ECLI:NL:GHSHE:2025:3605

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
20-002909-22
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis van de rechtbank Oost-Brabant inzake valsheid in geschrift door een melkveehouder

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 11 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. De verdachte, geboren in 1963 en woonachtig te [adres], was eerder veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrift, waarbij hij een taakstraf van 120 uren opgelegd kreeg, met een voorwaardelijk deel van 40 uren. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft het hof de vordering van de advocaat-generaal gehoord, die bevestiging van het vonnis heeft gevorderd. De verdediging heeft vrijspraak bepleit en aangevoerd dat de vervolging niet-ontvankelijk zou moeten zijn vanwege het ne bis in idem-beginsel, aangezien ook zijn vennootschap onder firma werd vervolgd. Het hof heeft echter geoordeeld dat de vennootschap en de verdachte als afzonderlijke rechtssubjecten kunnen worden vervolgd, waardoor het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank in zoverre vernietigd dat de strafoplegging is aangepast. De verdachte is opnieuw veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, met een voorwaardelijk deel van 60 uren, en een proeftijd van drie jaren. Het hof heeft rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, maar heeft dit niet tot een lagere straf geleid. De beslissing is gebaseerd op verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002909-22
Uitspraak : 11 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 20 december 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-995001-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (primair
), veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van drie jaren.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis wordt bevestigd.
De verdediging heeft op de in de pleitnota aangevoerde gronden primair vrijspraak van de gehele tenlastelegging bepleit en subsidiair verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.
De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte
Ter zake van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft de verdediging
aangevoerd dat naast de verdachte ook zijn vennootschap onder firma (verder: V.O.F.), te weten [bedrijf 1] , wordt vervolgd. Vervolging van de vennootschap en de
natuurlijke persoon kan tot een dubbele bestraffing leiden. Een op te leggen straf aan de V.O.F. komt bij de vennoot terecht. De V.O.F. en de natuurlijke persoon worden vervolgd voor hetzelfde verwijt. Het ne bis in idem-beginsel staat aan een dubbele vervolging in de weg. Het Openbaar Ministerie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.
Het hof overweegt als volgt.
Het ne bis in idem-beginsel is in het strafrecht slechts van toepassing wanneer dezelfde
verdachte consecutief wordt vervolgd vanwege hetzelfde feit. Wanneer verdachten juridisch
van elkaar zijn te onderscheiden, is geen sprake van dezelfde verdachte, zodat het
strafrechtelijke ne bis in idem-beginsel dan toepassing zal missen in geval van consecutieve vervolging (en bestraffing). De V.O.F. wordt op grond van artikel 51, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht gelijkgesteld met de rechtspersonen als bedoeld in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Dit heeft tot gevolg dat de V.O.F. strafrechtelijk dient te worden beschouwd als een zelfstandig rechtssubject, te onderscheiden van de vennoten van die V.O.F., zoals in dit geval (onder meer) de verdachte is. Beide kunnen daarom strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor de bewezen te verklaren feitelijke gedragingen. Het hof is daarom van oordeel dat het Openbaar Ministerie in de vervolging kan worden ontvangen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met aanvulling en verbetering van de gronden en met uitzondering van de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd en, opnieuw rechtdoende, zullen tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften worden vermeld.
Voor wat betreft de gronden ziet het hof aanleiding op onderdelen te komen tot aanvullingen en verbeteringen. Teneinde de leesbaarheid ten goede te komen zal het hof hierna de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen evenals de bewijsoverweging van de rechtbank integraal vervangen.
Bewijsmiddelen
Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen wordt voor wat betreft de door het hof gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de bewijsmiddelenbijlage, die bij dit arrest is gevoegd. De inhoud daarvan dient als hier ingelast te worden beschouwd.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Bewijsoverwegingen
Op 9 januari 2017 werd een voorbereidend onderzoek gestart door de Nederlandse Voedsel-
en Warenautoriteit (verder: NVWA) onder de naam Kievit. Dit onderzoek richtte zich op
[bedrijf 2] , een adviesbureau voor agrarische ondernemers onder meer op het
gebied van mestwetgeving, alsmede op haar bestuurders. Het voorbereidend onderzoek heeft geleid tot een strafrechtelijk onderzoek waarbij telefoongesprekken zijn afgeluisterd en gegevens zijn gevorderd bij diverse bedrijven en instanties. Uit het onderzoek zijn negen zogenoemde ‘zaaksdossiers’ voortgekomen, die in meer of mindere mate ten grondslag liggen aan de in dit onderzoek uitgebrachte dagvaardingen. Ook de tenlastelegging van de verdachte komt hieruit voort.
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft op de gronden vermeld in het op schrift gestelde requisitoir
gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft op de gronden vermeld in de pleitnota integrale vrijspraak bepleit.
Opmerkingen vooraf
Voor de leesbaarheid van de overwegingen worden zowel de verdachte als zijn medeverdachten voor zover zij natuurlijke personen zijn bij hun achternaam aangeduid en voor zover zij een rechtspersoon zijn bij al dan niet verkorte bedrijfsnaam aangeduid. Het betreffen de volgende (mede)verdachten:
Naam: In het arrest aangeduid als:
[bedrijf 2]
[medeverdachte]
[bedrijf 1]
[verdachte]
Ten aanzien van het primair feit (zaaksdossier 1)
Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat sprake is van valsheid in geschrift door het valselijk opmaken van een specificatie niet geleverde melk en/of een ongedateerde brief (primair). Het hof is van oordeel dat [verdachte] , als vennoot van en in die hoedanigheid uit hoofde van het melkveebedrijf, de documenten genoemd in de bewezenverklaring (DOC-01562 en DOC-01584) valselijk heeft opgemaakt ten behoeve van het melkveebedrijf en dat [medeverdachte] daarbij als medepleger kan worden aangemerkt. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Het hof is van oordeel dat de documenten niet conform de werkelijkheid door [verdachte] zijn opgemaakt. Immers blijkt uit de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien dat [verdachte] de op die documenten vermelde hoeveelheid weggegooide melk van 113.680 kilogram over het jaar 2015 heeft geconstrueerd aan de hand van een achteraf gefingeerde administratie van diergeneesmiddelenbehandelingen (DOC-01586 tot en met DOC-01599), terwijl hij, zo is op zich niet in geschil, verplicht was deze administratie (‘real time’) bij te houden. Immers, zoals [verdachte] tegenover [medeverdachte] tijdens een telefoongesprek te kennen gaf, heeft [verdachte] al zijn beschikbare -en door hem te verantwoorden- medicijnen opgeteld, heeft hij gekeken naar de aantallen liters melk die hij op papier wenste te verantwoorden en heeft [verdachte] ten behoeve daarvan behandelingen van de dieren geconstrueerd. Van een daadwerkelijke en waarheidsgetrouwe administratie van diergeneesmiddelenbehandelingen is daarmee geen sprake. Door de bewezenverklaarde gegevens vervolgens uitdrukkelijk mede te baseren op deze gepretendeerde administratie, zijn de geschriften waarin deze gegevens zijn vervat ook aan te merken als valselijk opgemaakte geschriften. Door deze handelwijze wordt immers ten onrechte de indruk gewekt dat de bewezenverklaarde gegevens (mede) berusten op correcte, objectieve informatie over diergeneesmiddelenbehandelingen.
Uit de in dit verband voor het bewijs gebezigde tapgesprekken met [medeverdachte] komt onder meer naar voren dat [verdachte] in eerste instantie in zijn berekening tot 79.000 kilogram melk kwam. Vervolgens uitte hij naar [medeverdachte] de noodzaak om nog 24.000 kilogram “weg te goochelen” en besprak hij met [medeverdachte] de optie om door middel van het aantal injectoren te goochelen met de getallen, (bijvoorbeeld) door voor een dier één injector met vijf dagen wachttijd op te geven in plaats van drie injectoren per dier te gebruiken. [verdachte] zei daarbij tegen [medeverdachte] : “hoe slim is die van RVO, want als je iemand hebt die er verstand van heeft, die zegt vriend je kan niet voor één injector vijf dagen wachttijd rekenen, want je moet drie injectoren gebruiken per ziektegeval, serveert hij mij ook af”. [medeverdachte] adviseerde daarop het “met die medicijnregistratie niet te bont te maken”. Daarnaast vroeg [verdachte] aan [medeverdachte] advies over hoe hij het met “dat uitschrijven van dat geneesmiddelengebruik in handschrift” moest doen. [verdachte] vroeg of hij het moest “fotograferen en opsturen voor de echtigheid”, omdat het anders “niet geloofwaardig” zou overkomen. [medeverdachte] antwoordde daarop: “Ja, doe dat maar.” [verdachte] vroeg zich daarbij nog af hoeveel weggegooide melk van koeien met een hoog celgetal “redelijk is”, waarop [medeverdachte] antwoordde: “bij lange na niet dat soort hoeveelheden, normaal gesproken”. Op de vraag van [verdachte] of dit “geloofwaardig overkomt”, antwoordde [medeverdachte] dat dit afhankelijk zou zijn van de ambtenaar, dat hij er “vorige week een heeft gezien waarbij 2,5 ton melk is bij geplust” en dat ze dit ook “in één slag” geloofden. [medeverdachte] vermeldde daarbij dat “als die ambtenaar een goed weekend heeft gehad” dat allemaal kon schelen.
Voor zover is betoogd dat de documenten niet valselijk zijn opgemaakt, omdat de berekening zou zijn gemaakt door dierenartsen [arts 1] en [arts 2] , mist dat betoog doel. Dat [arts 1] de brief van 27 juni 2017 heeft ondertekend en bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij of een collega heeft meegerekend aan de cijfers in die brief, betekent namelijk niet dat de in de bewezenverklaring genoemde documenten overeenkomstig de werkelijkheid zijn opgemaakt. Daarnaast is het hof van oordeel dat de documenten geschriften betreffen die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen en dat zij zijn opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken. Immers, [verdachte] heeft de documenten genoemd in de bewezenverklaring valselijk opgemaakt teneinde een beroep te doen op de knelgevallenregeling in het kader van de toekenning van fosfaatrechten door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO). Nadat [verdachte] op 13 augustus 2016 was geïnformeerd dat de RVO per bedrijf de fosfaatrechten ging vaststellen aan de hand van de bij de RVO bekende gegevens van het bedrijf van het jaar 2015, heeft [verdachte] met zijn gemachtigd bedrijfsadviseur [medeverdachte] van [bedrijf 2] bij herhaling in 2016 en 2017 getracht de referentiegegevens voor de vaststelling van de fosfaatrechten voor het melkveebedrijf gewijzigd te krijgen. De referentiegegevens die oorspronkelijk bij de RVO geregistreerd waren voor het jaar 2015, te weten een totale melkproductie voor het melkveebedrijf in 2015 van 609.371 kilogram, zouden worden gebruikt voor de vaststelling van de fosfaatrechten van [verdachte] . Daar was [verdachte] het niet mee eens, die registratie moest hoger, zo blijkt uit de bewijsmiddelen. Immers, de hoeveelheid fosfaatrechten bepaalt voor een melkveehouder de omvang van zijn melkvee; een melkveehouder mag niet meer fosfaat produceren dan hem is toegekend door de RVO. Voorafgaande aan de brief van [medeverdachte] van 28 november 2017 met de gewraakte bijlagen, bestaande uit de valselijk opgemaakte specificatie en de ongedateerde brief, zijn alle eerdere verzoeken tot wijziging van de referentiegegevens niet gehonoreerd. Het belang van [verdachte] om de fosfaatrechten bijgesteld te krijgen, was er blijkens de gebezigde bewijsmiddelen (mede) in gelegen dat [verdachte] eerder melk in 2015 niet had afgeleverd en had weggegooid om onder meer superheffing uit te komen, terwijl hij die melk anno 2016 -na afschaffing van het melkquotum- nodig had, omdat de fosfaatrechten zouden worden vastgesteld op basis van de geregistreerde melkproductie in 2015. Het melkveebedrijf had in 2015 weliswaar meer melk geproduceerd, maar kennelijk (mede) om [verdachte] moverende redenen (melkquotum, ergo superheffing en niet (louter) als gevolg van een zieke veestapel) toen niet geleverd waardoor de referentiegegevens lager uitvielen dan de melkveestapel van [verdachte] in werkelijkheid had geproduceerd. Achteraf heeft [verdachte] daarom een administratie van diergeneesmiddelenbehandelingen gefingeerd om zo te onderbouwen dat in zijn melkveebedrijf sprake was van bijzondere omstandigheden die de RVO zouden nopen tot verhoging van zijn fosfaatrechten. Zo trachtte [verdachte] met de overgelegde diergeneesmiddelenregistratie en de daarop gebaseerde specificatie en ongedateerde brief de RVO voor te wenden dat hij in 2015 als gevolg van een zodanig zieke melkveestapel meer melk had geproduceerd dan geleverd.
Ten aanzien van het medeplegen door [medeverdachte] overweegt het hof nog dat is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. In het kader daarvan is het bij het ontbreken van een gezamenlijke uitvoering van belang dat de materiële en/of intellectuele bijdrage van [medeverdachte] aan het strafbare feit van voldoende gewicht is. Uit de tapgesprekken, zoals hiervoor reeds uiteengezet, maar ook uit het mailverkeer, blijkt dat [medeverdachte] als adviseur van [verdachte] en het melkveebedrijf een belangrijke rol heeft gespeeld bij het valselijk opmaken van de documenten die in de bewezenverklaring worden genoemd. [medeverdachte] fungeerde immers als klankbord voor [verdachte] bij het bedenken van de strategie voor een geslaagd beroep op de knelgevallenregeling en het ten behoeve daarvan construeren van de berekening van de hoeveelheid gederfde melk, zoals vermeld op de specificatie niet geleverde melk en de ongedateerde brief, aan de hand van een achteraf opgestelde (fictieve) diergeneesmiddelenregistratie. [medeverdachte] gaf in dat verband ook advies aan [verdachte] over hoe hij te werk moest gaan, zoals de wijze waarop de relevante gegevens (de diergeneesmiddelenregistratie) die aan de valsheid ten grondslag lagen, moesten worden opgemaakt. Daarnaast heeft hij [verdachte] gerustgesteld over de geloofwaardigheid van de opgegeven hoeveelheid gederfde melk. Aldus was [medeverdachte] op de hoogte van de valsheid van de op de documenten vermelde hoeveelheid gederfde melk en heeft hij dusdanig intellectueel bijgedragen aan de totstandkoming van de valse berekening daarvan dat sprake is van medeplegen. [medeverdachte] had op grond van zijn deskundigheid [verdachte] en diens melkveebedrijf kunnen en moeten adviseren om anders te handelen. Dat heeft hij echter niet gedaan. Hij heeft van meet af aan, vanaf de melding van de RVO op 13 augustus 2016 “met de klant meegedacht”, hetgeen er na meerdere afwijzingen eind 2017 in heeft geresulteerd dat [medeverdachte] eraan bijdroeg om een fictieve en daarmee valse berekening van de hoeveelheid gederfde melk over 2015 (geloofwaardig) op papier te krijgen om vervolgens, bij brief van 28 november 2017, de desbetreffende documenten bij de RVO in te dienen als zijnde echt en onvervalst, ten dienste van een verzoek tot wijziging van de fosfaatrechten van [verdachte] zijn melkveebedrijf.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [medeverdachte] , [bedrijf 2] , [verdachte] en het melkveebedrijf als medeplegers kunnen worden aangemerkt ter zake van het primair bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Algemene overwegingen ten aanzien van de strafoplegging
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Aard en ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift door
het valselijk opmaken van een specificatie niet geleverde melk en in een brief aan de RVO
op te nemen dat de daadwerkelijk geproduceerde melk een grotere hoeveelheid bedroeg dan
in werkelijkheid het geval was. De verdachte heeft met deze valse documenten beoogd om via een beroep op de knelgevallenregeling meer fosfaatrechten toegewezen te krijgen door de RVO dan waar de V.O.F. recht op had. Door zo te handelen heeft de verdachte het
fosfaatrechtenstelsel ondermijnd, hetgeen het hof hem kwalijk neemt. Het doel van het
fosfaatrechtenstelsel is ervoor te zorgen dat de fosfaatproductie onder het fosfaatplafond
komt en blijft. Fosfaten leiden tot overbemesting en schade voor het milieu. De verdachte heeft het vertrouwen dat controlerende (overheids-)instanties in participanten in de agrarische sector behoren te kunnen stellen, beschaamd. Daarnaast levert het handelen
van de verdachte oneerlijke concurrentie op ten opzichte van veehouders die zich wel aan het fosfaatrechtenstelsel houden, nu deze rechten verhandelbaar zijn en veehouders bij een
tekort fosfaatrechten moeten kopen of leasen. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij zich heeft laten leiden door financiële motieven en geen oog heeft gehad voor de hiervoor genoemde andere belangen. Van inzicht in het laakbare van zijn gedragingen heeft hij geen blijk gegeven.
Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met het feit dat de verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel van de Justitiële Documentatiedienst van 3 april 2025 niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, alsmede met de omstandigheid dat naast de verdachte ook de V.O.F. wordt veroordeeld en bestraft voor dezelfde bewezenverklaarde feitelijke gedragingen, terwijl de verdachte als vennoot van de V.O.F. een financieel belang heeft in deze vennootschap.
Het hof acht, alles afwegende, in beginsel de oplegging van een taakstraf van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren voorwaardelijk, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van drie jaren, passend.
Redelijke termijn
Het hof is van oordeel dat in hoger beroep de redelijke termijn van twee jaar als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, te rekenen vanaf het moment van het instellen van hoger beroep is overschreden met bijna één jaar. Het hof zal in dit geval gelet op de aard en omvang van de op te leggen gedeeltelijk voorwaardelijke straf volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden.
Conclusie
Het hof acht, alles afwegende, de oplegging van een taakstraf van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren voorwaardelijk, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 11 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.