ECLI:NL:GHSHE:2025:3604

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
20-002910-22
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis van de rechtbank Oost-Brabant inzake valsheid in geschrift met betrekking tot een bouwtekening van een silo

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 11 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, waarin de verdachte was veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift. De verdachte, geboren in 1971, had een geldboete van € 2.500,00 opgelegd gekregen, die bij gebreke van betaling kon worden omgezet in 35 dagen hechtenis. De zaak betreft een bouwtekening van een silo, waarbij de verdachte en zijn medeverdachten een valse inhoudsmaat van 2.485 m3 hadden vermeld om te voorkomen dat een omgevingsvergunning aangevraagd moest worden. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten op de hoogte waren van de valsheid van de vermelding en dat zij gezamenlijk hebben gehandeld om de valsheid te verbergen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd ten aanzien van de strafoplegging en een taakstraf van 80 uren opgelegd, met een voorwaardelijke hechtenis van 40 dagen. De redelijke termijn van de procedure is overschreden, maar het hof heeft dit niet verder bestraft. De beslissing is gebaseerd op verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002910-22
Uitspraak : 11 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 20 december 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-995003-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van medeplegen van valsheid in geschrift (primair) veroordeeld tot een geldboete van € 2.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 dagen hechtenis.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis wordt bevestigd.
De verdediging heeft op de in de pleitnota aangevoerde gronden primair vrijspraak van de gehele tenlastelegging bepleit en subsidiair verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Daarnaast heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met aanvulling en verbetering van de gronden en met uitzondering van de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd en, opnieuw rechtdoende, zullen tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften worden vermeld.
Voor wat betreft de gronden ziet het hof aanleiding op onderdelen te komen tot aanvullingen en verbeteringen. Teneinde de leesbaarheid ten goede te komen zal het hof hierna de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, de bewijsoverweging van de rechtbank en de overwegingen ten aanzien van de strafbaarheid van de rechtbank integraal vervangen.
Bewijsmiddelen
Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen wordt voor wat betreft de door het hof gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de bewijsmiddelenbijlage, die bij dit arrest is gevoegd. De inhoud daarvan dient als hier ingelast te worden beschouwd.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Bewijsoverwegingen
Op 9 januari 2017 werd een voorbereidend onderzoek gestart door de Nederlandse Voedsel-
en Warenautoriteit (verder: NVWA) onder de naam Kievit. Dit onderzoek richtte zich op
[bedrijf 1] , een adviesbureau voor agrarische ondernemers onder meer op het
gebied van mestwetgeving, alsmede op haar bestuurders. Het voorbereidend onderzoek heeft geleid tot een strafrechtelijk onderzoek waarbij telefoongesprekken zijn afgeluisterd en gegevens zijn gevorderd bij diverse bedrijven en instanties. Uit het onderzoek zijn negen zogenoemde ‘zaaksdossiers’ voortgekomen, die in meer of mindere mate ten grondslag liggen aan de in dit onderzoek uitgebrachte dagvaardingen. Ook de tenlastelegging van de verdachte komt hieruit voort.
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft op de gronden vermeld in het op schrift gestelde requisitoir
gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft op de gronden vermeld in de pleitnota integrale vrijspraak bepleit.
Opmerkingen vooraf
Voor de leesbaarheid van de overwegingen worden zowel de verdachte als zijn medeverdachten voor zover zij natuurlijke personen zijn bij hun achternaam aangeduid en voor zover zij een rechtspersoon zijn bij al dan niet verkorte bedrijfsnaam aangeduid. Het betreffen de volgende (mede)verdachten:
Naam: In het arrest aangeduid als:
[bedrijf 1]
[medeverdachte 1]
[verdachte]
Ten aanzien van het primaire feit (zaaksdossier 2)
Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat sprake is van valsheid in geschrift door het vervalsen van een bouwtekening van een silo (het primair feit). Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) de bouwtekening genoemd in de tenlastelegging op verzoek van [verdachte] heeft vervalst of doen vervalsen en dat [medeverdachte 1] en [verdachte] als medeplegers daarvan kunnen worden aangemerkt. Het hof overweegt daartoe als volgt.
De primair bewezenverklaarde valsheid heeft betrekking op de vermelding op een bouwtekening van een silo van een inhoudsmaat van 2.485 m3. Deze bouwtekening was gevoegd bij een door [verdachte] ingediende melding wijziging bedrijf (inrichting) op grond van het toentertijd geldende en per 1 januari 2024 vervallen Activiteitenbesluit Milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit). Het Activiteitenbesluit was een algemene maatregel van bestuur op grond van de Wet Milieubeheer en de Waterwet. De voorschriften van het Activiteitenbesluit kunnen voorts relevant zijn voor de vraag of voor activiteiten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1. van de eveneens per 1 januari 2024 vervallen Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (de WABO) was vereist, zoals ook in dit geval aan de orde kwam. De vraag of sprake is geweest van valsheid in geschrift speelt aldus tegen de achtergrond van een (meldings)procedure in het ruimtelijk bestuursrecht.
Het hof stelt voorts vast dat over de vraag wat dient te worden verstaan onder de inhoud van een bouwwerk in zijn algemeenheid of van een silo in het bijzonder bij of krachtens de daarvoor in aanmerking komende ruimtelijk bestuurlijke wetten geen criteria zijn gegeven. Ook is niet gesteld of anderszins gebleken dat door het ter zake van de meldingsprocedure bevoegde gezag of anderszins beleidsregels zijn opgesteld of een vaste gedragslijn werd aangehouden met betrekking tot de invulling van het begrip inhoud in de hier bedoelde zin. Van jurisprudentie waarin het onderhavige begrip inhoud wordt ingevuld is het hof evenmin gebleken.
Voor zover uit het dossier, meer in het bijzonder uit de verklaring van de getuige [getuige] , medewerker van de gemeente Venray, zou worden afgeleid dat van een dergelijke vaste gedragslijn wel sprake was, gaat die conclusie niet op. Uit deze verklaring kan naar het oordeel van het hof louter worden afgeleid dat door deze medewerker en mogelijk door andere medewerkers van die gemeente ‘praktisch’ werd omgegaan met eventuele verschillen tussen de daadwerkelijke inhoud van een mestsilo en de mate waarin deze inhoud werd benut (mits binnen redelijke grenzen). Daar komt nog bij dat niet duidelijk is geworden of deze wijze van omgang binnen de gehele gemeente werd gehanteerd, nog daargelaten de vraag of deze wijze van omgang dan ook door het college van burgemeester en wethouders als bevoegd gezag zou zijn goedgekeurd.
Het hof acht het gelet op het voorgaande aangewezen om bij de invulling van het begrip inhoud aansluiting te zoeken bij wat in het algemeen spraakgebruik onder inhoud wordt verstaan. Van Dale’s Groot Woordenboek der Nederlandse Taal geeft als betekenissen van het woord inhoud, voor zover relevant in de gegeven situatie: ‘hoeveelheid ruimte binnen een lichaam, voorwerp’, alsmede ‘alles wat ergens in zit of in kan zitten’. De gemene deler van beide betekenissen is volgens het hof dat het gaat om wat een lichaam, een voorwerp of iets anders daadwerkelijk, in totaal, omvat of bevat. De wijze van berekening van deze inhoud, bijvoorbeeld op basis van de buitenmaten van een voorwerp of op basis van de binnenmaten ervan, kan verschillen, maar dit doet niet af aan het uitgangspunt dat de inhoud betreft wat een voorwerp daadwerkelijk, in totaal, omvat of bevat.
Vertaald naar dit concrete geval betekent dat dat onder inhoud van de silo dient te worden verstaan dat wat de silo daadwerkelijk omvat of bevat. Uit de berekening aan de hand van de daadwerkelijk gemeten maten van de silo van verbalisant [verbalisant] blijkt dat de inhoud van de onderhavige silo ten minste 2.637,44 m3 bedroeg. Uit de gegevens op internet van de fabrikant van de mestsilo, [bedrijf 2] , bleek te meer dat bij een mestsilo van een soortgelijk type (bestaande uit 54 elementen en een hoogte van 5 meter) een inhoud van ruimschoots meer dan 2.500 m3 hoort.
De op de bouwtekening vermelde inhoudsmaat van 2.485 m3 is in het licht van het voorgaande niet als een juiste weergave van de inhoud van de silo te beschouwen. Bij deze inhoudsmaat van 2.485 m3 is, zo begrijpt het hof, mogelijk tot uitgangspunt genomen dat in de praktijk een gedeelte van de inhoud van de silo niet zal worden gebruikt (in dit verband is ook wel het begrip ‘waakhoogte’ genoemd) en dit gedeelte niet is meegeteld bij de berekening van deze inhoudsmaat. De vraag in welke mate van de inhoud van een silo gebruik wordt gemaakt dient echter, zo mag haast evident heten, te worden onderscheiden van de vraag wat de inhoud van een silo nu daadwerkelijk is. Voor de ruimtelijke impact van een silo maakt ook geen verschil in welke mate gebruik wordt gemaakt van (de inhoud van) een silo. Gelet op het voorgaande is dan ook niet relevant dat bij de op de bouwtekening vermelde inhoudsmaat van 2.485 m3 het woord ‘netto’ is toegevoegd. Al hetgeen is opgemerkt met betrekking tot ‘bruto’ en ‘netto’ inhoudsmaten behoeft in het licht van het vorenoverwogene dan ook geen verdere bespreking.
Dat de op de bouwtekening vermelde inhoudsmaat van 2.485 m3 vals is, kan daarom bewezen worden verklaard. Dat het bevoegd gezag de gedane melding heeft geaccepteerd en dat er bestuursrechtelijk niet is opgetreden tegen de gerealiseerde silo doet, wat daarvan verder ook zij, geen afbreuk aan het gegeven oordeel over de valsheid van deze vermelding.
Door de rechtbank is overwogen dat de valsheid van de desbetreffende bouwtekening mede is gelegen in het weglaten van essentiële gegevens over de inhoud van de silo. Naar het oordeel van het hof is, gelet op de duidelijke bewoordingen van dit gedeelte van de tenlastelegging, in het primair tenlastegelegde echter enkel als valsheid tenlastegelegd en door het hof bewezenverklaard de hiervóór besproken, op de bouwtekening vermelde, inhoudsmaat van 2.485 m3. Het hof zal daarom onbesproken laten of de valsheid van de bouwtekening mede is gelegen in de weglating van essentiële gegevens zoals hier bedoeld.
De desbetreffende bouwtekening is vervolgens gevoegd bij een meldingsformulier, waarna deze stukken als melding wijziging bedrijf zijn ingediend bij het bevoegd gezag. Daarmee staat, zo is terecht niet in geschil, voorts zonder meer vast dat (ook) de bouwtekening een geschrift betreft dat bestemd was om tot het bewijs van enig feit te dienen.
Naar het oordeel van het hof waren, gelet op de e-mailcorrespondentie, de tapgesprekken en de verklaring zoals hier voor het bewijs gebruikt, zowel [medeverdachte 1] , [verdachte] als [medeverdachte 2] er ook van op de hoogte dat de inhoudsmaat van 2.485 m3 vals was. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen concludeert het hof dat ook overigens aan alle voorwaarden is voldaan om deze drie personen aan te merken als medeplegers van het primair tenlastegelegde feit. Het hof overweegt hieromtrent per persoon als volgt nader.
Met betrekking tot [medeverdachte 2] wijst het hof er daarbij op dat deze heeft verklaard dat de silo bruto veel meer was, dat de silo in zijn beleving in een omgevingsvergunningstraject had moeten worden betrokken en dat voor hem duidelijk was dat de inhoudsmaat van 2.485 m3 belangrijk was voor [verdachte] om de silo onder de 2.500 m3 te houden voor zijn vergunningaanvraag. Voorts heeft [medeverdachte 2] naar aanleiding van overleg met [medeverdachte 1] over de op de bouwtekening te vermelden maten nog de daarop vermelde straal van “R12725” laten verwijderen, kennelijk omdat daarmee had kunnen worden berekend dat de daadwerkelijke inhoud van de silo meer dan 2.485 m3 betrof, zoals blijkt uit gesprekken met [medeverdachte 1] . Daarbij blijkt uit het gesprek van [medeverdachte 2] met [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 2] in eerste instantie huiverig was een correctie voor de straal op de bouwtekening te vermelden, om de reden dat zij, het hof begrijpt [bedrijf 2] ., zelf ook in hele spannende situaties hebben gezeten. Daarbij meldde [medeverdachte 2] dat als het gaat om knoeien met de maten, je dat op je bordje kan krijgen en dat je daar niet vrolijk van wordt. Uit dit alles leidt het hof af dat [medeverdachte 2] de valse inhoudsmaat op de bouwtekening heeft doen zetten, dat hij daarbij ook (in plaats van de door [medeverdachte 1] voorgestelde correctie op de straal) de op de bouwtekening vermelde straal heeft laten verwijderen en dat hij van de valsheid van die inhoudsmaat op de hoogte was.
Ten aanzien van [verdachte] overweegt het hof nog als volgt.
[verdachte] was erbij gebaat om de silo onder de 2.500 m3 te houden, omdat wanneer de silo een gezamenlijke inhoud van meer dan 2.500 m3 had, hij in de veronderstelling verkeerde dat dan een omgevingsvergunning moest worden aangevraagd en dus niet kon worden volstaan met een melding. [verdachte] heeft [medeverdachte 2] om die reden aangestuurd de netto-inhoudsmaat op de bouwtekening van de silo te vermelden, zoals eveneens blijkt uit de e-mailcorrespondentie en de tapgesprekken. Uit de e-mailcorrespondentie in de periode van 17 april tot en met 30 mei 2018 komt naar voren dat [verdachte] in eerste instantie bij [bedrijf 2] . een offerte voor de bouw van een mestsilo van ongeveer 2.750 m3 vroeg. [bedrijf 2] . stuurde [verdachte] daarop een offerte van een mestsilo Muleby MST1, optie 54/5. In de bij de e-mail gevoegde brochure was vermeld dat dit type mestsilo een bruto inhoud van 2.726 m3 had. Later ontving [verdachte] een nieuwe offerte voor exact hetzelfde type mestsilo, maar nu stond daarop een netto inhoud van 2.485 m3 vermeld. Daarbij vermeldde [verdachte] in mails naar [bedrijf 2] .: “Let wel op dat de netto m3 vermeld worden 2.485 m3”. Daarop stuurde [medeverdachte 2] een opdrachtbevestiging naar [verdachte] , waarbij hij schreef dat de bouwtekening was aangepast zoals besproken. Bij de e-mail was een bouwtekening gevoegd. Op deze tekening neemt het hof waar dat rechts onderin de legenda stond: “Mestsilo type MST1, 54-5 (2.485 m3 netto inhoud)”. Voorts neemt het hof waar dat in het bovenaanzicht van de mestsilo als binnenzijde silo (straal) “R12725” stond weergegeven. [verdachte] stuurde de ontvangen bouwtekening door aan [medeverdachte 1] en vroeg aan [medeverdachte 1] of dit voldoende was voor de melding bij de gemeente. [medeverdachte 1] liet daarop per e-mail aan [verdachte] weten dat de straal niet groter moest zijn dan 12,60 (nu 12,72) en dat dit dan wel op de tekening moest staan, omdat je boven de 2.500 m3 vergunningsplichtig wordt. Uit een tapgesprek op 30 mei 2018 blijkt dat [medeverdachte 1] tegen [verdachte] heeft gezegd dat ze rekenen boven de 2.500 kuub en dat het dan vergunningsplichtig is en dat moest je niet willen. Voorts zei [medeverdachte 1] in datzelfde gesprek: “Ik zou zeggen doe 12,50 of 12,55, dan hebben we 2.480 kuub, dan zitten we er mooi net onder”, alsmede dat hij de tabel eruit zou laten, want daar staat dat je 2.538 kuub hebt, dat je de silo niet tot aan de rand hoefde te vullen, maar ze wel zeggen dat is formeel vergunningsplichtig en dat als [bedrijf 2] . heel moeilijk zou doen zij wel zouden gaan knippen en plakken. [verdachte] stemde ermee in dat hij [bedrijf 2] . het zou laten aanpassen. [medeverdachte 1] zei daarbij nog dat hij een afdruk zou maken van de tekening en zou aangeven wat er moest veranderen, zodat [verdachte] dit kon doorsturen naar [bedrijf 2] . Op de bouwtekening die [medeverdachte 1] vervolgens naar [verdachte] stuurde, neemt het hof waar dat met pen de in het bovenaanzicht van de mestsilo als binnenzijde silo (straal) weergegeven “R12725” was doorgehaald en in plaats daarvan met de hand “R1260” erbij was geschreven. [verdachte] stuurde deze e-mail door naar [medeverdachte 2] , waarbij [verdachte] schreef: “Mijn adviseur heeft gevraagd of jullie de maten in de tekening willen aanpassen en terugsturen, zodat we de aanvraag kunnen indienen. Het is belangrijk dat de inhoud onder de 2.500 m3 blijft in de tekening. In de praktijk wordt hij dan gebouwd volgens afspraak.” Het hof leidt hieruit af dat [verdachte] wist dat de werkelijke inhoudsmaat van de silo ruim boven de 2.500 m3 betrof, dat de grens van 2.500 m3 in zijn veronderstelling essentiële informatie was voor de gemeente bij de beoordeling van de vraag of sprake was van een vergunningplicht en dat [verdachte] [medeverdachte 2] aldus heeft aangestuurd de valse inhoudsmaat op de bouwtekening van de silo te vermelden, met het doel om onder die grens van 2.500 m3 te blijven, en dat [medeverdachte 1] daarbij als medepleger dient te worden aangemerkt.
Ten aanzien van de vereiste wetenschap bij en het medeplegen door [medeverdachte 1] overweegt het hof nader dat bij het ontbreken van een gezamenlijke uitvoering, zoals met betrekking tot [medeverdachte 1] aan de orde is, van belang is dat de materiële en/of intellectuele bijdrage van [medeverdachte 1] aan het strafbare feit van voldoende gewicht is. Uit de tapgesprekken en e-mailcorrespondentie, zoals hiervoor reeds uiteengezet, blijkt dat [medeverdachte 1] als adviseur van [verdachte] een belangrijke rol heeft gespeeld bij het vervalsen van de bouwtekening. [medeverdachte 1] adviseerde [verdachte] immers om de straal op de bouwtekening van de mestsilo aan te laten passen, zodat de (te berekenen) inhoud van die silo onder de 2.500 m3 zou blijven en kon worden volstaan met een melding bij de gemeente. In dat verband voerde [medeverdachte 1] ook overleg met [medeverdachte 2] over de op de bouwtekening te voeren maten, teneinde de valse inhoudsmaat te kunnen onderbouwen. Daarnaast uitte hij naar [verdachte] zijn zorgen over dat ze “dadelijk een keer gaan nameten en dan zeggen dat die silo groter is” en dat ze “dan maar gokken dat de gemeente dat accepteert, dat die netto-inhoud 2.485 is”. Aldus was [medeverdachte 1] van de valsheid van de op de bouwtekening vermelde inhoudsmaat op de hoogte en heeft hij een dusdanige materiële en intellectuele bijdrage geleverd dat sprake is van medeplegen. [medeverdachte 1] had, te meer op grond van zijn functie als adviseur, [verdachte] kunnen en moeten adviseren om anders te handelen. Dat heeft hij echter niet gedaan. Hij heeft met de klant meegedacht om de bouwtekening met daarop de valse inhoudsmaat (geloofwaardig) op papier te krijgen om dit vervolgens als zijnde echt en onvervalst door een medewerker van [bedrijf 1] bij een melding te laten indienen bij het bevoegd gezag, met de bedoeling om een omgevingsvergunningtraject te voorkomen. In dat verband kan niet onvermeld blijven dat dit niet de eerste keer was dat [medeverdachte 1] in een kwestie als de onderhavige was betrokken. Met de relevantie van de informatie betreffende de inhoudsmaat van een mestsilo die bij een gemeente diende te worden gemeld, mocht [medeverdachte 1] uit hoofde van de kwestie die speelde in zaaksdossier 5 [relaasproces-verbaal, AMB – 00198, pagina 000613] ruimschoots bekend worden verondersteld, toen hij [verdachte] adviseerde over zijn mestsilo en hij met [medeverdachte 2] belde over de inhoudsmaat en de vermeldingen op de detailbouwtekening. Immers, in zaaksdossier 5 bleek [medeverdachte 1] ook nauw betrokken bij een kwestie tussen een gemeente en een klant van [bedrijf 1] , waarin het mede ging om de inhoud van een mestsilo. Die silo was opgericht in 2012 na een daaraan voorafgaande goedgekeurde melding. Op de bij die melding gevoegde detailtekening was vermeld dat deze een kleinere inhoud dan 2.500 m3 zou hebben, namelijk een inhoudsmaat van 2.400 m3, maar bij een controle in december 2017 bleek deze een inhoud te hebben van 2.756,33 m3. Het was [medeverdachte 1] die in verband met deze constatering op 17 mei 2018 namens [bedrijf 1] aanwezig was bij een overleg bij de betreffende gemeente over deze silo. Die gemeente liet al op 19 april 2018 en 14 mei 2018 aan [bedrijf 1] , in de aanloop naar die afspraak weten, dat de opgerichte silo groter was dan 2.500 m3 voor wat betreft de inhoud, terwijl in de melding destijds was aangegeven dat deze een maximale inhoud van 2.400 m3 zou hebben, waardoor sprake was van een vergunningplicht. Uit een mail van 12 juni 2018 blijkt dat dit ook op 17 mei 2018 was besproken met [medeverdachte 1] [DOC-02259, pagina 003738]. Ook hieruit valt aldus af te leiden dat [medeverdachte 1] ten tijde van het onderhavige bewezenverklaarde feit zeer wel op de hoogte was van wat dient te worden verstaan onder de inhoud van een mestsilo en hoe deze door een gemeente wordt berekend.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verdachte] , [bedrijf 1] , [medeverdachte 2] , [bedrijf 2] . en [medeverdachte 1] allen als medepleger kunnen worden aangemerkt van het primair bewezenverklaarde.
Het hof acht overigens voor de bewijsvraag niet relevant of de in de bewijsmiddelen genoemde grens van 2.500 m3 inhoud van mestsilo’s daadwerkelijk van betekenis is voor de bepaling welk omgevingsrechtelijk traject (kortweg: het doen van een melding of het aanvragen van een omgevingsvergunning) met betrekking tot de mestsilo diende te worden gevolgd. Het hof zal dit punt daarom onbesproken laten. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen kan in elk geval worden vastgesteld dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] allen toentertijd in de veronderstelling verkeerden dat deze grens van doorslaggevende betekenis was voor het te volgen traject en dat dit het motief heeft gevormd voor het bewezenverklaarde handelen.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte heeft de verdediging onder meer het volgende aangevoerd. Indien het hof het tenlastegelegde bewezen verklaart, is sprake van een verontschuldigbare dwaling ten aanzien van het recht door de verdachte, hetgeen tot ontslag van alle rechtsvervolging zou moeten leiden.
Bij de beoordeling van dit verweer stelt het hof voorop dat verontschuldigbare dwaling ten aanzien van het recht een zogenoemde schulduitsluitingsgrond is. Dit betekent dat honorering van het verweer niet maakt dat de wederrechtelijkheid aan het desbetreffende strafbare feit komt te ontvallen, maar dat de verdachte van het plegen van dat feit geen verwijt kan worden gemaakt. Hieruit volgt dat het noodzakelijk is om tot honorering van een dergelijk verweer te kunnen komen, dat feiten en omstandigheden worden aangevoerd die betrekking hebben op de desbetreffende verdachte. De verdachte heeft aangevoerd dat hij volledig heeft gevaren op zijn adviseurs en hem daarom geen verwijt kan worden gemaakt. Het hof verwerpt net als de rechtbank dit verweer en verwijst hiervoor naar de opgenomen bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat de grens van 2.500 m3 van doorslaggevende betekenis was voor het te volgen traject.
Daarnaast is door de verdachte aangevoerd dat sprake is van een te vage en onbepaalde strafbaarstelling, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en tot ontslag van alle rechtsvervolging zou moeten leiden.
Het hof verwerpt ook dit verweer. Bij de beoordeling hiervan stelt het hof voorop dat de strafbaarstelling waar het hier om gaat betreft valsheid in geschrift. Het hof stelt voorts vast dat de in dit geval bewezenverklaarde valsheid is gelegen in het vervalsen van een bouwtekening door daarop een valse inhoudsmaat te vermelden. Het hof heeft in de bewijsoverwegingen die betrekking hebben op dit bewezenverklaarde feit voorts geoordeeld dat voor de uitleg van het begrip ‘inhoud’ in de in de tenlastelegging bedoelde zin dient te worden uitgegaan van de betekenis die dat begrip heeft in het normale spraakgebruik. Het hof ziet in het licht van het voorgaande niet in waarom sprake zou zijn van een strafbaarstelling die niet voldoet aan de vereisten zoals voortvloeiend uit artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht en/of artikel 7 van het EVRM.
Op te leggen sanctie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank is opgelegd, te weten een geldboete van € 2.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 dagen hechtenis.
De verdediging heeft in het kader van de strafmaat naar voren gebracht dat een veroordeling ter zake van valsheid in geschrift voor de verdachte buitengewoon bezwarend is en heeft gewezen op het tijdsverloop van de zaak en de overschrijding van de redelijke termijn.
Algemene overwegingen ten aanzien van de strafoplegging
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Aard en ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift door
op een bouwtekening van een silo een inhoudsmaat te laten vermelden die in strijd was met
de werkelijkheid, met als doel om een mogelijk langdurig en kostbaar traject tot het
verkrijgen van een omgevingsvergunning te omzeilen. De verdachte is welbewust bezig
geweest met het op het verkeerde been zetten van de overheid. Door zo te handelen heeft de
verdachte het vertrouwen beschaamd dat overheidsinstanties in ondernemers in de agrarische sector behoren te kunnen stellen. Daarnaast levert het handelen van de verdachte oneerlijke concurrentie op ten opzichte van (agrarische) ondernemers die wel de juiste procedures doorlopen. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij zich enkel heeft laten leiden door eigenbelang en geen oog heeft gehad voor de hiervoor genoemde andere belangen.
Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met de Justitiële documentatie d.d. 3 april 2025 van verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld.
Het hof acht, gelet op de ernst van het feit, een geldboete niet passend, maar acht in beginsel een taakstraf van 80 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren passend.
Redelijke termijn
Het hof is van oordeel dat in hoger beroep de redelijke termijn van twee jaar als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, te rekenen vanaf het moment van het instellen van hoger beroep is overschreden met bijna één jaar. Het hof zal in dit geval gelet op de aard en omvang van de op te leggen straf volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden.
Conclusie
Het hof acht, alles afwegende, de oplegging van een taakstraf van 80 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 11 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.