoer geheven btw.
4.7.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat belanghebbende geen recht op aftrek heeft van de bij invoer geheven btw.
Tussenconclusie
4.8.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding
4.9.
Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil.
4.10.
Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien de rechtbank niet binnen twee jaar na die datum uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen. [1]
4.11.
Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure met bijna drie maanden is overschreden. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding.
4.12.
Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van drie maanden reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500.
Ten aanzien van het griffierecht
4.13.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. [2]
Ten aanzien van de proceskosten
4.14.
Nu aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de hoger beroep procedure wordt toegekend, vindt het hof aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 (punt) x € 907 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 226,75. [3]

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
  • veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
  • veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid in de kosten van het geding bij het hof van € 226,75.
De uitspraak is gedaan door W. de Wit, voorzitter, A. van Dongen en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van T. van Hout, als griffier.
De griffier, de voorzitter,
T. van Hout W. de Wit
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.
Deze uitspraak is in het digitale dossier geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift verzonden per aangetekende post.
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
2.Hoge Raad 31 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
3.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.