ECLI:NL:GHSHE:2025:3586

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
20-002908-22
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen van valsheid in geschrift en deelname aan een criminele organisatie door een agrarisch adviesbureau en haar bestuurders

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 11 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. De verdachte, een bestuurder van een agrarisch adviesbureau, werd beschuldigd van het medeplegen van valsheid in geschrift en deelname aan een criminele organisatie. De zaak betreft meerdere feiten van valsheid in geschrift, waarbij documenten zijn vervalst die bestemd waren om als bewijs te dienen in het kader van mestwetgeving en vergunningaanvragen. De verdachte en zijn medeverdachten hebben zich schuldig gemaakt aan het opmaken van valse documenten om zo een gunstiger positie te verkrijgen voor hun klanten in de agrarische sector. Het hof oordeelde dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan deze verboden gedragingen en dat er sprake was van een gestructureerde organisatie die zich richtte op het plegen van misdrijven. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 13 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en een bijzondere voorwaarde dat hij geen werkzaamheden zal verrichten die verband houden met de advisering van de agrarische sector, met uitzondering van het bekappen en verzorgen van klauwen van hoefdieren.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002908-22
Uitspraak : 11 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 20 december 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-997029-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte integraal vrijgesproken van de feiten 2, 3 en 4 en is de verdachte ter zake van medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 1 primair, 5 primair en 6 primair), en deelname aan een criminele organisatie (feit 7) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarbij heeft de rechtbank als bijzondere voorwaarde gesteld dat de verdachte gedurende de proeftijd geen werkzaamheden zal verrichten die op enige wijze verband houden met de advisering van de agrarische sector en/of inzake agrarische aangelegenheden, met uitzondering van het bekappen en verzorgen van klauwen van hoefdieren.
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd, zo begrijpt het hof, dat het vonnis wordt vernietigd en dat het hof, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 6 primair en het onder 7 tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en dat daarbij  kort gezegd  dezelfde bijzondere voorwaarde wordt gesteld als in het vonnis vermeld.
De verdediging heeft op in de pleitnota aangevoerde gronden primair vrijspraak van de gehele tenlastelegging bepleit en subsidiair verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde. Daarnaast heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank .
Tenlastelegging
Aan de verdachte is  na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste
aanleg  tenlastegelegd dat:
1. primair
hij in of omstreeks de maand november 2017 te Susteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (een) geschrift(en), dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door:
  • in een specificatie niet geleverde melk (DOC-01584 - p 3352/3298) op te geven dat in 2015 113.680 kg melk niet geleverd kon worden en/of;
  • in een ongedateerde brief (DOC-01562 - p 3330/3276) op te nemen: "de daadwerkelijk geproduceerde melk in 2015 bedraagt 609.880 + 113.680 = 723.560 kilogram",
met het oogmerk om dit/deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks 28 november 2017 te Heythuysen en/of Susteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
  • een specificatie niet geleverde melk (DOC-01584 – p. 3352/3298) en/of;
  • een ongedateerde brief (DOC-01562 – p. 3330/3276),
als ware dit/deze echt en onvervalst, door dit/deze met een begeleidende brief van [bedrijf 1] (DOC-01561 – p. 3329/3275) te (laten) sturen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;
2. primair
[bedrijf 1] in of omstreeks de periode van 17 april 2018 tot en met 14 juni 2018, te Deinum, Leeuwarden, Ysselsteyn, Meijel en/of Heythuysen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (een) geschrift(en), dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door:
- op een bouwtekening van een silo (DOC-01881 - p. 3552/3498) een inhoudsmaat van 2.485 m3 te vermelden,
met het oogmerk om dit als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijk leidinggegeven aan die verboden gedraging(en);
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden :
[bedrijf 1] op of omstreeks 14 juni 2018 te Ysselsteyn, Heythuysen en/of Susteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
- een melding van het uitbreiden van de inrichting, aan de Meerselsepeel te Ysselsteyn, met een silo (DOC-01877 – p. 3548/3494) met daarbij een bouwtekening van die silo (DOC-01881 – p. 3552/3498),
als ware dit echt en onvervalst door dit in te dienen bij de gemeente Venray, hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijk leidinggegeven aan die verboden gedraging(en);
3. primair
[bedrijf 1] in of omstreeks de periode van 28 december 2016 tot en met 9 april 2018, te Sint Philipsland en/of Heythuysen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (een) geschrift(en), dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door:
  • op een opdrachtbevestiging voor een mestscheider (DOC-04484 – p. 5040/4980) de datum 15 januari 2017 te vermelden en/of;
  • op een factuur van [bedrijf 2] met nummer SI-160252 (DOC-04491 – p. 5047/4987) de factuurdatum 23-01-2017 te vermelden,
met het oogmerk om dit/deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijk leidinggegeven aan die verboden gedraging(en);
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden :
[bedrijf 1] op of omstreeks 9 april 2018 te Heythuysen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
  • een opdrachtbevestiging voor een mestscheider (DOC-04484 – p. 5040/4980) en/of;
  • een factuur van [bedrijf 2] met nummer SI-160252 (DOC-04491 – p. 5047/4987),
als ware dit/deze echt en onvervalst door deze voor [bedrijf 3] en/of [medeverdachte 1] , in een subsidieaanvraag, in te dienen bij de RVO, hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijk leidinggegeven aan die verboden gedraging(en);
4. primair
[bedrijf 1] in of omstreeks de periode van 11 tot en met 13 oktober 2017, te Esbeek, Meijel en/of Heythuysen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (een) geschrift(en), dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door:
- op een of meer tabellen Administratie Stal (DOC-03952, DOC-03953 en/of DOC-03954 – p. 4684/4624, 4685/4625 en/of 4686/4626) gefingeerde gegevens met betrekking tot datum opleggen biggen, datum, afleveren biggen, tijdstip aflaten mest, waterstand begin, waterstand einde en/of waterverbruik op te nemen,
met het oogmerk om dit/deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijk leidinggegeven aan die verboden gedraging(en);
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden :
[bedrijf 1] op of omstreeks 13 april 2017 te Esbeek, Meijel en/of Heythuysen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
- een of meer tabellen Administratie Stal (DOC-03952, DOC-03953 en/of DOC-03954 – p. 4684/4624, 4685/4625 en/of 4686/4626),
als ware dit/deze echt en onvervalst door deze per mail te verzenden aan [medewerker 1] van de Omgevingsdienst Midden-West Brabant, hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijk leidinggegeven aan die verboden gedraging(en);
5. primair
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 16 mei 2018, althans op of omstreeks 15 en/of 16 mei 2018, te Helmond en/of Heythuysen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (een) geschrift(en), dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door:
  • in de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [klant 1] [adres 2] , te vermelden dat [klant 1] 6 percelen met een oppervlakte van 5,75 ha blijvend grasland in gebruik had (DOC-03827 – p. 4563/4503) en/of;
  • in het Overzicht percelen bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [klant 1] [adres 2] , te vermelden dat de percelen [adres 4] tot en met [adres 5] bij [klant 1] in gebruik waren (DOC-03844 – p. 4580/4520) en/of;
  • bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [klant 1] [adres 2] , onder de vermelding "Mijn percelen" een foto bij te voegen van de percelen [adres 4] tot en met [adres 5] (DOC-03850 – p. 4586/4526),
met het oogmerk om dit/deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden :
hij op of omstreeks 16 mei 2018 te Heythuysen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
  • de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [klant 1] [adres 2] (DOC-03816 – p. 4552/4492 tot en met DOC-03833 – p. 4569/4509) en/of;
  • het Overzicht percelen bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [klant 1] [adres 2] (DOC-03844 – p. 4580/4520) en/of;
  • de bijlage "Mijn percelen" met een foto van de percelen [adres 4] tot en met [adres 5] , bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [klant 1] [adres 2] , (DOC-03850 – p. 4586/4526),
als ware dit/deze echt en onvervalst door deze in te dienen bij de RVO;
6. primair
hij omstreeks 15 en/of 16 mei 2018 te Lierop en/of Heythuysen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (een) geschrift(en), dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door:
  • in de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [bedrijf 4] , [adres 6] , te vermelden dat het bedrijf 31 percelen met een oppervlakte van 63,34 ha, althans een of meer percelen, in gebruik had om mee te rekenen voor de gebruiksnormen, de mestverwerkingsplicht en de Wet grondgebonden groei melkveehouderij (DOC-05076 – p. 5438/5372) en/of;
  • in het Overzicht percelen bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [bedrijf 4] , [adres 6] , te vermelden dat de percelen [adres 7] tot en met [adres 8] , althans een of meer van die percelen, bij dat bedrijf in gebruik waren (DOC-05085 – p. 5447/5381 tot en met DOC-05087 – p. 5449/5383) en/of;
  • bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van de [bedrijf 4] , [adres 6] , onder de vermelding "Mijn percelen" een of meer foto's bij te voegen van de percelen [adres 7] t/m [adres 8] , althans van een of meer van die percelen (DOC-05093 – p. 5455/5389, DOC-05095 – p. 5457/5391 en/of DOC-05096 – p. 5458/5392),
met het oogmerk om dit/deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 mei 2018 te Lierop en/of Heythuysen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
  • de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [bedrijf 4] , [adres 6] , (DOC-05076 – p. 5438/5372) en/of;
  • het Overzicht percelen bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [bedrijf 4] , [adres 6] (DOC-05085 – p. 5447/5381 tot en met DOC-05087 – p. 5449/5383) en/of;
  • een of meer foto's van de percelen [adres 7] t/m [adres 8] , althans van een of meer van die percelen, onder de vermelding "Mijn percelen" (DOC-05093 – p. 5455/5389, DOC-05095 – p. 5457/5391 en/of DOC-05096 – p. 5458/5392),
als ware dit/deze echt en onvervalst door deze in te dienen bij de RVO;
7.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 17 juni 2019 te Heythuysen, Melick, Meijel en/of Neer , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door hem, verdachte, en/of [bedrijf 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en/of andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven bestaande uit:
  • het meermalen plegen van valsheid in geschrifte en/of het meermalen gebruiken van valselijk opgemaakte geschriften (strafbaar gesteld in artikel 225 Wetboek van Strafrecht) en/of;
  • het meermalen veranderen van (de werking) van een inrichting zonder vergunning (strafbaar gesteld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) en/of;
  • het vervalsen van een registratie die is vereist ingevolge de Regeling ammoniak en veehouderij (strafbaar gesteld in artikel 8.40 van de Wet milieubeheer) en/of;
  • het meermalen foutief opgeven van de ingevolge artikel 26 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet vereiste gegevens (strafbaar gesteld in artikel 34 en/of 35 van de Meststoffenwet).
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 7, vierde gedachtestreepje
Het hof is van oordeel dat de verdachte reeds van het foutief opgeven van de ingevolge artikel 26 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet vereiste gegevens (zoals tenlastegelegd onder feit 7, het vierde gedachtestreepje) dient te worden vrijgesproken, nu dit geen misdrijf betreft, maar een overtreding. Het hof zal om die reden de verdachte partieel vrijspreken van feit 7, te weten voor wat betreft het achter het vierde gedachtestreepje tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1. primair
hij in de maand november 2017 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen geschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, door:
  • in een specificatie niet geleverde melk (DOC-01584 - p 3352/3298) op te geven dat in 2015 113.680 kg melk niet geleverd kon worden en
  • in een ongedateerde brief (DOC-01562 - p 3330/3276) op te nemen: "de daadwerkelijk geproduceerde melk in 2015 bedraagt 609.880 + 113.680 = 723.560 kilogram",
met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken ;
2. primair
[bedrijf 1] in de periode van 17 april 2018 tot en met 14 juni 2018 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen een geschrift, dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, heeft vervalst, door:
- op een bouwtekening van een silo (DOC-01881 - p. 3552/3498) een inhoudsmaat van 2.485 m3 te vermelden,
met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende hij, verdachte feitelijk leidinggegeven aan die verboden gedraging;
3. primair
[bedrijf 1] in de periode van 28 december 2016 tot en met 9 april 2018 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen geschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, heeft vervalst, door:
  • op een opdrachtbevestiging voor een mestscheider (DOC-04484 – p. 5040/4980) de datum 15 januari 2017 te vermelden en
  • op een factuur van [bedrijf 2] met nummer SI-160252 (DOC-04491 – p. 5047/4987) de factuurdatum 23-01-2017 te vermelden,
met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende hij, verdachte, feitelijk leidinggegeven aan die verboden gedragingen;
4. primair
[bedrijf 1] in de periode van 11 tot en met 13 oktober 2017 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen geschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, door:
- op tabellen Administratie Stal (DOC-03952, DOC-03953 en/of DOC-03954 – p. 4684/4624, 4685/4625 en/of 4686/4626) gefingeerde gegevens met betrekking tot datum opleggen biggen, datum afleveren biggen, tijdstip aflaten mest, waterstand begin, waterstand einde en/of waterverbruik op te nemen,
met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende hij, verdachte, feitelijk leidinggegeven aan die verboden gedragingen;
5. primair
hij in de periode van 1 januari 2018 tot en met 16 mei 2018 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen geschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, door:
  • in de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [klant 1] , [adres 2] , te vermelden dat de [adres 3] percelen met een oppervlakte van 5,75 ha blijvend grasland in gebruik had (DOC-03827 – p. 4563/4503) en
  • in het Overzicht percelen bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [klant 1] [adres 2] , te vermelden dat de percelen [adres 4] tot en met [adres 5] bij [klant 1] in gebruik waren (DOC-03844 – p. 4580/4520) en
  • bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [klant 1] [adres 2] , onder de vermelding "Mijn percelen" een foto bij te voegen van de percelen [adres 4] tot en met [adres 5] (DOC-03850 – p. 4586/4526),
met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
6. primair
hij op of omstreeks 15 en/of 16 mei 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen geschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, door:
  • in de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [bedrijf 4] , [adres 6] , te vermelden dat het percelen in gebruik had om mee te rekenen voor de gebruiksnormen, de mestverwerkingsplicht en de Wet grondgebonden groei melkveehouderij (DOC-05076 – p. 5438/5372) en
  • in het Overzicht percelen bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [bedrijf 4] , [adres 6] , te vermelden dat de percelen [adres 7] tot en met [adres 8] bij dat bedrijf in gebruik waren (DOC-05085 – p. 5447/5381 tot en met DOC-05087 – p. 5449/5383) en
  • bij de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van de [bedrijf 4] , [adres 6] , onder de vermelding "Mijn percelen" foto's bij te voegen van de percelen [adres 7] t/m [adres 8] (DOC-05093 – p. 5455/5389, DOC-05095 – p. 5457/5391 en/of DOC-05096 – p. 5458/5392),
met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
7.
hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 17 juni 2019 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door hem, verdachte, en [bedrijf 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven bestaande uit:
  • het meermalen plegen van valsheid in geschrifte en/of het meermalen gebruiken van valselijk opgemaakte geschriften (strafbaar gesteld in artikel 225 Wetboek van Strafrecht) en/of
  • het veranderen van (de werking) van een inrichting zonder vergunning (strafbaar gesteld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) en/of
  • het vervalsen van een registratie die is vereist ingevolge de Regeling ammoniak en veehouderij (strafbaar gesteld in artikel 8.40 van de Wet milieubeheer).
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen wordt voor wat betreft de door het hof gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de bewijsmiddelenbijlage, die bij dit arrest is gevoegd. De inhoud daarvan dient als hier ingelast te worden beschouwd.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt  ook in zijn onderdelen  slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsoverwegingen
Op 9 januari 2017 werd een voorbereidend onderzoek gestart door de Nederlandse Voedsel-
en Warenautoriteit (verder: NVWA) onder de naam Kievit. Dit onderzoek richtte zich op
[bedrijf 1] , een adviesbureau voor agrarische ondernemers onder meer op het
gebied van mestwetgeving, alsmede op haar bestuurders. Het voorbereidend onderzoek heeft geleid tot een strafrechtelijk onderzoek waarbij telefoongesprekken zijn afgeluisterd en gegevens zijn gevorderd bij diverse bedrijven en instanties. Uit het onderzoek zijn negen zogenoemde ‘zaaksdossiers’ voortgekomen, die in meer of mindere mate ten grondslag liggen aan de in dit onderzoek uitgebrachte dagvaardingen. Ook de tenlastelegging van de verdachte komt hieruit voort.
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft op de gronden vermeld in het op schrift gestelde requisitoir
gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 6, waarbij de advocaat-generaal telkens  voor zover van toepassing  is uitgegaan van het primair tenlastegelegde, en tot bewezenverklaring van feit 7.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft op de gronden vermeld in de pleitnota integrale vrijspraak bepleit.
Opmerkingen vooraf
Voor de leesbaarheid van de overwegingen worden zowel de verdachte als zijn medeverdachten voor zover zij natuurlijke personen zijn bij hun achternaam aangeduid en voor zover zij een rechtspersoon zijn bij al dan niet verkorte bedrijfsnaam aangeduid. Het betreffen de volgende (mede)verdachten:
Naam: In het arrest aangeduid als:
[bedrijf 1]
[medeverdachte 3]
[verdachte]
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 5]
[bedrijf 5] het melkveebedrijf
[medeverdachte 6]
[medeverdachte 7]
[verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] waren, via hun respectievelijke persoonlijke B.V.’s zoals genoemd in bewijsmiddel 1, ten tijde van het tenlastegelegde allen middellijk bestuurder van [bedrijf 1] , met dien verstande dat voor [verdachte] en [medeverdachte 5] geldt dat de hoedanigheid van middellijk bestuurder van [bedrijf 1] telkens liep tot en met 11 oktober 2018.
Het hof is zich er voorts van bewust dat voor een bewezenverklaring van een deel van de feiten de vraag van belang is of de verdachte kan worden aangemerkt als feitelijk leidinggever en dat daarvoor ook van belang is de vraag of die feiten kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon. Het hof zal deze onderwerpen afzonderlijk bespreken na de overwegingen over het bewijs voor het bewezenverklaarde onder de feiten 1 tot en met 7.
In hoger beroep zijn op verzoek van de verdediging meerdere (ex-)werknemers van [bedrijf 1] (nader) als getuige gehoord. De door deze getuigen in hoger beroep afgelegde verklaringen hebben alle in de kern een ontlastende strekking. Afgezet tegen de door het hof voor het bewijs te bezigen bewijsmiddelen  waaronder bewijs uit objectieve bron en communicatie van bestuursleden en andere werknemers van [bedrijf 1] op momenten dat zij zich onbespied zullen hebben gewaand  overtuigen deze getuigenverklaringen het hof echter niet. Het hof zal aan deze verklaringen dan ook voorbijgaan.
Ten aanzien van feit 1 primair (zaaksdossier 1)
Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat sprake is van valsheid in geschrift door het valselijk opmaken van een specificatie niet geleverde melk en/of een ongedateerde brief (feit 1 primair). Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 6] , als vennoot van en in die hoedanigheid uit hoofde van het melkveebedrijf, de documenten genoemd in de bewezenverklaring (DOC-01562 en DOC-01584) valselijk heeft opgemaakt ten behoeve van het melkveebedrijf en dat [verdachte] daarbij als medepleger kan worden aangemerkt. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Het hof is van oordeel dat de documenten niet conform de werkelijkheid door [medeverdachte 6] zijn opgemaakt. Immers blijkt uit de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien dat [medeverdachte 6] de op die documenten vermelde hoeveelheid weggegooide melk van 113.680 kilogram over het jaar 2015 heeft geconstrueerd aan de hand van een achteraf gefingeerde administratie van diergeneesmiddelenbehandelingen (DOC-01586 tot en met DOC-01599), terwijl hij, zo is op zich niet in geschil, verplicht was deze administratie (‘real time’) bij te houden. Immers, zoals [medeverdachte 6] tegenover [verdachte] tijdens een telefoongesprek te kennen gaf, heeft [medeverdachte 6] al zijn beschikbare -en door hem te verantwoorden- medicijnen opgeteld, heeft hij gekeken naar de aantallen liters melk die hij op papier wenste te verantwoorden en heeft [medeverdachte 6] ten behoeve daarvan behandelingen van de dieren geconstrueerd. Van een daadwerkelijke en waarheidsgetrouwe administratie van diergeneesmiddelenbehandelingen is daarmee geen sprake. Door de onder 1 primair bewezenverklaarde gegevens vervolgens uitdrukkelijk mede te baseren op deze gepretendeerde administratie, zijn de geschriften waarin deze gegevens zijn vervat ook aan te merken als valselijk opgemaakte geschriften. Door deze handelwijze wordt immers ten onrechte de indruk gewekt dat de bewezenverklaarde gegevens (mede) berusten op correcte, objectieve informatie over diergeneesmiddelenbehandelingen.
Uit de in dit verband voor het bewijs gebezigde tapgesprekken met [verdachte] komt onder meer naar voren dat [medeverdachte 6] in eerste instantie in zijn berekening tot 79 .000 kilogram melk kwam. Vervolgens uitte hij naar [verdachte] de noodzaak om nog 24.000 kilogram “weg te goochelen” en besprak hij met [verdachte] de optie om door middel van het aantal injectoren te goochelen met de getallen, (bijvoorbeeld) door voor een dier één injector met vijf dagen wachttijd op te geven in plaats van drie injectoren per dier te gebruiken. [medeverdachte 6] zei daarbij tegen [verdachte] : “hoe slim is die van RVO, want als je iemand hebt die er verstand van heeft, die zegt vriend je kan niet voor één injector vijf dagen wachttijd rekenen, want je moet drie injectoren gebruiken per ziektegeval, serveert hij mij ook af”. [verdachte] adviseerde daarop het “met die medicijnregistratie niet te bont te maken”. Daarnaast vroeg [medeverdachte 6] aan [verdachte] advies over hoe hij het met “dat uitschrijven van dat geneesmiddelengebruik in handschrift” moest doen. [medeverdachte 6] vroeg of hij het moest “fotograferen en opsturen voor de echtigheid”, omdat het anders “niet geloofwaardig” zou overkomen . [verdachte] antwoordde daarop: “Ja, doe dat maar.” [medeverdachte 6] vroeg zich daarbij nog af hoeveel weggegooide melk van koeien met een hoog celgetal “redelijk is”, waarop [verdachte] antwoordde: “bij lange na niet dat soort hoeveelheden, normaal gesproken”. Op de vraag van [medeverdachte 6] of dit “geloofwaardig overkomt”, antwoordde [verdachte] dat dit afhankelijk zou zijn van de ambtenaar, dat hij er “vorige week een heeft gezien waarbij 2,5 ton melk is bij geplust” en dat ze dit ook “in één slag” geloofden. [verdachte] vermeldde daarbij dat “als die ambtenaar een goed weekend heeft gehad” dat allemaal kon schelen.
Voor zover is betoogd dat de documenten niet valselijk zijn opgemaakt, omdat de berekening zou zijn gemaakt door dierenartsen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , mist dat betoog doel. Dat [betrokkene 1] de brief van 27 juni 2017 heeft ondertekend en bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij of een collega heeft meegerekend aan de cijfers in die brief, betekent namelijk niet dat de in de bewezenverklaring genoemde documenten overeenkomstig de werkelijkheid zijn opgemaakt. Daarnaast is het hof van oordeel dat de documenten geschriften betreffen die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen en dat zij zijn opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken . Immers, [medeverdachte 6] heeft de documenten genoemd in de bewezenverklaring valselijk opgemaakt teneinde een beroep te doen op de knelgevallenregeling in het kader van de toekenning van fosfaatrechten door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO). Nadat [medeverdachte 6] op 13 augustus 2016 was geïnformeerd dat de RVO per bedrijf de fosfaatrechten ging vaststellen aan de hand van de bij de RVO bekende gegevens van het bedrijf van het jaar 2015, heeft [medeverdachte 6] met zijn gemachtigd bedrijfsadviseur [verdachte] van [bedrijf 1] bij herhaling in 2016 en 2017 getracht de referentiegegevens voor de vaststelling van de fosfaatrechten voor het melkveebedrijf gewijzigd te krijgen. De referentiegegevens die oorspronkelijk bij de RVO geregistreerd waren voor het jaar 2015, te weten een totale melkproductie voor het melkveebedrijf in 2015 van 609.371 kilogram, zouden worden gebruikt voor de vaststelling van de fosfaatrechten van [medeverdachte 6] . Daar was [medeverdachte 6] het niet mee eens, die registratie moest hoger, zo blijkt uit de bewijsmiddelen. Immers, de hoeveelheid fosfaatrechten bepaalt voor een melkveehouder de omvang van zijn melkvee; een melkveehouder mag niet meer fosfaat produceren dan hem is toegekend door de RVO. Voorafgaande aan de brief van [verdachte] van 28 november 2017 met de gewraakte bijlagen, bestaande uit de valselijk opgemaakte specificatie en de ongedateerde brief, zijn alle eerdere verzoeken tot wijziging van de referentiegegevens niet gehonoreerd. Het belang van [medeverdachte 6] om de fosfaatrechten bijgesteld te krijgen, was er blijkens de gebezigde bewijsmiddelen (mede) in gelegen dat [medeverdachte 6] eerder melk in 2015 niet had afgeleverd en had weggegooid om onder meer superheffing uit te komen, terwijl hij die melk anno 2016 -na afschaffing van het melkquotum- nodig had, omdat de fosfaatrechten zouden worden vastgesteld op basis van de geregistreerde melkproductie in 2015. Het melkveebedrijf had in 2015 weliswaar meer melk geproduceerd, maar kennelijk (mede) om [medeverdachte 6] moverende redenen (melkquotum, ergo superheffing en niet (louter) als gevolg van een zieke veestapel) toen niet geleverd waardoor de referentiegegevens lager uitvielen dan de melkveestapel van [medeverdachte 6] in werkelijkheid had geproduceerd. Achteraf heeft [medeverdachte 6] daarom een administratie van diergeneesmiddelenbehandelingen gefingeerd om zo te onderbouwen dat in zijn melkveebedrijf sprake was van bijzondere omstandigheden die de RVO zouden nopen tot verhoging van zijn fosfaatrechten. Zo trachtte [medeverdachte 6] met de overgelegde diergeneesmiddelenregistratie en de daarop gebaseerde specificatie en ongedateerde brief de RVO voor te wenden dat hij in 2015 als gevolg van een zodanig zieke melkveestapel meer melk had geproduceerd dan geleverd.
Ten aanzien van het medeplegen door [verdachte] overweegt het hof nog dat is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. In het kader daarvan is het bij het ontbreken van een gezamenlijke uitvoering van belang dat de materiële en/of intellectuele bijdrage van [verdachte] aan het strafbare feit van voldoende gewicht is. Uit de tapgesprekken, zoals hiervoor reeds uiteengezet, maar ook uit het mailverkeer, blijkt dat [verdachte] als adviseur van [medeverdachte 6] en het melkveebedrijf een belangrijke rol heeft gespeeld bij het valselijk opmaken van de documenten die in de bewezenverklaring worden genoemd. [verdachte] fungeerde immers als klankbord voor [medeverdachte 6] bij het bedenken van de strategie voor een geslaagd beroep op de knelgevallenregeling en het ten behoeve daarvan construeren van de berekening van de hoeveelheid gederfde melk, zoals vermeld op de specificatie niet geleverde melk en de ongedateerde brief, aan de hand van een achteraf opgestelde (fictieve) diergeneesmiddelenregistratie. [verdachte] gaf in dat verband ook advies aan [medeverdachte 6] over hoe hij te werk moest gaan, zoals de wijze waarop de relevante gegevens (de diergeneesmiddelenregistratie) die aan de valsheid ten grondslag lagen, moesten worden opgemaakt. Daarnaast heeft hij [medeverdachte 6] gerustgesteld over de geloofwaardigheid van de opgegeven hoeveelheid gederfde melk. Aldus was [verdachte] op de hoogte van de valsheid van de op de documenten vermelde hoeveelheid gederfde melk en heeft hij dusdanig intellectueel bijgedragen aan de totstandkoming van de valse berekening daarvan dat sprake is van medeplegen. [verdachte] had op grond van zijn deskundigheid [medeverdachte 6] en diens melkveebedrijf kunnen en moeten adviseren om anders te handelen. Dat heeft hij echter niet gedaan. Hij heeft van meet af aan, vanaf de melding van de RVO op 13 augustus 2016 “met de klant meegedacht”, hetgeen er na meerdere afwijzingen eind 2017 in heeft geresulteerd dat [verdachte] eraan bijdroeg om een fictieve en daarmee valse berekening van de hoeveelheid gederfde melk over 2015 (geloofwaardig) op papier te krijgen om vervolgens, bij brief van 28 november 2017, de desbetreffende documenten bij de RVO in te dienen als zijnde echt en onvervalst, ten dienste van een verzoek tot wijziging van de fosfaatrechten van [medeverdachte 6] zijn melkveebedrijf.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verdachte] , [bedrijf 1] , [medeverdachte 6] en het melkveebedrijf als medeplegers kunnen worden aangemerkt ter zake van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde.
Ten aanzien van feit 2 primair (zaaksdossier 2)
Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat sprake is van valsheid in geschrift door het vervalsen van een bouwtekening van een silo (feit 2 primair). Het hof is van oordeel dat [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) de bouwtekening genoemd in de tenlastelegging op verzoek van [medeverdachte 7] heeft vervalst of doen vervalsen en dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 7] als medeplegers daarvan kunnen worden aangemerkt. Het hof overweegt daartoe als volgt.
De onder 2 primair bewezenverklaarde valsheid heeft betrekking op de vermelding op een bouwtekening van een silo van een inhoudsmaat van 2.485 m3. Deze bouwtekening was gevoegd bij een door [medeverdachte 7] ingediende melding wijziging bedrijf (inrichting) op grond van het toentertijd geldende en per 1 januari 2024 vervallen Activiteitenbesluit Milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit). Het Activiteitenbesluit was een algemene maatregel van bestuur op grond van de Wet Milieubeheer en de Waterwet. De voorschriften van het Activiteitenbesluit kunnen voorts relevant zijn voor de vraag of voor activiteiten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1. van de eveneens per 1 januari 2024 vervallen Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (de WABO) was vereist, zoals ook in dit geval aan de orde kwam. De vraag of sprake is geweest van valsheid in geschrift speelt aldus tegen de achtergrond van een (meldings)procedure in het ruimtelijk bestuursrecht.
Het hof stelt voorts vast dat over de vraag wat dient te worden verstaan onder de inhoud van een bouwwerk in zijn algemeenheid of van een silo in het bijzonder bij of krachtens de daarvoor in aanmerking komende ruimtelijk bestuurlijke wetten geen criteria zijn gegeven. Ook is niet gesteld of anderszins gebleken dat door het ter zake van de meldingsprocedure bevoegde gezag of anderszins beleidsregels zijn opgesteld of een vaste gedragslijn werd aangehouden met betrekking tot de invulling van het begrip inhoud in de hier bedoelde zin. Van jurisprudentie waarin het onderhavige begrip inhoud wordt ingevuld is het hof evenmin gebleken.
Voor zover uit het dossier, meer in het bijzonder uit de verklaring van de getuige [getuige 1] , medewerker van de gemeente Venray, zou worden afgeleid dat van een dergelijke vaste gedragslijn wel sprake was, gaat die conclusie niet op. Uit deze verklaring kan naar het oordeel van het hof louter worden afgeleid dat door deze medewerker en mogelijk door andere medewerkers van die gemeente ‘praktisch’ werd omgegaan met eventuele verschillen tussen de daadwerkelijke inhoud van een mestsilo en de mate waarin deze inhoud werd benut (mits binnen redelijke grenzen). Daar komt nog bij dat niet duidelijk is geworden of deze wijze van omgang binnen de gehele gemeente werd gehanteerd, nog daargelaten de vraag of deze wijze van omgang dan ook door het college van burgemeester en wethouders als bevoegd gezag zou zijn goedgekeurd.
Het hof acht het gelet op het voorgaande aangewezen om bij de invulling van het begrip inhoud aansluiting te zoeken bij wat in het algemeen spraakgebruik onder inhoud wordt verstaan. Van Dale’s Groot Woordenboek der Nederlandse Taal geeft als betekenissen van het woord inhoud, voor zover relevant in de gegeven situatie: ‘hoeveelheid ruimte binnen een lichaam, voorwerp’, alsmede ‘alles wat ergens in zit of in kan zitten’. De gemene deler van beide betekenissen is volgens het hof dat het gaat om wat een lichaam, een voorwerp of iets anders daadwerkelijk, in totaal, omvat of bevat. De wijze van berekening van deze inhoud, bijvoorbeeld op basis van de buitenmaten van een voorwerp of op basis van de binnenmaten ervan, kan verschillen, maar dit doet niet af aan het uitgangspunt dat de inhoud betreft wat een voorwerp daadwerkelijk, in totaal, omvat of bevat.
Vertaald naar dit concrete geval betekent dat dat onder inhoud van de silo dient te worden verstaan dat wat de silo daadwerkelijk omvat of bevat. Uit de berekening aan de hand van de daadwerkelijk gemeten maten van de silo van verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat de inhoud van de onderhavige silo ten minste 2.637,44 m3 bedroeg. Uit de gegevens op internet van de fabrikant van de mestsilo, [bedrijf 6] , bleek te meer dat bij een mestsilo van een soortgelijk type (bestaande uit 54 elementen en een hoogte van 5 meter) een inhoud van ruimschoots meer dan 2.500 m3 hoort.
De op de bouwtekening vermelde inhoudsmaat van 2.485 m3 is in het licht van het voorgaande niet als een juiste weergave van de inhoud van de silo te beschouwen. Bij deze inhoudsmaat van 2.485 m3 is, zo begrijpt het hof, mogelijk tot uitgangspunt genomen dat in de praktijk een gedeelte van de inhoud van de silo niet zal worden gebruikt (in dit verband is ook wel het begrip ‘waakhoogte’ genoemd) en dit gedeelte niet is meegeteld bij de berekening van deze inhoudsmaat. De vraag in welke mate van de inhoud van een silo gebruik wordt gemaakt dient echter, zo mag haast evident heten, te worden onderscheiden van de vraag wat de inhoud van een silo nu daadwerkelijk is. Voor de ruimtelijke impact van een silo maakt ook geen verschil in welke mate gebruik wordt gemaakt van (de inhoud van) een silo. Gelet op het voorgaande is dan ook niet relevant dat bij de op de bouwtekening vermelde inhoudsmaat van 2.485 m3 het woord ‘netto’ is toegevoegd. Al hetgeen is opgemerkt met betrekking tot ‘bruto’ en ‘netto’ inhoudsmaten behoeft in het licht van het vorenoverwogene dan ook geen verdere bespreking.
Dat de op de bouwtekening vermelde inhoudsmaat van 2.485 m3 vals is, kan daarom bewezen worden verklaard. Dat het bevoegd gezag de gedane melding heeft geaccepteerd en dat er bestuursrechtelijk niet is opgetreden tegen de gerealiseerde silo doet, wat daarvan verder ook zij, geen afbreuk aan het gegeven oordeel over de valsheid van deze vermelding.
Door de rechtbank is overwogen dat de valsheid van de desbetreffende bouwtekening mede is gelegen in het weglaten van essentiële gegevens over de inhoud van de silo. Naar het oordeel van het hof is, gelet op de duidelijke bewoordingen van dit gedeelte van de tenlastelegging, in het onder 2 primair tenlastegelegde echter enkel als valsheid tenlastegelegd en door het hof bewezenverklaard de hiervóór besproken, op de bouwtekening vermelde, inhoudsmaat van 2.485 m3. Het hof zal daarom onbesproken laten of de valsheid van de bouwtekening mede is gelegen in de weglating van essentiële gegevens zoals hier bedoeld.
De desbetreffende bouwtekening is vervolgens gevoegd bij een meldingsformulier, waarna deze stukken als melding wijziging bedrijf zijn ingediend bij het bevoegd gezag. Daarmee staat, zo is terecht niet in geschil, voorts zonder meer vast dat (ook) de bouwtekening een geschrift betreft dat bestemd was om tot het bewijs van enig feit te dienen.
Naar het oordeel van het hof waren, gelet op de e-mailcorrespondentie, de tapgesprekken en de verklaring zoals hier voor het bewijs gebruikt, zowel [medeverdachte 4] , [medeverdachte 7] als [betrokkene 3] er ook van op de hoogte dat de inhoudsmaat van 2.485 m3 vals was. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen concludeert het hof dat ook overigens aan alle voorwaarden is voldaan om deze drie personen aan te merken als medeplegers van het onder 2 primair tenlastegelegde feit. Het hof overweegt hieromtrent per persoon als volgt nader.
Met betrekking tot [betrokkene 3] wijst het hof er daarbij op dat deze heeft verklaard dat de silo bruto veel meer was, dat de silo in zijn beleving in een omgevingsvergunningstraject had moeten worden betrokken en dat voor hem duidelijk was dat de inhoudsmaat van 2.485 m3 belangrijk was voor [medeverdachte 7] om de silo onder de 2.500 m3 te houden voor zijn vergunningaanvraag. Voorts heeft [betrokkene 3] naar aanleiding van overleg met [medeverdachte 4] over de op de bouwtekening te vermelden maten nog de daarop vermelde straal van “R12725” laten verwijderen, kennelijk omdat daarmee had kunnen worden berekend dat de daadwerkelijke inhoud van de silo meer dan 2.485 m3 betrof, zoals blijkt uit gesprekken met [medeverdachte 4] . Daarbij blijkt uit het gesprek van [betrokkene 3] met [medeverdachte 4] dat [betrokkene 3] in eerste instantie huiverig was een correctie voor de straal op de bouwtekening te vermelden, om de reden dat zij, het hof begrijpt [bedrijf 6] ., zelf ook in hele spannende situaties hebben gezeten. Daarbij meldde [betrokkene 3] dat als het gaat om knoeien met de maten, je dat op je bordje kan krijgen en dat je daar niet vrolijk van wordt. Uit dit alles leidt het hof af dat [betrokkene 3] de valse inhoudsmaat op de bouwtekening heeft doen zetten, dat hij daarbij ook (in plaats van de door [medeverdachte 4] voorgestelde correctie op de straal) de op de bouwtekening vermelde straal heeft laten verwijderen en dat hij van de valsheid van die inhoudsmaat op de hoogte was.
Ten aanzien van [medeverdachte 7] overweegt het hof nog als volgt.
[medeverdachte 7] was erbij gebaat om de silo onder de 2.500 m3 te houden, omdat wanneer de silo een gezamenlijke inhoud van meer dan 2.500 m3 had, hij in de veronderstelling verkeerde dat dan een omgevingsvergunning moest worden aangevraagd en dus niet kon worden volstaan met een melding. [medeverdachte 7] heeft [betrokkene 3] om die reden aangestuurd de netto-inhoudsmaat op de bouwtekening van de silo te vermelden, zoals eveneens blijkt uit de e-mailcorrespondentie en de tapgesprekken. Uit de e-mailcorrespondentie in de periode van 17 april tot en met 30 mei 2018 komt naar voren dat [medeverdachte 7] in eerste instantie bij [bedrijf 6] . een offerte voor de bouw van een mestsilo van ongeveer 2.750 m3 vroeg. [bedrijf 6] . stuurde [medeverdachte 7] daarop een offerte van een mestsilo Muleby MST1, optie 54/5. In de bij de e-mail gevoegde brochure was vermeld dat dit type mestsilo een bruto inhoud van 2.726 m3 had. Later ontving [medeverdachte 7] een nieuwe offerte voor exact hetzelfde type mestsilo, maar nu stond daarop een netto inhoud van 2.485 m3 vermeld. Daarbij vermeldde [medeverdachte 7] in mails naar [bedrijf 6] .: “Let wel op dat de netto m3 vermeld worden 2.485 m3”. Daarop stuurde [betrokkene 3] een opdrachtbevestiging naar [medeverdachte 7] , waarbij hij schreef dat de bouwtekening was aangepast zoals besproken. Bij de e-mail was een bouwtekening gevoegd. Op deze tekening neemt het hof waar dat rechts onderin de legenda stond: “Mestsilo type MST1, 54-5 (2.485 m3 netto inhoud)”. Voorts neemt het hof waar dat in het bovenaanzicht van de mestsilo als binnenzijde silo (straal) “R12725” stond weergegeven. [medeverdachte 7] stuurde de ontvangen bouwtekening door aan [medeverdachte 4] en vroeg aan [medeverdachte 4] of dit voldoende was voor de melding bij de gemeente. [medeverdachte 4] liet daarop per e-mail aan [medeverdachte 7] weten dat de straal niet groter moest zijn dan 12,60 (nu 12,72) en dat dit dan wel op de tekening moest staan, omdat je boven de 2.500 m3 vergunningsplichtig wordt. Uit een tapgesprek op 30 mei 2018 blijkt dat [medeverdachte 4] tegen [medeverdachte 7] heeft gezegd dat ze rekenen boven de 2.500 kuub en dat het dan vergunningsplichtig is en dat moest je niet willen. Voorts zei [medeverdachte 4] in datzelfde gesprek: “Ik zou zeggen doe 12,50 of 12,55, dan hebben we 2.480 kuub, dan zitten we er mooi net onder”, alsmede dat hij de tabel eruit zou laten, want daar staat dat je 2.538 kuub hebt, dat je de silo niet tot aan de rand hoefde te vullen, maar ze wel zeggen dat is formeel vergunningsplichtig en dat als [bedrijf 6] . heel moeilijk zou doen zij wel zouden gaan knippen en plakken. [medeverdachte 7] stemde ermee in dat hij [bedrijf 6] . het zou laten aanpassen. [medeverdachte 4] zei daarbij nog dat hij een afdruk zou maken van de tekening en zou aangeven wat er moest veranderen, zodat [medeverdachte 7] dit kon doorsturen naar [bedrijf 6] . Op de bouwtekening die [medeverdachte 4] vervolgens naar [medeverdachte 7] stuurde, neemt het hof waar dat met pen de in het bovenaanzicht van de mestsilo als binnenzijde silo (straal) weergegeven “R12725” was doorgehaald en in plaats daarvan met de hand “R1260” erbij was geschreven. [medeverdachte 7] stuurde deze e-mail door naar [betrokkene 3] , waarbij [medeverdachte 7] schreef: “Mijn adviseur heeft gevraagd of jullie de maten in de tekening willen aanpassen en terugsturen, zodat we de aanvraag kunnen indienen. Het is belangrijk dat de inhoud onder de 2.500 m3 blijft in de tekening. In de praktijk wordt hij dan gebouwd volgens afspraak.” Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 7] wist dat de werkelijke inhoudsmaat van de silo ruim boven de 2.500 m3 betrof, dat de grens van 2.500 m3 in zijn veronderstelling essentiële informatie was voor de gemeente bij de beoordeling van de vraag of sprake was van een vergunningplicht en dat [medeverdachte 7] [betrokkene 3] aldus heeft aangestuurd de valse inhoudsmaat op de bouwtekening van de silo te vermelden, met het doel om onder die grens van 2.500 m3 te blijven, en dat [medeverdachte 4] daarbij als medepleger dient te worden aangemerkt.
Ten aanzien van de vereiste wetenschap bij en het medeplegen door [medeverdachte 4] overweegt het hof nader dat bij het ontbreken van een gezamenlijke uitvoering, zoals met betrekking tot [medeverdachte 4] aan de orde is, van belang is dat de materiële en/of intellectuele bijdrage van [medeverdachte 4] aan het strafbare feit van voldoende gewicht is. Uit de tapgesprekken en e-mailcorrespondentie, zoals hiervoor reeds uiteengezet, blijkt dat [medeverdachte 4] als adviseur van [medeverdachte 7] een belangrijke rol heeft gespeeld bij het vervalsen van de bouwtekening. [medeverdachte 4] adviseerde [medeverdachte 7] immers om de straal op de bouwtekening van de mestsilo aan te laten passen, zodat de (te berekenen) inhoud van die silo onder de 2.500 m3 zou blijven en kon worden volstaan met een melding bij de gemeente. In dat verband voerde [medeverdachte 4] ook overleg met [betrokkene 3] over de op de bouwtekening te voeren maten, teneinde de valse inhoudsmaat te kunnen onderbouwen. Daarnaast uitte hij naar [medeverdachte 7] zijn zorgen over dat ze “dadelijk een keer gaan nameten en dan zeggen dat die silo groter is” en dat ze “dan maar gokken dat de gemeente dat accepteert, dat die netto-inhoud 2.485 is”. Aldus was [medeverdachte 4] van de valsheid van de op de bouwtekening vermelde inhoudsmaat op de hoogte en heeft hij een dusdanige materiële en intellectuele bijdrage geleverd dat sprake is van medeplegen. [medeverdachte 4] had, te meer op grond van zijn functie als adviseur, [medeverdachte 7] kunnen en moeten adviseren om anders te handelen. Dat heeft hij echter niet gedaan. Hij heeft met de klant meegedacht om de bouwtekening met daarop de valse inhoudsmaat (geloofwaardig) op papier te krijgen om dit vervolgens als zijnde echt en onvervalst door een medewerker van [bedrijf 1] bij een melding te laten indienen bij het bevoegd gezag, met de bedoeling om een omgevingsvergunningtraject te voorkomen. In dat verband kan niet onvermeld blijven dat dit niet de eerste keer was dat [medeverdachte 4] in een kwestie als de onderhavige was betrokken. Met de relevantie van de informatie betreffende de inhoudsmaat van een mestsilo die bij een gemeente diende te worden gemeld, mocht [medeverdachte 4] uit hoofde van de kwestie die speelde in zaaksdossier 5 [relaasproces-verbaal, AMB – 00198, pagina 000613] ruimschoots bekend worden verondersteld, toen hij [medeverdachte 7] adviseerde over zijn mestsilo en hij met [betrokkene 3] belde over de inhoudsmaat en de vermeldingen op de detailbouwtekening. Immers, in zaaksdossier 5 bleek [medeverdachte 4] ook nauw betrokken bij een kwestie tussen een gemeente en een klant van [bedrijf 1] , waarin het mede ging om de inhoud van een mestsilo. Die silo was opgericht in 2012 na een daaraan voorafgaande goedgekeurde melding. Op de bij die melding gevoegde detailtekening was vermeld dat deze een kleinere inhoud dan 2.500 m3 zou hebben, namelijk een inhoudsmaat van 2.400 m3, maar bij een controle in december 2017 bleek deze een inhoud te hebben van 2.756,33 m3. Het was [medeverdachte 4] die in verband met deze constatering op 17 mei 2018 namens [bedrijf 1] aanwezig was bij een overleg bij de betreffende gemeente over deze silo. Die gemeente liet al op 19 april 2018 en 14 mei 2018 aan [bedrijf 1] , in de aanloop naar die afspraak weten, dat de opgerichte silo groter was dan 2.500 m3 voor wat betreft de inhoud, terwijl in de melding destijds was aangegeven dat deze een maximale inhoud van 2.400 m3 zou hebben, waardoor sprake was van een vergunningplicht. Uit een mail van 12 juni 2018 blijkt dat dit ook op 17 mei 2018 was besproken met [medeverdachte 4] [DOC-02259, pagina 003738]. Ook hieruit valt aldus af te leiden dat [medeverdachte 4] ten tijde van het onderhavige bewezenverklaarde feit zeer wel op de hoogte was van wat dient te worden verstaan onder de inhoud van een mestsilo en hoe deze door een gemeente wordt berekend.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [medeverdachte 7] , [betrokkene 3] , [bedrijf 6] . en [medeverdachte 4] allen als medepleger kunnen worden aangemerkt van het onder feit 2 primair bewezenverklaarde.
Het hof acht overigens voor de bewijsvraag niet relevant of de in de bewijsmiddelen genoemde grens van 2.500 m3 inhoud van mestsilo’s daadwerkelijk van betekenis is voor de bepaling welk omgevingsrechtelijk traject (kortweg: het doen van een melding of het aanvragen van een omgevingsvergunning) met betrekking tot de mestsilo diende te worden gevolgd. Het hof zal dit punt daarom onbesproken laten. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen kan in elk geval worden vastgesteld dat [medeverdachte 7] , [betrokkene 3] en [medeverdachte 4] allen toentertijd in de veronderstelling verkeerden dat deze grens van doorslaggevende betekenis was voor het te volgen traject en dat dit het motief heeft gevormd voor het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen.
Ten aanzien van feit 3 primair (zaaksdossier 3)
Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat sprake is van valsheid in geschrift door het vervalsen van de opdrachtbevestiging en factuur zoals tenlastegelegd (feit 3 primair). Het hof is van oordeel dat de zoon van [medeverdachte 9] samen met [medeverdachte 9] (hierna: [medeverdachte 9] ) en [medeverdachte 10] (hierna: [medeverdachte 10] ) ten behoeve van hun vennootschap [bedrijf 3] de opdrachtbevestiging en de factuur heeft vervalst en dat een medewerker van [bedrijf 1] , [medeverdachte 11] (hierna: [medeverdachte 11] ), daarbij als medepleger kan worden aangemerkt. Het hof overweegt daartoe, gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank, als volgt.
Dat de datum op de factuur van [bedrijf 2] en de datum op de daarbij behorende opdrachtbevestiging zijn vervalst staat niet ter discussie. Deze vervalsingen hebben plaatsgevonden door de zoon van [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] , zoals blijkt uit de door [medeverdachte 9] afgelegde verklaring, die wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 10] . Het hof gaat hier vanuit. Ten aanzien van de medewerker van [bedrijf 1] , [medeverdachte 11] , overweegt het hof nog het volgende.
[betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ), ook een medewerker van [bedrijf 1] , heeft op 11 januari 2017 ten behoeve van [bedrijf 3] een subsidieaanvraag gedaan bij de RVO voor het zogenoemde POP3 subsidieprogramma voor jonge landbouwers (hierna: POP3). Voor toekenning van de subsidie was – onder andere – vereist dat ten tijde van het aanvragen van de subsidie nog geen verplichtingen waren aangegaan. Op 20 maart 2018 stuurde [medeverdachte 10] de originele factuur (gedateerd op 31 december 2016) en opdrachtbevestiging (gedateerd op 28 december 2016) voor de aankoop van een mestscheider aan [betrokkene 4] . [betrokkene 4] stuurde de op 20 maart 2018 ontvangen documenten op 23 maart 2018 door aan [medeverdachte 11] . Op 3 april 2018 stuurde [medeverdachte 10] wederom de opdrachtbevestiging en factuur van [bedrijf 2] aan [medeverdachte 11] toe. In de begeleidende e-mail schreef [medeverdachte 10] aan [medeverdachte 11] : “aanvulling zoals telefonische besproken”. Het hof stelt vast dat de opnieuw toegestuurde opdrachtbevestiging en factuur overeenkomen met de versies die op 20 maart 2018 aan [betrokkene 4] werden toegestuurd, met het enkele verschil dat de data op de documenten zijn aangepast. Zo staat op de opdrachtbevestiging in de laatst gestuurde versie de datum van 15 januari 2017 in plaats van 28 december 2016 en op de laatst gestuurde versie van de factuur de datum van 23 januari 2017 in plaats van 31 december 2016. Het hof maakt hieruit op dat de aangepaste data de “aanvullingen” zijn “zoals besproken”. Hieruit maakt het hof ook op dat het wijzigen van de data met [medeverdachte 11] is besproken en dat zij hiervan aldus op de hoogte was.
Dat een of meer medewerksters van [bedrijf 1] van de gewijzigde data op de hoogte was, maakt het hof ook op uit aantekeningen/de handgeschreven notities die zijn aangetroffen in de administratie van [bedrijf 1] met betrekking tot voornoemde subsidieaanvraag. In die aantekeningen was opgeschreven wat de daadwerkelijke datum was van de opdrachtbevestiging en factuur en voorts was daarin opgeschreven: “opdrachtbevestiging en factuur moet na 11-1-’17”. En [medeverdachte 9] heeft verklaard dat hij van een van de meisjes van [medeverdachte 3] (het hof begrijpt van [bedrijf 1] ) het verzoek kreeg dat er een andere datum op moest komen, hetgeen bevestiging vindt in de verklaring van [medeverdachte 10] dat zij met betrekking tot de subsidieaanvraag contact onderhielden met de meisjes van [bedrijf 1] .
Voorts heeft [medeverdachte 11] op 9 april 2018 de aangepaste factuur en opdrachtbevestiging bij de RVO ingediend ten behoeve van het verkrijgen van een POP3 subsidie en heeft zij aldus die documenten gepresenteerd alsof die echt en onvervalst waren. Daarnaast blijkt dat [medeverdachte 11] ook een actieve rol had in het vervalsen van de documenten. Dit blijkt uit het feit dat in de opdrachtbevestiging zoals door [medeverdachte 10] op 3 april 2018 aan [medeverdachte 11] toegestuurd op pagina 4 de tekst staat: “Alle vermelde levertijden gelden na ontvangst van de getekende opdrachtbevestiging en aanbetaling voor 4/1/2017”. In de opdrachtbevestiging die door [medeverdachte 11] aan de RVO was toegestuurd is uit voornoemde zin de tekst “voor 4/1/2017” verwijderd. Op basis van factuur- en projectregels van [bedrijf 1] is vastgesteld dat [medeverdachte 11] gedurende 4 uur werkzaamheden verrichtte met betrekking tot de subsidieaanvraag tussen 4 april 2018 en 10 september 2018. Het hof constateert dat de datum van 4 april 2018 ligt na het moment van ontvangst van de e-mail van 3 april 2018 door [medeverdachte 11] met daarbij als bijlage de opdrachtbevestiging, waarop de tekst “voor 4/1/2017” nog vermeld stond en dat de aangepaste documenten, waaronder de opdrachtbevestiging – zonder de tekst “4/1/2017” – op 9 april 2018 door [medeverdachte 11] zijn ingediend. Het hof concludeert op grond hiervan, gevoegd bij de constatering dat aanknopingspunten dat iemand anders bij [bedrijf 1] deze tekst heeft verwijderd ontbreken, dat die tekst dus door [medeverdachte 11] is verwijderd, om dezelfde reden als waarom voornoemde data zijn aangepast: om de RVO te misleiden, althans om de werkelijkheid te verhullen en uitbetaling van de gewenste subsidie te bewerkstelligen. [medeverdachte 11] heeft als het ware de vervalsing vervolmaakt. [medeverdachte 11] was adviseur op het gebied van subsidieverlening. Van een dergelijke adviseur had mogen, en moeten, worden verwacht dat zij na ontvangst van de originele factuur en opdrachtbevestiging aan de klant had geadviseerd om geen subsidie aan te vragen, omdat niet werd voldaan aan de subsidievoorwaarden. Voorwaarde voor subsidieverlening was immers dat er nog geen verplichtingen waren aangegaan ten tijde van het aanvragen van de subsidie; iets waartoe [bedrijf 3] echter al in december 2016 was overgegaan. Uit de bewijsmiddelen blijkt echter dat [medeverdachte 11] “met de klant heeft meegedacht” om alsnog de gewenste subsidie te kunnen krijgen. Daarvoor zijn data op de in de bewezenverklaring genoemde documenten vervalst.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [medeverdachte 11] , (de zoon van) [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] evenals [bedrijf 3] als medepleger kunnen worden aangemerkt ter zake van het onder feit 3 primair bewezenverklaarde.
Ten aanzien van feit 4 primair (zaaksdossier 4)
Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat sprake is van valsheid in geschrift door het valselijk opmaken van de tabellen Administratie Stal. Het hof is van oordeel dat [betrokkene 5] en/of diens medewerker [betrokkene 6] de tabellen genoemd in de bewezenverklaring valselijk hebben opgemaakt en dat [medeverdachte 4] daarbij als medepleger kan worden aangemerkt. Het hof overweegt daartoe, gedeeltelijk in navolging van de rechtbank, als volgt.
[betrokkene 5] was ingevolge de wet gehouden om voor zijn mestafvoersysteem de volgende gegevens te registreren:
  • oplegdata van de gespeende biggen per afdeling;
  • afleverdata van de gespeende biggen per afdeling;
  • tijdstip aflaten mest per afdeling;
  • totaal waterverbruik (inclusief reinigingswater) per afdeling.
Van deze gegevens moest op het bedrijf een overzicht van de huidige (het hof begrijpt: de toentertijd actuele) en vorige productieronde aanwezig zijn.
[betrokkene 5] was aldus gehouden om op zijn bedrijf zo’n overzicht paraat en aanwezig te hebben dat hij bij een controle kon tonen. De betreffende gegevens konden bijvoorbeeld worden opgehaald uit de administratie van een waterdoseercomputer of een logboek, maar ook via andere kanalen. Deze gegevens moesten uiteindelijk op het op te stellen overzicht worden opgenomen per afdeling ten behoeve van een zo gedetailleerd en volledig mogelijke controle .
Het hof stelt vast dat bij het varkensbedrijf van [betrokkene 5] ten tijde van de controle op 11 oktober 2017 geen overzicht aanwezig was zoals hiervoor omschreven. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 4] een document (een lege tabel) aan [betrokkene 5] heeft toegestuurd, waarin alsnog de voornoemde gegevens door [betrokkene 5] dienden te worden ingevuld. Dit document werd vervolgens nagezonden aan de controleur. Uit de tapgesprekken blijkt dat [betrokkene 5] de in te vullen gegevens – samen met zijn medewerker [betrokkene 6] – moest schatten en dat het waterverbruik moest worden teruggerekend. Ook het aantal gehouden gespeende biggen moest worden geschat. [medeverdachte 4] zei tijdens een telefoongesprek met [betrokkene 5] dat hij uittelde hoeveel kuub water er in een afdeling kon en dat [betrokkene 5] hiermee, door terug te rekenen, iedere keer een beginstand en een eindstand van de watermeter kon invullen op de lijsten. [betrokkene 6] en [betrokkene 5] zeiden tijdens een telefoongesprek dat [betrokkene 6] de opleg- en afleverdata van de biggen gewoon kon gissen, als daar maar iets op stond, de laatste vijf of tien rondes. Ad [betrokkene 5] zei dat [betrokkene 6] met betrekking tot de watermeterstanden naar de watermeter moest kijken, vijf weken “terug moest tellen” en 13 kuub water per afdeling eraf moest halen en invullen dat dat toen de stand was. Ook vroeg [betrokkene 6] aan [betrokkene 5] hoe hij moest opschrijven dat biggen in twee dagen werden opgezet zodat het aannemelijk zou zijn. [betrokkene 5] zei daarop dat de afdelingen in tweeën konden worden gedeeld, waarop [betrokkene 6] zei dat hij dan nog beter op moest letten, omdat het in dat geval niet klopte met de afbeeldingen, wat gevaarlijk was. [betrokkene 5] zei dat hij het maar zo goed mogelijk moest opschrijven en het maar moest invullen, maar dat het niet precies 1067 plaatsen moesten zijn, omdat dat natuurlijk teveel zou opvallen. [betrokkene 5] zei dat een keer 1005, een keer 1030 en een keer 1120 perfect was. [betrokkene 6] zei dat hij er een keer 1035 en een keer 1080 had gedaan, waarop [betrokkene 5] zei dat dat goed was. [betrokkene 6] zei dat hij er nog een van 1090 had waar hij iets anders, 1070, van moest maken, vroeg aan [betrokkene 5] te bekijken of het logisch was wat hij had opgeschreven, zodat hij zichzelf daar niet mee zou vangen en zei tegen [betrokkene 5] dat zijn berekeningen er niet bij moesten staan.
Uit deze gang van zaken maakt het hof op dat de gegevens die [betrokkene 5] ten behoeve van de controle aanwezig moest hebben, niet door hem waren bijgehouden en geregistreerd, maar later op zijn verzoek door [betrokkene 6] zijn geconstrueerd op een manier die geloofwaardig moest overkomen. Dat [betrokkene 5] ten tijde van het invullen van de overzichten de op de stal aanwezige gegevens had uitgelezen en genoteerd, bijvoorbeeld uit het I&R systeem of uit een aanwezige waterregistratie, is het hof niet gebleken. In de tapgesprekken werd hier ook niet over gesproken, maar er werd louter gesproken over “gissen”, “bij benadering”, “verzinnen” en “terugrekenen”. Dat de gegevens mogelijk de werkelijkheid benaderden doet aan de valsheid van die gegevens niets af, aangezien door het “schatten”, “gissen” en “verzinnen” daarvan die werkelijkheid al geweld is aangedaan gelet op de maatschappelijke betekenis die in dit geval aan het bijhouden van (juiste/niet fictieve) gegevens wordt toegekend. Immers, het bijhouden van de gegevens was van belang voor controle op het watersysteem en het aflaten van de mest. Met behulp van deze gegevens was na te gaan of voldoende water was gebruikt voor het vullen van de mestkanalen. De achterliggende gedachte daarvan was ammoniakemissiebeperking, hetgeen was gebaseerd op het beperken van putemissie door opvang van mest in water in combinatie met een regelmatige mestafvoer (na afloop van elke ronde). De wettelijke plicht de gegevens op het bedrijf aanwezig te hebben diende ter bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die inrichtingen als het bedrijf van [betrokkene 5] konden veroorzaken, in dit geval door ammoniakemissie. De controle of voldoende water was gebruikt voor het vullen van de mestkanalen en aldus of de ammoniakemissie voldoende was beperkt, werd door het niet bijhouden van de (juiste/niet fictieve) gegevens onmogelijk gemaakt.
Daarnaast heeft [betrokkene 5] er bewust voor gekozen om de gegevens van tien afdelingen tezamen op te nemen. Dit is volgens voornoemde verplichtingen (het registreren van gegevens per afdeling) al niet juist en volgens de tapgesprekken is het opnemen van de gegevens van de tien afdelingen tezamen ook een bewuste keuze geweest. [betrokkene 6] zei immers in een gesprek met [betrokkene 5] dat hij expres nooit afdelingsnummers op die kaarten zette, omdat ze het anders haarfijn uit konden peilen, waarop [betrokkene 5] zei dat er gewoon afdeling één tot en met tien boven gezet moest worden, zodat ze het nooit zouden kunnen uitvogelen. [medeverdachte 4] wist dat de registratieverplichtingen niet waren nagekomen, maar heeft er bewust voor willen zorgen dat dit verhuld werd. Het hof overweegt tot slot dat overigens niet het gehele bedrijf van [betrokkene 5] als één afdeling kon worden gezien. Het was ook [betrokkene 5] zelf die er vanuit ging dat zijn bedrijf tien afdelingen telde en dit nam hij ook tot uitgangspunt bij de wijze waarop hij gefingeerde gegevens verwerkte en liet verwerken in zijn staladministratie.
Tekenend voor dit verhullen is voorts de opmerking van [medeverdachte 4] dat hij aan [betrokkene 5] over de telefoon aangaf dat hij de overzichten zou uitprinten om deze vervolgens weer in te scannen en er een Pdf-bestand van te maken, onder het mom van: “Oude stalkaarten mogen wel een beetje onduidelijk zijn”. Echter, de overzichten betroffen helemaal geen oude stalkaarten; deze waren destijds immers recentelijk ingevuld. Dat [medeverdachte 4] er bewust mede voor heeft willen zorgen dat verhuld bleef dat de verplichtingen niet waren nagekomen, blijkt ook uit het feit dat op de overzichten in eerste instantie berekeningen stonden opgenomen waaruit de systematiek van het terugrekenen bleek, welke berekeningen later (op verzoek van [betrokkene 5] ) door [medeverdachte 4] zijn weggehaald. Daarnaast blijkt uit de tapgesprekken en e-mailcorrespondentie dat [medeverdachte 4] de controleur heeft willen doen voorkomen dat het waterverbruik wél handmatig door een medewerker van [betrokkene 5] was bijgehouden. In een telefoongesprek met [betrokkene 5] zei [medeverdachte 4] dat hij tegen de controleur had gezegd dat [betrokkene 5] van zijn medewerker te horen had gekregen dat de registratie van het waterverbruik wel werd bijgehouden. In zijn e-mail aan de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant met daarbij in de bijlagen de ingevulde tabellen, schreef [medeverdachte 4] vervolgens: “zoals beloofd de laatste drie rondes van de biggen, waarbij alleen watergebruik handmatig is bijgehouden”. Aldus werd aan de controleur voorgewend dat de aangeleverde gegevens waren bijgehouden, terwijl die gegevens achteraf zijn geschat en teruggerekend.
Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat [medeverdachte 4] tezamen en in vereniging met [betrokkene 5] en diens medewerker [betrokkene 6] de tabellen Administratie Stal zoals bewezenverklaard valselijk heeft opgemaakt. Zij hebben gedrieën overlegd over de totstandkoming van de tot dan toe nog niet bestaande registraties, gegevens hiervoor gefingeerd en daarin vervolgens nog de nodige aanpassingen aangebracht, voordat deze uiteindelijk aan de controleur van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant zijn toegezonden. Op deze wijze werd het beoogde doel bereikt. Door het achteraf valselijk opmaken van de staladministratie en het voorwenden dat deze op 11 oktober 2017 ten tijde van de controle weliswaar aanwezig was geweest, maar niet aan de controleur was getoond, werd gedrieën voorkomen dat de controleur op dit onderdeel een bevinding in diens rapport plaatste, getuige het controleverslag.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [medeverdachte 4] , [betrokkene 5] en diens medewerker [betrokkene 6] als medepleger kunnen worden aangemerkt ter zake van het onder feit 4 primair bewezenverklaarde.
Ten aanzien van feit 5 primair (zaaksdossier 7)
Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat sprake is van valsheid in geschrift door het valselijk opmaken van de Gecombineerde Data Inwinning (hierna: de GDI) 2018 van [locatie] (de V.O.F. hierna kortweg aangeduid als: [locatie] ) zoals onder 5 primair bewezenverklaard. Het hof is van oordeel dat [verdachte] deze GDI valselijk heeft opgemaakt en dat [medeverdachte 8] , als klant van [verdachte] van [bedrijf 1] en vennoot van [locatie] , evenals [locatie] daarbij als medeplegers kunnen worden aangemerkt. Het hof overweegt daartoe, gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank, als volgt.
Het hof is van oordeel dat de GDI niet conform de werkelijkheid is opgemaakt, hetgeen blijkt uit de tapgesprekken, de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en de getuigenverklaring van de ambtenaar van de gemeente Helmond. [verdachte] heeft de GDI op 16 mei 2018 ingediend. Daarin was het volgende vermeld. [locatie] zou zes percelen met een oppervlakte van 5,75 hectare blijvend grasland in gebruik hebben. Voorts was in het “Overzicht percelen” bij de GDI vermeld dat dit de percelen [adres 4] tot en met [adres 5] betroffen die bij [locatie] in gebruik waren als blijvend grasland. Bij de GDI was daarnaast onder “Mijn percelen” een foto gevoegd waarop het hof waarneemt een luchtfoto van een landschap (bovenaanzicht) waarop onder andere vijf percelen in rode kleur zijn omlijnd en in deze percelen zijn  van links naar rechts  de nummers [adres 4] , [adres 9] , [adres 7] , [adres 10] en [adres 5] vermeld. Echter, ten aanzien van die percelen [adres 4] tot en met [adres 5] stelt het hof vast dat deze niet in gebruik waren bij [locatie] en dat [verdachte] en [medeverdachte 8] daarvan in ieder geval op 15 mei 2018 (de peildatum van de opgave) op de hoogte waren én dat zij dus ook van de valsheid van de complete GDI, ingediend op 16 mei 2018, op de hoogte waren. Deze percelen [adres 4] , [adres 9] , [adres 7] , [adres 10] en [adres 5] waren eigendom van de gemeente Helmond en deze waren niet in gebruik bij [locatie] , noch waren deze percelen in gebruik gegeven aan [locatie] .
[medeverdachte 8] en [verdachte] waren hiervan op de hoogte. Immers, in het telefoongesprek van donderdag 17 mei 2018 tussen [verdachte] en [medeverdachte 8] zei deze laatste tegen [verdachte] dat hij een paar weken terug contact had gehad met de gemeente Helmond over een stukje dat hij had opgegeven dat van de gemeente Helmond was en dat de gemeente zei dat dat helemaal niet mocht. Hij vroeg aan [verdachte] hoe groot de kans was dat de gemeente dat zou zien, waarop [verdachte] antwoordde dat hij het daar met [medeverdachte 12] dinsdag – dus op 15 mei 2018 – over had en dat hij, het hof begrijpt: [medeverdachte 8] broer [medeverdachte 12] ( [medeverdachte 12] ), aangaf om van die percelen nog maar wat bij onze [medeverdachte 8] (het hof begrijpt: [medeverdachte 8] ) op te geven, want dan had hij (het hof begrijpt: [medeverdachte 8] ) nog wat extra grond, voor het geval dat er dadelijk wat vanaf gestreept moest worden en dat dan nog steeds de derogatie wel klopte. Daarbij is voor de wetenschap ten aanzien van de valsheid van de opgave tekenend dat door [medeverdachte 8] tegen [verdachte] werd gezegd of het niet slimmer was om die percelen bij iemand anders neer te zetten, omdat hij, [medeverdachte 8] , anders problemen kreeg met de gemeente Helmond, omdat [medeverdachte 8] goed wist dat de gemeente Helmond dat niet wilde en dat hij ook kon zeggen dat hij zich er niet mee had bemoeid en Henk [verdachte] het zo had ingetekend, waarop [verdachte] reageerde: “Ja dag, het is goed met jou. Dan streep ik ze nou er nog allemaal uit.” Het hof leidt hieruit af dat de genoemde percelen in weerwil van de bij [verdachte] en [medeverdachte 8] bestaande wetenschap en dus opzettelijk in strijd met de werkelijkheid zijn vermeld in (het “Overzicht percelen” bij) de GDI als 5,75 hectare blijvend grasland in gebruik bij [locatie] en dat van die percelen eveneens in strijd met de werkelijkheid de hiervoor besproken foto is bijgevoegd met de perceelnummers [adres 4] tot en met [adres 5] onder de vermelding “Mijn percelen”.
Het hof is van oordeel dat deze bewezenverklaarde documenten, deel uitmakend van de GDI, geschriften betreffen die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen en dat deze zijn opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken. De GDI is (door [verdachte] ) bij de RVO ingediend om aan te tonen hoeveel oppervlakte landbouwgrond er op 15 mei van dat jaar in gebruik was bij [locatie] , waarbij [locatie] er belang bij had een zo hoog mogelijke gebruiksruimte te hebben met een bepaald percentage blijvend grasland. De gegevens over oppervlakte en gewassen waren immers  in ieder geval in 2018  van belang om te bepalen of een bedrijf meer dierlijke mest mocht gebruiken dan de standaard gebruiksnorm dierlijke mest in het kader van de zogenoemde derogatievoorwaarden. Bedrijven die van de RVO een vergunning voor derogatie hadden gekregen, mochten met dierlijke meststoffen 60 tot 80 kilogram stikstof meer per hectare gebruiken dan de standaardnorm van 170 kilogram per hectare, als onder andere minimaal 80 % van de oppervlakte landbouwgrond van het bedrijf grasland was. Het grote voordeel voor derogatiebedrijven was dat ze meer dierlijke mest mochten gebruiken en daardoor minder dierlijke mest tegen hoge kosten hoefden af te voeren en minder kunstmest hoefden aan te kopen om de gewassen optimaal te laten groeien. Daarnaast bespaarden veebedrijven hoge mestafzetkosten, wanneer ze meer dierlijke mest op hun eigen landbouwgrond konden aanwenden. Akkerbouwbedrijven konden bij een hogere gebruiksruimte meer dierlijke mest afnemen waarvoor ze een vergoeding ontvingen. Daarnaast hadden veel landbouwers het gevoel dat ze hun gewassen, met de toentertijd geldende gebruiksnormen, niet meer optimaal konden bemesten en daardoor een lagere gewasopbrengst realiseerden. Ook hiervoor had een grotere gebruiksruimte op papier zijn voordelen voor het bedrijf [AMB-00296, p. 1511-1512, proces-verbaal van bevindingen juridisch kader schuiven grond door verbalisant [verbalisant 3] d.d. 11 februari 2020]. Dit is, zo acht het hof aannemelijk, de reden geweest waarom [medeverdachte 8] in onderhavig geval meer percelen blijvend grasland als zijnde bij hem in gebruik heeft opgegeven dan in werkelijkheid het geval was.
Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat [verdachte] tezamen en in vereniging met [medeverdachte 8] en [locatie] de bewezenverklaarde documenten, deel uitmakend van de GDI, valselijk heeft opgemaakt. [verdachte] heeft de percelen voor [medeverdachte 8] als vennoot van [locatie] ingetekend, de GDI is vervolgens door [verdachte] bij de RVO ingediend met als doel [locatie] een gunstiger positie te verschaffen bij het bepalen van de gebruiksruimte dierlijke mest, stikstof en fosfaat voor zijn bedrijf.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verdachte] en [medeverdachte 8] als medeplegers kunnen worden aangemerkt ter zake van het onder feit 5 primair bewezenverklaarde.
Ten aanzien van feit 6 primair (zaaksdossier 9)
Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat sprake is van valsheid in geschrift door het valselijk opmaken van de Gecombineerde Data Inwinning 2018 van [bedrijf 4] (hierna: de GDI MDB) zoals onder 6 primair bewezenverklaard. Het hof is van oordeel dat [verdachte] de GDI MDB valselijk heeft opgemaakt en dat [medeverdachte 12] , als klant van [verdachte] van [bedrijf 1] en handelend onder de naam [bedrijf 4] (een eenmanszaak), daarbij als medepleger kan worden aangemerkt. Het hof overweegt daartoe, gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank, als volgt.
Het hof is van oordeel dat de GDI MDB niet conform de werkelijkheid is opgemaakt, hetgeen blijkt uit de tapgesprekken, de bevindingen van de verbalisanten en de getuigenverklaringen. [verdachte] heeft de GDI MDB op 16 mei 2018 ingediend. Daarin was het volgende vermeld. [bedrijf 4] zou 31 percelen van in totaal 63,34 hectare in gebruik hebben. Voorts was in het “Overzicht percelen” bij de GDI MDB vermeld dat dit gedeeltelijk de percelen [adres 7] tot en met [adres 8] betroffen die bij [bedrijf 4] in gebruik waren. Bij de GDI MDB zijn tevens onder “Mijn percelen” foto’s toegevoegd waarop het hof  voor zover hier relevant  het volgende waarneemt. Het hof neemt waar vier zwart-wit luchtfoto’s van landschappen (bovenaanzichten), waarop telkens percelen zijn omlijnd en waarbij in elk van die percelen telkens een nummer is vermeld. Op de eerste foto [DOC-05091, p. 5387] neemt het hof vier omlijnde en genummerde percelen waar, waaronder een perceel met nummer [adres 7] . Op de tweede foto [DOC-05093, p. 5389] neemt het hof vijf omlijnde en genummerde percelen waar, die  van links naar rechts  zijn genummerde [adres 11] , [adres 12] , [adres 13] , [adres 14] en [adres 8] . Op de derde foto [DOC-05095, p. 5391] neemt het hof waar vijf omlijnde en genummerde percelen, waaronder de nummers [adres 15] , [adres 16] , [adres 17] en [adres 18] . Op de vierde foto [DOC-05096, p. 5392] neemt het hof vier omlijnde en genummerde percelen waar, die  van beneden naar boven  zijn genummerd [adres 10] , [adres 5] , [adres 19] en [adres 20] . Echter, ten aanzien van de percelen [adres 7] tot en met [adres 8] stelt het hof vast dat deze niet in gebruik waren bij [bedrijf 4] en dat [verdachte] en [medeverdachte 12] daarvan in ieder geval op 15 mei 2018 (de peildatum van de opgave) op de hoogte waren én dat zij dus ook van de valsheid van de complete GDI MDB, ingediend op 16 mei 2018, op de hoogte waren.
Immers, in het telefoongesprek van donderdag 18 mei 2018 tussen [verdachte] en [medeverdachte 12] heeft [verdachte] tegen [medeverdachte 12] gezegd dat hij ze op woensdag – dus op 16 mei 2018 – allemaal had verstuurd, dat hij nog geschoven had met de betalingsrechten en hectares bij elkaar had gekrast. Uit het telefoongesprek van 15 mei 2018 tussen [verdachte] en [medeverdachte 12] blijkt dat [verdachte] tegen [medeverdachte 12] zei: “Ik wilde het zo doen”, waarna hij [medeverdachte 12] voorstelde nog wat (betalings)rechten te schuiven en daarbij ook de geldelijke voordelen daarvan voor [medeverdachte 12] schetste. [medeverdachte 12] , het hof begrijpt [medeverdachte 12] , gaf daarbij aan het risico wel te willen nemen het zo te doen als [verdachte] voorstelde en er maar vanuit te gaan dat ze nu geen controle zouden krijgen. In het licht van het voorgaande is tekenend te noemen dat [verdachte] in dat gesprek de telefoon opnam met: “Ja, met de puzzelclub”. Uit dit alles leidt het hof af dat de genoemde percelen in weerwil van de bij [verdachte] en [medeverdachte 12] bestaande wetenschap en dus opzettelijk in strijd met de werkelijkheid zijn vermeld in (het “Overzicht percelen” bij) de GDI MDB als onderdeel van de in totaal 63,34 hectare opgegeven oppervlakte in gebruik bij [bedrijf 4] en dat van die percelen eveneens in strijd met de werkelijkheid de hiervoor besproken foto’s met de perceelnummers [adres 7] , [adres 10] , [adres 5] , [adres 19] , [adres 20] , [adres 15] , [adres 16] , [adres 17] , [adres 18] , [adres 11] , [adres 12] , [adres 13] , [adres 14] en [adres 8] zijn bijgevoegd onder de vermelding “Mijn percelen”.
Wat de percelen [adres 10] , [adres 5] , [adres 19] , [adres 15] , [adres 17] , [adres 13] en [adres 8] betreft, stelt het hof vast dat uit getuigenverklaringen blijkt dat deze percelen niet in gebruik waren bij [bedrijf 4] . Voor zover is betoogd dat de eigenaren van de percelen deze percelen in gebruik zouden hebben gegeven bij [getuige 2] en dat [getuige 2] met [medeverdachte 12] de afspraak zou hebben gemaakt dat laatstgenoemde deze percelen ten behoeve van diens bedrijf in de GDI MDB mocht opnemen, wordt dit weerlegd door de getuigenverklaringen. Bovendien blijkt uit de onderzoeksbevindingen van de betrokken opsporingsambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit dat al op 30 december 2014 door [verdachte] instructies werden gegeven dat moest worden ingelogd bij de RVO op het account van [getuige 2] en dat een machtiging moest worden afgegeven aan [bedrijf 4] . Dit gebeurde nadat [medeverdachte 12] via [betrokkene 7] per mail de inloggegevens van [getuige 2] had ontvangen en [medeverdachte 12] deze doorgaf aan [verdachte] . De machtiging aan [medeverdachte 12] lijkt daarmee niet alleen volledig buiten [getuige 2] te zijn omgegaan, maar ook de verklaring van [getuige 2] als getuige bevestigt dat, want hij kon zich niet herinneren een dergelijke machtiging te hebben afgegeven. Dit betekent dat de mogelijkheid bestond en kennelijk ook  blijkens de tapgesprekken waarin werd gesproken over het schuiven met percelen van [getuige 2]  werd benut om naar believen en buiten [getuige 2] om een (gedeeltelijk) fictieve en niet met de werkelijkheid overeenstemmende gebruiksruimte voor te wenden voor (in ieder geval) zowel [bedrijf 4] als [getuige 2] .
Ten aanzien van de overige percelen (nummers [adres 7] , [adres 20] , [adres 16] , [adres 18] , [adres 11] , [adres 12] en [adres 14] ) is het hof, tegen de achtergrond van de voorgaande overweging, eveneens van oordeel dat deze ten onrechte in de GDI MDB zijn opgenomen, nu uit de bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] blijkt dat deze geen eigendom waren van [bedrijf 4] en er geen enkele aanwijzing in het dossier is aangetroffen noch iets te berde is gebracht waaruit zou kunnen blijken dat de eigenaren de desbetreffende percelen aan [bedrijf 4] in gebruik zouden hebben gegeven.
Daarnaast is het hof van oordeel dat de bewezenverklaarde documenten, deel uitmakend van de GDI MDB, geschriften betreffen die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen en dat deze zijn opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken. Immers, de percelen zijn opgenomen in de GDI MDB als onderdeel van de in totaal 63,34 hectare opgegeven oppervlakte, zijn vermeld in het overzicht percelen van de GDI MDB en er zijn vier foto’s van de percelen bijgevoegd onder de vermelding “Mijn percelen” met die perceelnummers. De GDI MDB is door [verdachte] bij de RVO ingediend om aan te tonen hoeveel oppervlakte landbouwgrond er op 15 mei van dat jaar in gebruik was bij [bedrijf 4] , waarbij [medeverdachte 12] er belang bij had een zo hoog mogelijke gebruiksruimte te hebben met een bepaald percentage blijvend grasland. De gegevens over oppervlakte en gewassen waren immers  in ieder geval in 2018  van belang om te bepalen of een bedrijf meer dierlijke mest mocht gebruiken dan de standaard gebruiksnorm dierlijke mest in het kader van de zogenaamde derogatievoorwaarden. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen hierover bij feit 5 is overwogen. Het hof acht aannemelijk dat dit stelsel van derogatie de reden is geweest waarom [bedrijf 4] in onderhavig geval meer percelen (waaronder blijvend grasland) als zijnde bij hem in gebruik heeft opgegeven dan in werkelijkheid het geval was.
Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat [verdachte] tezamen en in vereniging met [medeverdachte 12] en [bedrijf 4] de bewezenverklaarde documenten, deel uitmakend van de GDI MDB, valselijk heeft opgemaakt. [verdachte] heeft de percelen voor [medeverdachte 12] ingetekend en heeft daarvoor de lijnen uitgezet. De GDI MDB is vervolgens door [verdachte] bij de RVO ingediend met als doel [bedrijf 4] een gunstiger positie te verschaffen bij het bepalen van de gebruiksruimte dierlijke mest, stikstof en fosfaat van het bedrijf.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verdachte] , [medeverdachte 12] en [bedrijf 4] als medeplegers kunnen worden aangemerkt ter zake van het onder feit 6 primair bewezenverklaarde.
Ten aanzien van feit 7(zaaksdossier 8)
Het hof dient te beoordelen of de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, die het oogmerk had op, kortweg, het plegen van valsheid in geschrift, het veranderen van inrichtingen zonder vergunning en het vervalsen van een vereiste registratie, zoals bewezenverklaard onder feit 7, eerste tot en met derde gedachtestreepje (hierna tezamen ook wel te noemen: de doelmisdrijven). Het hof overweegt hieromtrent, gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank, als volgt.
Voor beantwoording van de vraag of de verdachte heeft deelgenomen aan een dergelijke criminele organisatie moet eerst worden vastgesteld of sprake is van een organisatie. Onder “organisatie” wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één (andere) rechtspersoon of natuurlijk persoon. Gezagsverhoudingen (hiërarchie), rolverdeling, regels en een onder een gemeenschappelijke naam optreden tegenover derden kunnen sterke aanwijzingen zijn voor een samenwerkingsverband en daarmee een organisatie, maar zijn niet vereist om dit vast te kunnen stellen.
Een organisatie zoals hiervoor bedoeld, wordt pas een criminele organisatie als vast komt te staan dat de organisatie het oogmerk heeft op het plegen van een misdrijf/misdrijven. Daarvoor is van belang dat gekeken wordt naar de misdrijven die in het kader van de organisatie zijn gepleegd en naar het duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking, te weten de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten van de deelnemers gericht op het doel van de organisatie. Van belang hierbij is om op te merken dat het oogmerk van de organisatie niet hetzelfde is als het oogmerk van de deelnemer. In het deelnemen aan de organisatie ligt het opzet besloten. De deelnemer moet weten dat de organisatie het oogmerk heeft het plegen van een misdrijf/misdrijven. Niet vereist is dat de deelnemer opzet heeft op de door de organisatie beoogde of gepleegde, concrete misdrijven.
Voorts hoeft de organisatie niet een louter misdadige (hoofd)doelstelling te hebben, deze kan ook mede een legaal doel hebben.
Bij de vraag of sprake is geweest van deelname aan een criminele organisatie is niet vereist dat wordt vastgesteld dat een verdachte voor alle tenlastegelegde feiten  in het kader van de criminele organisatie  verantwoordelijk is. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van deelname bij de afzonderlijke verdachte gaat het er om of kan worden vastgesteld:
  • of de verdachte  in zijn algemeenheid  wist dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van misdrijven (waarbij voorwaardelijk opzet niet voldoende is) en;
  • of de verdachte een aandeel heeft gehad c.q. ondersteunende handelingen heeft verricht, gericht op verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
Bij deze beoordeling speelt een belangrijke, maar geen beslissende rol of een verdachte
wordt veroordeeld voor een van de afzonderlijke tenlastegelegde andere feiten in het kader
van de criminele organisatie. Het laten ontstaan en in stand houden van een bedrijfscultuur waarbinnen strafbare feiten worden begaan kan voldoende zijn om deelneming aan een criminele organisatie aan te nemen.
Het hof komt tot het oordeel dat sprake is geweest van een criminele organisatie.
Het hof stelt in dit verband eerst vast dat de verdachte en drie van zijn medeverdachten in de bewezenverklaarde periode (middellijk) bestuurders waren van het  eveneens als verdachte aangemerkte  agrarisch adviesbureau [bedrijf 1] . Het hof erkent dat [bedrijf 1] niet slechts criminele activiteiten verrichtte, althans dat zij niet een louter crimineel oogmerk had. Het beeld dat uit het dossier naar voren komt is dat [bedrijf 1] , onder die naam ook naar buiten tredend, als agrarisch adviesbureau, met naast [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] diverse andere medewerkers, klanten uit de agrarische sector met raad en daad bijstond bij het hanteren en naleven van voorschriften uit de wet- en regelgeving die op hun bedrijfsvoering van toepassing was. Hiermee is naar het oordeel van het hof reeds genoegzaam bewezen te achten, zulks is ook niet in geschil, dat sprake was van een organisatie. De vraag is vervolgens welke bijkomende feiten en omstandigheden het hof ertoe leiden dat hier ook sprake is van een criminele organisatie als in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht bedoeld.
Ondersteuning bij vergunning- of subsidieaanvragen, het voeren van mestboekhoudingen en het nakomen van administratieve verplichtingen behoorden zonder meer tot de reguliere werkzaamheden die binnen [bedrijf 1] werden verricht. In de kern allemaal legale werkzaamheden die passen binnen de normale bedrijfsuitoefening van deze rechtspersoon. Dat neemt niet weg dat [bedrijf 1] naar het oordeel van het hof in de bewezenverklaarde periode  naast de legale activiteiten  ook het oogmerk heeft gehad op het plegen van de doelmisdrijven.
Dat [bedrijf 1] het oogmerk heeft gehad op het plegen van de doelmisdrijven, leidt het hof af uit het feit dat [bedrijf 1] – door en met haar (middellijk) bestuurders ( [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] ) – in de loop van vele jaren een bedrijfscultuur heeft gecreëerd, waarbinnen in met wet- en regelgeving strijdige situaties werd meegedacht met de klant en de ondersteuning vaak niet zozeer gericht was op naleving van wet- en regelgeving, maar veeleer het realiseren van de wensen van de klant.
Dat die bedrijfscultuur binnen [bedrijf 1] werd uitgedragen, komt onder andere sterk tot uitdrukking in de verklaring van [getuige 3] , voormalig medewerkster van [bedrijf 1] . Zij heeft verklaard dat in de adviezen van [bedrijf 1] de grenzen van de wet werden opgezocht en dat die wet ook kon worden overtreden, bijvoorbeeld als een klant meer wilde en als het in het belang van de klant nodig was de regels te overtreden. Zij noemde een voorbeeld over dieraantallen, waarbij door [medeverdachte 4] aan haar werd gevraagd om een aantal op papier te zetten waarvan zij het idee had dat dit niet klopte. Bij [bedrijf 1] verlangden ze dat zij meer vanuit de klant zou denken in plaats van de juridische regels, aldus [getuige 3] . Op de vraag wie bepaalde wat juridisch op het randje was, antwoordde zij: “De keuze zal altijd vanuit [medeverdachte 5] of [medeverdachte 4] komen.” In een aan [getuige 3] voorgehouden notitie werd besproken dat zij een spanningsveld ervaart tussen dingen goed willen doen, volgens de regeltjes, en de meest wenselijke oplossing voor de klant zoeken en dat zij het lastig vindt dat ze bij sommige dingen al weet wat een ambtenaar ervan zal vinden. Op de vraag wie deze werkwijze binnen [bedrijf 1] uitdroeg, antwoordde zij dat dit [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] waren. Daarbij noemde zij voor wat betreft [medeverdachte 5] een voorbeeld van een bedrijf met een omgevingsvergunning, waarbij een tekening onderdeel uitmaakte van de omgevingsvergunning. Er was een wijziging op het bedrijf waarbij een melding had kunnen volstaan. Echter, de tekening die onder de vergunning viel werd aangepast, waardoor de aanvraag alleen via een vergunningprocedure kon worden gedaan. [getuige 3] deelde dit mede aan [medeverdachte 5] . Hij wilde dit toch via een melding doen, omdat dit makkelijker was, in de hoop dat de gemeente dit zou accepteren. In een andere notitie die aan [getuige 3] werd voorgehouden staat vermeld dat [getuige 3] de komende tijd zal gebruiken om na te denken over hoe ze aankijkt tegen eerlijkheid en of ze dat los wil laten. [getuige 3] verklaarde daarover dat de cultuur binnen [bedrijf 1] was om niet altijd volgens de regelgeving te werken. Als het in het belang van de klant nodig was de regels te overtreden, dan hadden ze daar geen moeite mee. Tijdens gesprekken ging het over het opzoeken van grenzen en daar overheen gaan en [getuige 3] had het gevoel dat ze dit ook van haar verwachtten.
De verdediging heeft naar voren gebracht dat de verklaring van [getuige 3] , zo begrijpt het hof, niet betrouwbaar is en dus niet tot het bewijs kan worden gebezigd, omdat deze verklaring wordt weersproken door andere medewerkers, gebaseerd is op [getuige 3] ’ gevoel en niet wordt ondersteund door enig bewijs. Hoewel het hof de verklaringen van de op verzoek van de verdediging in hoger beroep gehoorde (ex)-werknemers van [bedrijf 1] in de kern als ontlastend waardeert, overtuigen deze het hof niet zoals reeds eerder is overwogen. Deze verklaringen, wat daarvan ook verder zij, doen geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 3] die zij reeds in 2019 heeft afgelegd. Anders dan de verdediging, die overigens de rechter niet in enig stadium na kennisneming van die verklaring heeft verzocht [getuige 3] nader te (doen) horen teneinde haar belastende verklaring te falsificeren, ziet het hof voor die verklaring verankering in de overige onderzoeksbevindingen. Het hof acht de verklaring van [getuige 3] wél betrouwbaar en zal deze tot het bewijs bezigen. Immers, de verklaringen van [getuige 3] over de bedrijfscultuur binnen [bedrijf 1] worden ondersteund door de omstandigheid dat die cultuur ook lijkt te zijn ingebed bij andere (voormalig) werknemers van [bedrijf 1] . Zo bestond ook bij andere werknemers (buiten [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ) weinig belemmering om controlerende ambtenaren of instanties op het verkeerde been te zetten ten behoeve van het dienen van de belangen van de klant.
Daarnaast komt de door [getuige 3] geschetste bedrijfscultuur in meer of minder concrete mate tot uitdrukking in verschillende interne gespreksverslagen van [bedrijf 1] . Zo is daarin (onder meer) het volgende gezegd door medewerkers/bestuurders van [bedrijf 1] :
  • [betrokkene 8] verklaarde dat zij het verrassend vond dat het werk bestond uit dingen op papier “passend maken”.
  • [betrokkene 9] gaf aan het af en toe moeilijk te vinden, als besloten werd de mestboekhouding af te werken op een manier welke voor haar gevoel niet klopte. Hierbij zij nog opgemerkt dat het hof opvalt dat een van de bestuurders, [medeverdachte 3] , aanwezig bij dat gesprek, [betrokkene 9] aangaf hierop door te vragen waarom voor een bepaalde weg gekozen werd bij een bedrijf, terwijl van een leidinggevende als [medeverdachte 3] in een dergelijke situatie juist mag worden verwacht dat hij zou (laten) onderzoeken of en zo ja wat er dan niet klopte en indien nodig vervolgens passende maatregelen zou nemen. Uit het feit dat [medeverdachte 3] dit niet deed, leidt het hof af dat het binnen [bedrijf 1] kennelijk niet uitzonderlijk was dat zaken passeerden die niet klopten, waarbij het hof ‘niet klopten’ begrijpt als in strijd met de werkelijkheid.
  • [medeverdachte 3] en [betrokkene 10] bespraken een bepaald type werkzaamheden, waarbij [medeverdachte 3] aangaf dat daarbij meer moest worden gezocht naar gaatjes en er minder trucjes van toepassing waren.
  • [betrokkene 11] benoemde in een gesprek met [medeverdachte 5] het toepassen van creativiteit als meest boeiend. “Zorgen dat iets tóch kan, de regels zo uitleggen dat een ontwikkeling mogelijk is.” [medeverdachte 5] gaf daarbij aan dat hier voldoende tijd voor genomen en ingestopt moest worden.
  • [betrokkene 11] benoemde in een gesprek met [medeverdachte 5] dat hij beter begon te begrijpen hoe het spel gespeeld werd en wat bijvoorbeeld wel of niet te zeggen tegen de gemeente.
  • [betrokkene 12] benoemde in een gesprek met [medeverdachte 5] situaties die “recht gerekend” moesten worden.
  • [betrokkene 10] benoemde in een gesprek met [medeverdachte 3] dat het beter zou zijn om het juridisch/procedureel aan te pakken, bijvoorbeeld om de RVO niet onnodig slimmer te maken.
  • [betrokkene 13] uitte in een terugblik op een voorgaand functioneringsgesprek zijn zorgen naar aanleiding van iets wat op 11 november jl. was ontstaan, waarbij het hof begrijpt dat wordt verwezen naar het in november 2017 verschenen artikel in NRC Handelsblad met de titel “Het Mestcomplot”. In dat artikel [DOC-01314 t/m DOC-01325, pagina’s 003162 t/m 003173] werd besproken dat boeren, transporteurs, mestverwerkers en handelaars in Brabant en Limburg op grote schaal fraudeerden met mest. [betrokkene 13] vroeg zich af wat werkinhoudelijk nog binnen de kaders paste en wat niet, wat de strikte kaders überhaupt waren, vroeg zich vaker dan voorheen af of hij het wel goed deed en vond het lastiger om risico’s te overzien. Hij zei daarbij dat de weg steeds smaller werd, vroeg zich af wat de wegkanten precies waren en welke rek er was en gaf aan dat de vragen ook bij collega’s speelden. Met andere woorden: binnen [bedrijf 1] waren die strikte kaders er niet of minst genomen onvoldoende duidelijk en het krantenartikel gaf aanleiding te bedenken of ze binnen de organisatie wel goed (het hof vat dit op als: volgens de regels) bezig waren.
In het kader van de uitgedragen bedrijfscultuur wijst het hof voorts op verslagen van de werk-/ mestoverleggen d.d. 5 juli 2016, 19 mei 2016 en 20 april 2017, waarin medewerkers van [bedrijf 1] instructies werden gegeven over wat te doen als bepaalde dingen niet klopten:
  • In het overleg d.d. 5 juli 2016, waarbij [verdachte] en [medeverdachte 3] aanwezig waren, werden de aanwezige medewerkers geïnstrueerd de mestproductie aan te passen, zodat gehaltes dierlijke productie klopten met de afgevoerde mest.
  • In het overleg d.d. 19 mei 2016, waarbij [verdachte] en [medeverdachte 3] aanwezig waren, werden de aanwezige medewerkers geïnstrueerd dat wanneer de verwerking niet uitkwam en niet recht te rekenen viel er overlegd moest worden wat hiermee moest.
  • In het overleg d.d. 20 april 2017, waarbij [verdachte] aanwezig was, werden de aanwezige medewerkers geïnstrueerd dat als een dingetje aan de mestboekhouding niet klopte, besproken moest worden of het wel of niet kon en of het verantwoord was om het op te sturen en dat de buitendienst de klant erop wees dat de mestboekhouding niet controle-proof was.
De hiervoor genoemde onderdelen van diverse verslagen hebben ieder op zich genomen niet altijd evident betrekking op illegale praktijken, maar in onderlinge samenhang met elkaar en met de overige in dit verband gebruikte bewijsmiddelen bezien, in het bijzonder de verklaring van getuige [getuige 3] , kan het hof deze onderdelen niet anders interpreteren dan dat deze minst genomen ook steeds betrekking hadden op het verrichten van strafbare handelingen in de sfeer van de doelmisdrijven, dan wel dat de mogelijkheid van het plegen van de doelmisdrijven steeds als optie aan de orde was.
Dat de door [getuige 3] geschetste bedrijfscultuur binnen [bedrijf 1] werd gehanteerd blijkt ook uit de individuele zaaksdossiers. Het hof verwijst in dat verband naar de vaststellingen ten aanzien van de overige bewezenverklaarde feiten 1 tot en met 6. Vastgesteld kan worden dat valsheid in geschrift werd medegepleegd door [verdachte] gericht op het verkrijgen van meer fosfaatrechten dan waarop de klant in werkelijkheid recht had (feit 1, zaaksdossier 1). Daarnaast werd door [medeverdachte 4] valsheid in geschrift medegepleegd om (verondersteld) een vergunningprocedure te voorkomen, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat er inrichtingen zijn veranderd (feit 2, zaaksdossier 2). Ook werd valsheid in geschrift medegepleegd door een medewerker van [bedrijf 1] , [medeverdachte 11] , in het kader van een subsidieaanvraag (feit 3, zaaksdossier 3). Verder heeft [medeverdachte 4] het vervalsen van een registratie die was vereist ingevolge de Regeling ammoniak en veehouderij medegepleegd (feit 4, zaaksdossier 4). Voorts heeft [verdachte] valsheid in geschrift medegepleegd door in de GDI van twee klanten van [bedrijf 1] percelen op te nemen die in werkelijkheid niet bij die klanten in gebruik waren (feiten 5 en 6, zaaksdossiers 7 en 9). Uit de individuele zaaksdossiers blijkt aldus dat meedenken met de klant in die concrete situaties betekende het overtreden van de wet door het (mede)plegen van valsheden in geschrift. Van een professioneel dienstverlener mag in zulke situaties worden verwacht dat zij haar klant wijst op de geldende wet- en regelgeving en deze adviseert om anders te handelen. Van een dergelijke houding is het hof in de desbetreffende zaaksdossiers echter niet gebleken.
Daarenboven stelt het hof vast dat het dossier, zoals beschreven in zaaksdossier 8, aanknopingspunten bevat dat binnen [bedrijf 1] meer situaties aan de orde waren waarbij sprake was van het oogmerk tot dan wel het daadwerkelijk plegen van de doelmisdrijven. Mede hieruit leidt het hof af dat de samenwerking binnen de organisatie niet alleen was gericht op het plegen van deze misdrijven, maar dat deze ook een duurzaam en gestructureerd karakter had en dat binnen de organisatie stelselmatig activiteiten werden verricht gericht op het plegen van die misdrijven. Naast de bewezenverklaarde feiten blijkt uit zaaksdossier 8 dat in meer gevallen enige strafbare vorm van valsheid in geschrifte is gepleegd dan wel daartoe het oogmerk bestond. Zo is bij herhaling door [bedrijf 1] in strijd met de werkelijkheid geschoven met percelen ten behoeve van GDI’s (in het kader van de zogenoemde meitelling, gelet op de peildatum in mei) waarbij [verdachte] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] actieve bemoeienis had(den). Verder is gebleken dat veesaldoregistraties achteraf plaatsvonden. Hierbij had(den) [betrokkene 14] en/of [betrokkene 15] , medewerkers van [bedrijf 1] namens deze, actieve bemoeienis. In dit verband merkt het hof nog in het bijzonder op dat het uitgangspunt bij een veesaldokaart is dat deze dient te worden aangemerkt als een geschrift dat bestemd is om tot het bewijs van enig feit te dienen, omdat (mede) aan de hand van de op een dergelijke kaart (tijdig) geregistreerde gegevens wordt, althans kan worden, vastgesteld of de desbetreffende agrariër voldoet aan op hem rustende (wettelijke) administratieve verplichtingen. Niet is gebleken van enige grond die het hof noopt van dit uitgangspunt af te wijken. Dat een veesaldokaart (nog) niet is opgenomen in de administratie van een agrariër, acht het hof daartoe in ieder geval onvoldoende. In meerdere gevallen bleek voorts sprake van het vervalsen oftewel valselijk opmaken van de mestboekhouding, dan wel het daartoe adviseren van de klant, in welk geval het oogmerk in het oog springt. Zo werden volumes mestvoorraden niet (per kalenderjaar) zo nauwkeurig mogelijk, tijdig en/of volledig naar waarheid in de boekhouding verwerkt en werd daartoe geadviseerd. [medeverdachte 3] , [betrokkene 14] en/of [verdachte] , medewerkers van [bedrijf 1] , hadden daarmee actieve bemoeienis. Ook werden gegevens vervalst of valselijk opgegeven teneinde een vergunning te verkrijgen dan wel kostbare (in tijd en geld) vergunningtrajecten te voorkomen, waarbij [bedrijf 1] in persoon van [medeverdachte 4] actieve bemoeienis had. Tot slot werd ook het vervalsen of valselijk opmaken van vervoersbewijzen niet geschuwd, waarbij [verdachte] actieve bemoeienis had namens [bedrijf 1] .
Tijdens het opsporingsonderzoek zijn in drie relatief korte periodes, in totaal minder dan 10 weken [AMB-00021, pagina 41], telefoongesprekken afgeluisterd, die in belangrijke mate bijdragen aan het bewijs van de feiten 1 tot en met 6 en de hiervoor bedoelde voorbeelden uit zaaksdossier 8. Uit niets is het hof gebleken dat in het resterende deel van de bewezenverklaarde periode een, kortweg, andere bedrijfscultuur heeft bestaan. Het hof gaat ervan uit dat de resultaten van het opsporingsonderzoek daarmee representatief zijn voor de bedrijfscultuur bij [bedrijf 1] gedurende de gehele bewezenverklaarde periode.
In de hiervoor beschreven activiteiten komt naar voren dat met actieve bemoeienis van [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] of andere medewerkers van [bedrijf 1] is bijgedragen aan het oogmerk tot het plegen van de genoemde misdrijven. Hieruit, en mede uit de hiervoor geschetste door [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] uitgedragen bedrijfscultuur naar medewerkers toe, leidt het hof af dat zij wisten dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van de bewezenverklaarde doelmisdrijven. Tekenend voor dat oogmerk vindt het hof nog dat in een aantal gevallen waarin je van de bestuurders zou verwachten dat zij hun medewerkers corrigeerden, onderzoek naar misstanden verrichtten en/of maatregelen troffen, dit niet dan wel ontoereikend werd gedaan.
Zo moest [verdachte] , in een gesprek met [betrokkene 16] , zelfs hartelijk lachen om een geval waarin [betrokkene 16] de controleur bewust verkeerde bodemmonsters overhandigde, waarbij [verdachte] vroeg om bevestiging of de controleur ze echt niet verder had nagekeken. [betrokkene 16] en [verdachte] hadden het over het al dan niet inzetten van een krat bier op de waarschijnlijkheid van het verloop van deze controle. [verdachte] keurde de werkwijze van [betrokkene 16] niet af, distantieerde zich er niet van, maar keurde deze goed en was blij met de uitkomst van de controle.
Voorts blijkt niet dat in de bewezenverklaarde periode medewerkers zijn ontslagen of erop zijn aangesproken zodra werd ontdekt dat zij de wet hadden overtreden. Zo zou [medeverdachte 3] , zodra hij bekend werd met de tapgesprekken van [betrokkene 14] , een gesprek hebben gevoerd met [betrokkene 14] dat dit soort telefoongesprekken niet werden getolereerd. [betrokkene 14] heeft echter bij de raadsheer-commissaris (p. 9 en 10) verklaard dat hij zich dit gesprek niet kon herinneren. Nu ook overigens het dossier geen aanknopingspunt bevat op grond waarvan kan worden geverifieerd dat een gesprek met die strekking met [betrokkene 14] heeft plaatsgevonden, acht het hof dit niet aannemelijk. Dat [medeverdachte 3] met [medeverdachte 11] een gesprek heeft gevoerd dat het aanpassen van data op facturen niet werd getolereerd, acht het hof evenmin aannemelijk, omdat een onderbouwing daarvoor ontbreekt en dit geen bevestiging vindt in de resultaten van het opsporingsonderzoek.
Daarbij komt dat [verdachte] , [bedrijf 1] en een klant van [bedrijf 1] reeds eerder zijn veroordeeld voor valsheid in geschrift, namelijk op 23 augustus 2017, terwijl uit het dossier niet blijkt dat binnen afzienbare tijd nadien maatregelen zijn genomen waarmee voortaan het plegen van dit soort strafbare feiten binnen de rechtspersoon werd (beoogd te) voorkomen. Voor zover [bedrijf 1] maatregelen heeft getroffen, merkt het hof deze niet aan als effectief. Zo is pas in oktober 2018 (ruim een jaar na de veroordelingen op 23 augustus 2017) een nieuwe structuur ingevoerd en is [verdachte] gestopt als bestuurder en leidinggevende van [bedrijf 1] . Overige maatregelen zijn niet gebleken, dan wel dateren van na het bewezenverklaarde. Dat medewerkers daaraan voorafgaand werden getraind in hoe ze weerbaar moesten zijn tegen lastige of ongepaste verzoeken van klanten, kan hooguit volgen uit de verklaring van Van Geldrop dat op een gegeven moment meer aandacht is gekomen voor een stukje vaardigheden, gesprekstechnieken en dat er veel mensen een adviesrol hadden, hoe ga je daarmee om en hoe ga je ermee om als iemand weerstand heeft of dat soort thema’s, maar niet dat dit gebeurde voorafgaande aan de periode waar de bewezenverklaring op ziet. Een dergelijke toegenomen aandacht is echter weer niet zonder meer als een effectieve maatregel in de hier bedoelde zin te beschouwen. Evenmin is gebleken dat [bedrijf 1] de dienstverlening in de periode voorafgaand aan het bewezenverklaarde heeft beëindigd aan klanten die er een twijfelachtige bedrijfsvoering op nahielden. Een brief van [bedrijf 1] aan een klant van 3 april 2023 kan daartoe vanzelfsprekend niet dienen, nu dat was na de bewezenverklaarde periode. Niet is gebleken van brieven of andere stukken waaruit volgt dat dergelijke beëindigingen ook plaatsvonden binnen (of vóór) de bewezenverklaarde periode, zodat het hof niet aannemelijk acht dat deze beëindigingen toen ook al plaatsvonden.
Dat medewerkers niet zijn gecorrigeerd en geen doeltreffende maatregelen zijn genomen, bevestigt wederom de bedrijfscultuur waarin het meedenken met de klant en het ten dienste daarvan plegen van misdrijven niet werd voorkomen of afgestraft, maar toentertijd veeleer gemeengoed was en werd gestimuleerd.
Ten aanzien van [medeverdachte 5] overweegt het hof dat ook hij blijkens het dossier actieve bemoeienis heeft gehad bij de verwezenlijking van het hier bedoelde oogmerk. Immers blijkt uit de verklaring van [getuige 3] dat hij een wijziging bij een agrarisch bedrijf (een inrichting) via een melding wilde afhandelen, terwijl daarvoor een vergunning was vereist.
Het hof is aldus van oordeel dat [bedrijf 1] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hebben deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een gestructureerd verband, met regels en afspraken, waarin werd samengewerkt, waarbinnen klanten werden gefaciliteerd en waarbij het plegen van de doelmisdrijven gemeengoed was. [verdachte] en [medeverdachte 4] hebben in de eerste plaats binnen de criminele organisatie zelf strafbare feiten begaan in de hiervoor besproken individuele zaaksdossiers, waarbij zij tevens handelden in hun adviserende rol namens [bedrijf 1] . In de tweede plaats waren [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] (middellijk) bestuurder van [bedrijf 1] en wisten de bestuurders en daarmee ook [bedrijf 1] dat de organisatie (mede) het oogmerk had om misdrijven te plegen, alsmede was hun aandeel ook gericht op de verwezenlijking van dat oogmerk. [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] hebben zodoende bijgedragen aan het creëren en in stand houden van de hiervoor omschreven pro-criminele cultuur binnen de organisatie.
Toerekening aan de rechtspersoon ( [bedrijf 1] )
Het hof overweegt hieromtrent, grotendeels overeenkomstig de rechtbank, als volgt.
Het hof stelt voorop dat in de gevallen waarin feitelijk leiding geven is tenlastegelegd, eerst van belang is dat dat feit aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Indien de rechtspersoon een delict heeft begaan, kunnen ook opdrachtgevers daartoe en feitelijke leidinggevers daaraan worden gestraft
.Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
  • het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
  • de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
  • de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;
  • de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede is begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging.
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is het hof van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 4] zich in de hoedanigheid van adviseur bij [bedrijf 1] schuldig hebben gemaakt aan valsheid in geschrift (feit 1, 5 en 6 respectievelijk feit 2 en 4). Ook [medeverdachte 11] , werkneemster van [bedrijf 1] , heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift (feit 3). Daarmee is sprake van handelen van personen die (middellijk) bestuurder zijn geweest van respectievelijk in dienstbetrekking werkzaam zijn geweest ten behoeve van de rechtspersoon. De gedragingen van voornoemde personen pasten ook in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon. In het kader van hun positie als adviseur stelden zij geschriften op voor klanten of gaven zij daaromtrent advies aan klanten. Dat geschriften valselijk werden opgemaakt, was ook onderdeel van de normale bedrijfsvoering, zoals met betrekking tot het onder 7 bewezenverklaarde nader is overwogen.
Het hof verwerpt het betoog dat de rechtspersoon de verboden gedragingen niet zou hebben aanvaard als onbegrijpelijk in het licht van de bewijsmiddelen. Binnen de onderneming werd immers op alle niveaus een werkwijze gehanteerd waarbij de grenzen van de wet werd opgezocht en die wet ook werd overtreden. Nota bene (middellijk) bestuurders van [bedrijf 1] hebben zich gelet op het voorgaande aan strafbare gedragingen schuldig gemaakt en eerder een verkeerd voorbeeld gesteld, in plaats van uit te dragen dat het overtreden van de wet niet werd getolereerd.
Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de onder feit 1 tot en met 6 bewezenverklaarde gedragingen alle zijn verricht in de sfeer van [bedrijf 1] . Die gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan [bedrijf 1] worden toegerekend. [bedrijf 1] is daarmee naar het oordeel van het hof medepleger van de feiten 1 tot en met 6.
Feitelijk leidinggeven
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of ten aanzien van een of meer van de onder 1 tot en met 6 (primair) bewezenverklaarde gedragingen bewezen kan worden geacht dat [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] hieraan feitelijk leiding heeft/hebben gegeven als in artikel 51, tweede lid, aanhef en sub 2, van het Wetboek van Strafrecht bedoeld. In het geval van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] is deze vraag aan de orde bij de feiten 1 tot en met 6. In het geval van [verdachte] is deze vraag aan de orde bij de feiten 2, 3 en 4. In het geval van [medeverdachte 4] is deze vraag aan de orde bij de feiten 1, 3, 5 en 6. Ter beantwoording van deze vraag overweegt het hof als volgt.
Bij de beoordeling of sprake is van feitelijk leidinggeven dient niet uitsluitend te worden
betrokken de juridische positie, maar ook de feitelijke positie van de verdachte bij de
rechtspersoon en het gedrag dat de verdachte heeft vertoond of nagelaten op grond waarvan hij geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven.
Bij het gedrag dat de verdachte heeft vertoond, kan worden gedacht aan actief en effectief
gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip feitelijke leiding geven
valt, maar ook het algemene door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid waarvan de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is, dan wel het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol van de verdachte tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijk leidinggeven kan worden gesproken. In het bijzonder kan dat het geval zijn bij de verdachte die, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is, geen maatregelen heeft getroffen om verboden gedragingen te voorkomen of te beëindigen.
In feitelijk leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Als feitelijke leidinggever moet de verdachte ten minste de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan - in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten - ook sprake zijn indien hetgeen de feitelijke leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Onder omstandigheden kan aan het voor de feitelijke leidinggever geldende opzetvereiste eveneens zijn voldaan, indien hij de werkzaamheden van de onderneming zo heeft georganiseerd dat hij ermee rekening heeft gehouden dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet konden worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard ging met het begaan van strafbare feiten. Het opzet moet bij de feitelijke leidinggever persoonlijk aanwezig zijn; wetenschap bij bijvoorbeeld één van de bestuursleden maakt niet automatisch dat het bestuur als geheel geacht kan worden op de hoogte te zijn.
Tot slot kan iemand alleen leidinggeven aan gedragingen waarvan hij of zij op de hoogte is. De leidinggevende hoeft niet precies te weten waar, wanneer en hoe de strafbare feiten zijn begaan en wat de concrete omvang daarvan is, wel moet deze op de hoogte zijn geweest van het feit dat de verweten of soortgelijke verboden gedragingen is of zijn begaan.
Het hof overweegt dat op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zich allen dusdanig hebben gedragen dat sprake is van feitelijk leidinggeven aan de bewezenverklaarde verboden gedragingen zoals hiervoor benoemd.
Bij de te geven beoordeling stelt het hof voorop dat [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen onder de feiten zoals in de eerste alinea van deze overwegingen aangeduid allen (middellijk) bestuurder waren van [bedrijf 1] , terwijl zoals eerder overwogen, alle onder 1 tot en met 6 (primair) bewezenverklaarde gedragingen door [bedrijf 1] als rechtspersoon mede zijn gepleegd. Blijkens de bewijsmiddelen fungeerden [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] voorts in de praktijk ook telkens als leidinggevende binnen [bedrijf 1] . Het hof dient vervolgens te beoordelen of deze vier leidinggevenden ook kunnen worden aangemerkt als feitelijke leidinggevers aan door de rechtspersoon [bedrijf 1] medegepleegde verboden gedragingen.
Als feitelijke leidinggever moet de verdachte, zoals overwogen, ten minste de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de verboden gedraging zich zal voordoen, en van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane feiten, zoals in onderhavig geval [1] – ook sprake zijn indien hetgeen de feitelijke leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hielden met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedragingen, in dit geval telkens: valsheid in geschrift.
Bij de beoordeling van de vraag naar het feitelijke leidinggeven neemt het hof tot uitgangspunt de vastgestelde feiten en de daaruit door het hof getrokken feitelijke conclusies zoals opgenomen in de bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 7 bewezenverklaarde feit, welke als hier herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat ten aanzien van zowel [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] als [medeverdachte 5] , telkens uitsluitend met betrekking tot de hen in dit verband regarderende bewezenverklaarde gedragingen, bewezen kan worden dat zij het plegen van die feiten zodanig hebben bevorderd dat reeds van feitelijk leidinggeven als hier bedoeld dient te worden gesproken.
Gelet op het voorgaande kan het hof dan ook niet anders concluderen dan dat de verdachte en zijn medebestuurders zeer wel op de hoogte waren van het feit dat [bedrijf 1] stelselmatig activiteiten verrichtte gericht op het plegen van valsheid in geschrift. Sterker nog: zij hebben hun medewerkers geïnstrueerd en/of, via de uitgedragen bedrijfscultuur, gestimuleerd om valsheid in geschrift te plegen en daaraan dus feitelijke leiding gegeven. Daarbij valt het hof nog op dat de verdachte samen met zijn medebestuurders geen, althans onvoldoende doeltreffende maatregelen heeft getroffen om verboden gedragingen die verband hielden met de advieswerkzaamheden van [bedrijf 1] in het algemeen te voorkomen of te beëindigen en niet doorlopend heeft toegezien op het voorkomen van verboden gedragingen binnen [bedrijf 1] . Ook hier acht het hof herhaald en ingelast hetgeen reeds hiervoor in dit verband ten aanzien van het onder 7 bewezenverklaarde is overwogen.
Dat sprake was van twee bedrijfstakken die los van elkaar stonden, wat hier verder van zij, doet aan het voorgaande niet af. Dat een bedrijf met enkele tientallen werknemers een bepaalde structuur en werkverdeling heeft, ligt voor de hand, maar is in het onderhavig geval voor de vraag of de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de bewezenverklaarde verboden gedragingen – mede gelet op de in dit verband door het hof gedane vaststellingen, inhoudende dat alle vier de bestuurders meewerkend voormannen waren in een platte organisatie – niet relevant.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het onder 1, 5 en 6 bewezenverklaarde wordt telkens als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.
Het onder 3 en 4 bewezenverklaarde wordt telkens als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.
Het onder 7 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte heeft de verdediging onder meer het volgende aangevoerd. Indien het hof het onder 2 primair tenlastegelegde bewezen verklaart, is sprake van verontschuldigbare dwaling ten aanzien van het recht door medeverdachte [medeverdachte 7] , hetgeen tot ontslag van alle rechtsvervolging zou moeten leiden. Dit zou eveneens tot ontslag van alle rechtsvervolging in onderhavige zaak moeten leiden, aldus de verdediging.
Bij de beoordeling van dit verweer stelt het hof voorop dat verontschuldigbare dwaling ten aanzien van het recht een zogenoemde schulduitsluitingsgrond is. Dit betekent dat honorering van het verweer niet maakt dat de wederrechtelijkheid aan het desbetreffende strafbare feit komt te ontvallen, maar dat de verdachte van het plegen van dat feit geen verwijt kan worden gemaakt. Hieruit volgt dat het noodzakelijk is om tot honorering van een dergelijk verweer te kunnen komen, dat feiten en omstandigheden worden aangevoerd die betrekking hebben op de persoon van de desbetreffende verdachte. In dit geval zijn ter onderbouwing van het gevoerde verweer echter geen op de persoon van de verdachte betrekking hebbende feiten en omstandigheden aangevoerd. Reeds hierom faalt het verweer.
Voor zover zou worden geoordeeld dat de in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 7] aangevoerde, op diens persoon betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als hier herhaald en ingelast, (tevens) betrekking hebbend op de persoon van de verdachte, zouden dienen te worden aangemerkt, gaat het verweer evenmin op. In de strafzaak tegen [medeverdachte 7] is immers ter onderbouwing van het verweer aangevoerd dat [medeverdachte 7] volledig heeft gevaren op zijn adviseurs (het hof begrijpt: van [bedrijf 1] ) en uitging van hun deskundigheid. De positie van de verdachte is nu juist die van een adviseur, verbonden aan [bedrijf 1] . Ook hierom kan het verweer niet slagen.
Daarnaast is in de zaak [medeverdachte 7] aangevoerd dat sprake is van een te vage en onbepaalde strafbaarstelling, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en tot ontslag van alle rechtsvervolging zou moeten leiden. Dit zou eveneens tot ontslag van alle rechtsvervolging in onderhavige zaak moeten leiden, aldus de verdediging.
Het hof verwerpt ook dit verweer. Bij de beoordeling hiervan stelt het hof voorop dat de strafbaarstelling waar het hier om gaat betreft valsheid in geschrift. Het hof stelt voorts vast dat de in dit geval bewezenverklaarde valsheid is gelegen in het vervalsen van een bouwtekening door daarop een valse inhoudsmaat te vermelden. Het hof heeft in de bewijsoverwegingen die betrekking hebben op dit bewezenverklaarde feit voorts geoordeeld dat voor de uitleg van het begrip ‘inhoud’ in de in de tenlastelegging bedoelde zin dient te worden uitgegaan van de betekenis die dat begrip heeft in het normaal spraakgebruik. Het hof ziet in het licht van het voorgaande niet in waarom sprake zou zijn van een strafbaarstelling die niet voldoet aan de vereisten zoals voortvloeiend uit artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht en/of artikel 7 van het EVRM.
Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van een van de ten aanzien van de verdachte bewezenverklaarde feiten, dan wel van de verdachte uitsluiten. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar en de verdachte is een strafbare dader.
Op te leggen sanctie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 6 primair en het onder 7 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en dat daarbij als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte gedurende de proeftijd geen werkzaamheden zal verrichten die op enige wijze verband houden met de advisering van de agrarische sector en/of inzake agrarische aangelegenheden, met uitzondering van het bekappen en verzorgen van klauwen van hoefdieren.
De verdediging heeft zich op de gronden genoemd in de pleitnota op het standpunt gesteld dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet opportuun is.
Algemene overwegingen ten aanzien van de strafoplegging
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Aard en ernst van de feiten
De verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die hij vormde met het bedrijf waarvan hij bestuurder was, [bedrijf 1] , een agrarisch adviesbureau en zijn drie medebestuurders (feit 7). Inherent aan complexe wet- en regelgeving en een aan verandering onderhevig stelsel wendden agrariërs zich voor advies inzake hun bedrijfsvoering tot [bedrijf 1] , specialist in de materie. De bestuurders hanteerden binnen [bedrijf 1] een werkwijze waarbij de grenzen van de wet werden opgezocht en niet werd geschuwd deze te overschrijden op het moment dat de situatie dat in het belang van de klant verlangde. Het stelsel moest het veelal doen met een papieren werkelijkheid die ook nog eens zeer omvangrijk is gebleken, gelet op alle toepasselijke regels. De complexiteit daarvan speelde in dat verband niet alleen de agrariërs parten, maar ook de opsporing van misstanden als de onderhavige, waarbij een papieren werkelijkheid bleek te zijn voorgewend. Het bleek dan ook zeer lastig handhaven. Door geschriften die een bewijsbestemming hadden te vervalsen dan wel valselijk op te maken werd wat krom was, rechtgetrokken en werden (financiële) voordelen voor klanten bewerkstelligd en werd voor hen een gunstiger positie verkregen dan concurrenten die een duurzame en eerlijke bedrijfsvoering nastreefden. De verdachte heeft zelf valsheid in geschrift medegepleegd (feiten 1, 5 en 6) of daaraan feitelijk leidinggegeven (feiten 2, 3 en 4).
Met het vervalsen en het valselijk opmaken van dergelijke geschriften zijn ook strafbare feiten op het gebied van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer gepleegd. Met deze werkwijze heeft [bedrijf 1] de integriteit van het systeem van regulering en toezicht op meerdere terreinen van de in de agrarische sector geldende regelgeving doelbewust aangetast. Toegespitst op de meststoffenwetgeving is door de gewraakte handelwijze voorts geen rekening gehouden met de schade die aan het milieu, volks- en diergezondheid door de niet-naleving van de meststoffenwetgeving kan ontstaan. Daarnaast heeft [bedrijf 1] het vertrouwen dat controlerende (overheids)instanties dienen te kunnen hebben in de werkzaamheden van professionele partijen zoals [bedrijf 1] , ernstig geschaad. De verdachte heeft het belang van de klant en van [bedrijf 1] boven deze belangen laten prevaleren. Het hof neemt het de verdachte bijzonder kwalijk dat hij als bestuurder van dit bedrijf voor voornoemde werkwijze medeverantwoordelijk is, hij deze werkwijze actief heeft uitgedragen alsmede dat hij zich ook zelf meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift.
Daarnaast zijn de strafbare feiten die zijn begaan door de criminele organisatie gepleegd in
2016, 2017 en in 2018. Deze feiten zijn pas gestopt nadat het bedrijf verwikkeld was geraakt
in het strafrechtelijk onderzoek Kievit, terwijl [bedrijf 1] en [verdachte] op 9 augustus 2017 onherroepelijk voor soortgelijke feiten zijn veroordeeld. De structuurwijziging die volgens de bestuurders sindsdien binnen [bedrijf 1] is doorgevoerd, heeft kennelijk toen niet geleid tot het verwerpen van de werkwijze waarbinnen het overtreden van de wet was genormaliseerd. Bij de positie van professionele tussenschakel tussen agrariër en overheid had een taakopvatting gepast die meer getuigt van afstand en integriteit dan is gebleken. Van een collectief bij de bestuurders, dus ook bij de verdachte, bestaand inzicht in de ernst van de feiten, is het hof niet gebleken. Het omzeilen in plaats van het naleven van geldende normen is voor de verdachte en zijn medebestuurders een geaccepteerde handelwijze gebleken bij het uitvoeren van de adviserende werkzaamheden.
Al met al is bij het hof het beeld ontstaan van een door [bedrijf 1] gedreven agrarisch adviesbureau waarbinnen structureel en op professionele wijze frauduleus werd gehandeld. De verdachte en zijn medeverdachte bestuurders namen daarbij het voortouw, daarmee een ontluisterend gebrek aan normbesef tentoonspreidend.
Persoonlijke omstandigheden en justitiële documentatie
Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat de verdachte als
bestuurder van [bedrijf 1] is teruggetreden. Ook neemt het hof, in zijn nadeel, de Justitiële documentatie d.d. 3 april 2025 van de verdachte in aanmerking, waaruit blijkt dat de verdachte in 2017 onherroepelijk voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Blijkbaar heeft dit de verdachte er niet van weerhouden om zich wederom te gedragen zoals is bewezenverklaard.
Strafoplegging
Naar het oordeel van het hof kan al het vorenoverwogene in ogenschouw nemend, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te melden duur met zich brengt. Het hof is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf. Het hof zal een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Daarnaast zal het hof als bijzondere voorwaarde stellen dat de verdachte gedurende de proeftijd van drie jaren geen werkzaamheden zal verrichten die op enige wijze verband houden met de advisering van de agrarische sector en/of inzake agrarische aangelegenheden, met uitzondering van het bekappen en verzorgen van klauwen van hoefdieren.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, passend, en stelt daarbij de bijzondere voorwaarde zoals hiervoor omschreven.
Redelijke termijn
Gebleken is dat bij de strafvervolging van de verdachte de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is geschonden. Het hof overweegt dat in artikel 6, eerste lid, van het EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn, kan echter in bepaalde gevallen worden volstaan met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden.
Het hof overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn in eerste aanleg en het procesverloop in deze zaak het volgende. Het hof neemt de datum van de betekening van de inleidende dagvaarding als datum voor de aanvang van de redelijke termijn, 21 juni 2021. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 20 december 2022. Het hof is van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in eerste aanleg niet is geschonden.
In hoger beroep heeft als begintijdstip van de redelijke termijn te gelden de datum van het instellen van hoger beroep. In dit geval heeft de verdachte op 20 december 2022 hoger beroep laten instellen. Het hof doet heden, 11 december 2025, uitspraak. Het hof ziet voorts geen reden om in hoger beroep af te wijken van de hoofdregel in zaken als deze dat de redelijke termijn twee jaar bedraagt. In hoger beroep is de redelijke termijn daarmee met bijna één jaar overschreden. In verband daarmee zal het hof, in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 13 maanden voorwaardelijk.
Conclusie
Het hof acht, alles afwegende, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 13 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Het hof stelt daarbij als bijzondere voorwaarde dat de verdachte geen werkzaamheden zal verrichten die op enige wijze verband houden met de advisering van de agrarische sector en/of inzake agrarische aangelegenheden, met uitzondering van het bekappen en verzorgen van klauwen van hoefdieren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 51, 57, 63, 140 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair en 7 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair en 7 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
13 (dertien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte geen werkzaamheden zal verrichten die op enige wijze verband houden met de advisering van de agrarische sector en/of inzake agrarische aangelegenheden, met uitzondering van het bekappen en verzorgen van klauwen van hoefdieren.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 11 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Voor de motivering hiervan verwijst het hof kortheidshalve naar hetgeen eerder is overwogen in verband met het onder 7 bewezenverklaarde.