In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 11 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. De verdachte, geboren in 1963 en woonachtig te [adres], was eerder veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrift, waarbij hij een taakstraf van 120 uren opgelegd kreeg, met een voorwaardelijk deel van 40 uren. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft het hof de vordering van de advocaat-generaal gehoord, die bevestiging van het vonnis heeft gevorderd. De verdediging heeft vrijspraak bepleit en aangevoerd dat de vervolging niet-ontvankelijk zou moeten zijn vanwege het ne bis in idem-beginsel, aangezien ook zijn vennootschap onder firma werd vervolgd. Het hof heeft echter geoordeeld dat de vennootschap en de verdachte als afzonderlijke rechtssubjecten kunnen worden vervolgd, waardoor het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank in zoverre vernietigd dat de strafoplegging is aangepast. De verdachte is opnieuw veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, met een voorwaardelijk deel van 60 uren, en een proeftijd van drie jaren. Het hof heeft rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, maar heeft dit niet tot een lagere straf geleid. De beslissing is gebaseerd op verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht.