Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2025:3567

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
20-003002-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38v SrArt. 38z SrArt. 37a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis bedreiging en belaging met aanpassing bewezenverklaring

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, gepleegd tegen een politieambtenaar, en belaging. De rechtbank Limburg sprak de verdachte vrij van één feit, veroordeelde hem voor de overige feiten en legde een gevangenisstraf van 356 dagen op, met aftrek van voorarrest, en een maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (tbs).

De verdachte ging in hoger beroep, waarbij het hof het vonnis van de rechtbank bevestigde, maar de bewezenverklaring voor het feit van belaging verbeterde. Het hof stelde vast dat de verdachte in de periode van 13 augustus tot en met 5 september 2023 stelselmatig en opzettelijk de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer had geschonden door herhaaldelijk te bellen, WhatsApp-berichten te sturen en bij het slachtoffer langs te gaan.

De verdediging voerde aan dat de tbs-maatregel niet opgelegd mocht worden vanwege onvoldoende bewijs van een ziekelijke stoornis. Het hof verwierp dit verweer, stellende dat het gedrag van de verdachte in 2023 de eerdere rapportages bevestigt. De overige verweren van de verdediging werden eveneens verworpen. Het hof bevestigde het vonnis met de genoemde aanpassingen en aanvullingen.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank met verbetering van de bewezenverklaring en wijst het verweer tegen de tbs-maatregel af.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003002-24
Uitspraak : 11 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 5 november 2024 met parketnummer 03-236314-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 01-192267-22, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,
thans verblijvende in P.I. Sittard te Sittard.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde feit, de overige tenlastegelegde feiten bewezenverklaard, die gekwalificeerd als:
  • ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ (feit 1),
  • ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie’ (feit 2) en
  • ‘belaging’ (feit 4),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 356 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft tevens gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege wordt verpleegd. Voorts is een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opgelegd, inhoudende dat de verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en dat de verdachte zich gedurende vijf jaren niet zal bevindingen in [adres] , waarbij een vervangende hechtenis voor de duur van twee weken wordt toegepast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van ten hoogste zes maanden. De rechtbank heeft bevolen dat voornoemde maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Voorts is aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr opgelegd.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] is toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten, begroot op nihil.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] is toegewezen tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
15 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft de vordering voor het overige afgewezen. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten, begroot op nihil.
Ten behoeve van slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is tevens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De rechtbank heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 01-192267-22 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier maanden toegewezen.
Tot slot heeft de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven.
Namens van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep is bij appelakte uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 4 is tenlastegelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist, heeft dan ook uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met verbetering van de bewezenverklaring ten aanzien van feit 4 en met aanvulling van de bewijsmiddelen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte geen maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging dient te worden opgelegd, de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 01-192267-22 voorwaardelijk opgelegde straf dient te worden afgewezen en de voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven. Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging betoogd dat het hof deze dient toe te wijzen overeenkomstig het oordeel van de rechtbank.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met verbetering van de bewezenverklaring ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde feit en met aanvulling van de bewijsmiddelen en de overwegingen met betrekking tot de op te leggen sanctie.
Verbetering van de bewezenverklaring
Naar het oordeel van het hof behoeft de in het vonnis opgenomen bewezenverklaring van de rechtbank ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde feit verbetering, met dien verstande dat de bewezenverklaring van dit feit als volgt komt te luiden:
hij, in de periode van 13 augustus 2023 tot en met 5 september 2023 te Reusel, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 3] , door- veelvuldig te bellen naar die [slachtoffer 3] ;- veelvuldig berichten via WhatsApp te sturen naar die [slachtoffer 3] ;
- bij de woning van die [slachtoffer 3] langs te gaanmet het oogmerk die [slachtoffer 3] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
Het hof verenigt zich met de door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep gebezigde bewijsmiddelen, met aanvulling van het hiernavolgende bewijsmiddel ten aanzien van feit 4:
De verdachte verklaarde tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2025 als volgt:
Het klopt dat ik in de periode van 13 augustus 2023 tot en met 5 september 2023 in Reusel wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heb gemaakt op de levenssfeer van [slachtoffer 3] door haar veelvuldig te bellen, WhatsAppberichten te sturen en bij haar langs te gaan. Ik ben in totaal twee keer bij haar langsgegaan.
Aanvulling van de overwegingen ten aanzien van de op te leggen sanctie
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer bepleit dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet kan worden opgelegd, nu de beschikbare rapporten onvoldoende handvatten bieden om te kunnen vaststellen dat ten tijde van de tenlastegelegde feiten sprake is geweest van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens als bedoeld in artikel 37a Sr. De verdediging heeft in dit verband onder meer gewezen op de omstandigheid dat de rechtbank de opgelegde tbs-maatregel grotendeels heeft gebaseerd op de pro-Justitiarapportage van 23 november 2020, waarin wordt beschreven dat bij de verdachte sprake is van myoclonus dystonie, neuro-(psycho)logische beperkingen en een neurocognitieve stoornis, terwijl psychiater [psychiater 1] nadien, in 2021, rapporteerde dat er bij de verdachte geen psychische stoornis aanwezig was.
Het hof overweegt dienaangaande dat het enkele feit dat in 2021 werd geconcludeerd dat er geen sprake was van een psychische stoornis aan de zijde van de verdachte, er niet aan af doet dat het gedrag naar aanleiding waarvan de pro-Justitiarapportage in 2020 was opgemaakt, te weten belaging en bedreiging, blijkens het bewezenverklaarde kennelijk in 2023 opnieuw in alle hevigheid bij de verdachte naar boven is gekomen. Daarnaast wordt in het rapport van [psychiater 2] in hun rapportage van 28 mei 2024 gesteld dat verdachte tijdens de observatie in grote lijnen eenzelfde beeld laat zien als in de rapportage in 2020. Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging.
Hetgeen de verdediging voor het overige heeft aangevoerd ter zake van de op te leggen sanctie, brengt het hof evenmin tot een ander oordeel. Deze verweren vindt immers hun weerlegging in de overwegingen van de rechtbank, welke het hof overneemt.

BESLISSING

Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Burgmeijer, griffier,
en op 11 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Van der Wiel-Rammeloo is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.