ECLI:NL:GHSHE:2025:3607

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
20-001724-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake zware mishandeling met schadevergoeding

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 31 oktober 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De verdachte was eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, voor zware mishandeling. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank grotendeels bevestigd, maar heeft opnieuw rechtgedaan op de vordering van de benadeelde partij. De rechtbank had de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, maar het hof heeft de vordering tot een totaalbedrag van € 8.912,20, bestaande uit € 2.912,20 voor materiële schade en € 6.000,00 voor immateriële schade, toegewezen. Het hof heeft daarbij de wettelijke rente vanaf de datum van het bewezenverklaarde feit tot aan de dag der voldoening bepaald. De verdachte is ook veroordeeld tot het betalen van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij voor een deel afgewezen en niet-ontvankelijk verklaard voor het overige, met de mogelijkheid om deze bij de burgerlijke rechter aan te brengen. De uitspraak benadrukt de ernst van de mishandeling en de gevolgen voor het slachtoffer, die blijvend letsel heeft opgelopen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001724-24
Uitspraak : 31 oktober 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 21 juni 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-082799-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van ‘zware mishandeling’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de duur van het voorarrest. De rechtbank heeft als bijzondere voorwaarden gesteld: een meldplicht bij de reclassering en het deelnemen aan een gedragsinterventie. Voorts heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 6.476,19, waarvan € 3.476,19 ter vergoeding van materiële schade en € 3.000,00 ter vergoeding van immateriële schade. Voor het toegewezen bedrag is tevens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft een straftoemetingsverweer en verweren ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de schadevergoedingsmaatregel.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging het hof verzocht de door de rechtbank opgelegde straf te matigen. Daarbij is aangevoerd dat oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf tot gevolg kan hebben dat de verdachte zijn huurwoning en zijn baan verliest. Ook is aangevoerd dat de verdachte spijt heeft van zijn handelen jegens het slachtoffer en dat hij bereidwillig is de door hem veroorzaakte schade te vergoeden. De raadsvrouw van de verdachte heeft het hof in overweging gegeven aan de verdachte een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank de aan de verdachte opgelegde straf goed heeft gemotiveerd en verenigt zich dan ook met de strafoverwegingen in het vonnis. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd geen reden om de door de rechtbank opgelegde straf in het voordeel van de verdachte te matigen. Bij de beoordeling heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte zich ter terechtzitting in hoger beroep, naar het oordeel van het hof, weinig berouwvol heeft getoond jegens het slachtoffer, hetgeen onder andere bleek uit het feit dat de verdachte het slachtoffer het verwijt maakte dat het slachtoffer hem had gegroet. Als dat niet was gebeurd dan zou het incident in de ogen van de verdachte ook niet hebben plaatsgevonden. Hiermee lijkt de verdachte, in weerwil van zijn woorden van spijtbetuiging, de oorzaak van zijn kwalijk handelen, zo niet in zijn geheel dan toch wel in belangrijke mate, buiten zichzelf te zoeken en zodoende geen daadwerkelijke verantwoordelijkheid te nemen. Dit terwijl het slachtoffer als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte zonder enige rechtvaardiging ernstig letsel in het gezicht heeft opgelopen, zoals onder meer blijkt uit de namens hem ingestelde vordering tot schadevergoeding en de toelichting daarop ter terechtzitting in hoger beroep.
Het straftoemetingsverweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingesteld, strekkende tot vergoeding van in totaal € 14.688,52 aan geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De in de vordering gestelde schade is onderverdeeld in de volgende posten:
Ziekenhuisdaggeldvergoeding ter hoogte van € 35,00.
Schade als gevolg van in het ziekenhuis vernietigde of zoekgeraakte kleding ter hoogte van € 699,19.
Medische kosten ter hoogte van € 2.321,00.
Reis- en parkeerkosten ter hoogte van € 104,48.
Schade als gevolg van verlies aan verdienvermogen ter hoogte van € 3.028,85.
Immateriële schade ter hoogte van € 8.500,00.
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 6.476,19, bestaande uit € 3.476,19 aan vergoeding van materiële schade en € 3.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2023 (de datum van het bewezenverklaarde feit) tot aan de dag der voldoening. Voor het overige gedeelte van de vordering is de benadeelde partij door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard waarbij is bepaald dat de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte de vordering op de volgende onderdelen betwist. Allereerst heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de gestelde schade als gevolg van in het ziekenhuis vernietigde of zoekgeraakte kleding door de benadeelde partij niet is onderbouwd, zodat de vordering op dit punt moet worden afgewezen. Ten aanzien van de gestelde medische kosten heeft de raadsvrouw aangevoerd dat door de benadeelde partij niet is onderbouwd dat de gestelde kosten door hemzelf zijn betaald en niet zijn vergoed door de zorgverzekeraar, zodat de vordering op dit punt niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel, subsidiair, moet worden afgewezen. De gestelde reis- en parkeerkosten zijn volgens de raadsvrouw eveneens onvoldoende onderbouwd. Zij heeft het hof verzocht ten aanzien van deze schadepost gebruik te maken van zijn schattingsbevoegdheid. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat ook de schade als gevolg van verlies aan arbeidsvermogen door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd – de benadeelde partij heeft geen deskundigenrapport of UWV-verklaring overgelegd en het is niet duidelijk in hoeverre het loon van de benadeelde partij niet is doorbetaald –, zodat de vordering op dit punt niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel, subsidiair, moet worden afgewezen. Tot slot heeft de raadsvrouw ten aanzien van de gestelde immateriële schade aangevoerd dat, voor wat betreft de schade als gevolg van het ontstane litteken op het gezicht van de benadeelde partij, toewijzing van een bedrag aan de onderkant van de bandbreedte, zoals berekend aan de hand van de Rotterdamse Schaal, weliswaar passend is, maar dat de gestelde psychische schade verder onvoldoende wordt onderbouwd en ook het causaal verband tussen deze schade en het handelen van de verdachte op grond van de door de benadeelde overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting en de (schriftelijke en mondelinge) toelichting op de vordering van de benadeelde partij, is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden.
Het hof is van oordeel dat de gevorderde ziekenhuisdaggeldvergoeding ter hoogte van € 35,00 en de gevorderde vergoeding van reis- en parkeerkosten ter hoogte van € 104,48 beide in het geheel kunnen worden toegewezen. Deze schade is rechtstreeks geleden door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en is door/namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd.
Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van schade als gevolg van in het ziekenhuis vernietigde of zoekgeraakte kleding ter hoogte van € 699,19 kan naar het oordeel van het hof een bedrag van € 473,39 (bestaande uit de gezamenlijke waarde van het T-shirt, de broek, de trui en de jas die de benadeelde partij ten tijde van het bewezenverklaarde en bij de opname in het ziekenhuis droeg) worden toegewezen. Door/namens de benadeelde partij is voldoende onderbouwd dat deze kledingstukken in het ziekenhuis kapot zijn geknipt en/of zoek zijn geraakt. Dat geldt niet voor de schoenen die de benadeelde partij op de hiervoor genoemde momenten droeg. Mede gelet op de betwisting door de verdediging is onvoldoende aannemelijk geworden dat deze schoenen, met een waarde van € 225,80, in het ziekenhuis kapot zijn geknipt en/of zoek zijn geraakt. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij op dit punt afwijzen.
Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van medische kosten ter hoogte van € 2.321,00 kan naar het oordeel van het hof een bedrag van € 120,51 (bestaande uit het door de benadeelde betaalde eigen risico van € 14,51 en de kosten voor een afspraak met een psycholoog ter hoogte van 106,00) worden toegewezen. Deze schade is rechtstreeks geleden door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en is door/namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Het overige bedrag aan gestelde medische kosten acht het hof, mede gelet op de betwisting door de verdediging, onvoldoende onderbouwd. Uit de (bewijsstukken bij de) vordering blijkt niet dat de benadeelde partij deze kosten daadwerkelijk (zelf) heeft gemaakt en/of dat deze kosten niet voor vergoeding door de zorgverzekeraar in aanmerking komen. Dit bewijs had eenvoudig geleverd kunnen worden, door overlegging van betalingsbewijzen of verzekeringspapieren, hetgeen door de (gemachtigde van de) benadeelde partij is nagelaten. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij op dit punt daarom afwijzen.
Het hof is van oordeel dat de gevorderde vergoeding van schade als gevolg van verlies aan arbeidsvermogen ter hoogte van € 3.028,85 gedeeltelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.179,52 (bestaande uit de door de benadeelde partij gemiste overwerkvergoeding voor de maanden mei 2023 tot en met december 2023). Deze schade is rechtstreeks geleden door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en is door/namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Het overige bedrag aan schade als gevolg van verlies aan verdienvermogen acht het hof, mede gelet op de betwisting door de verdediging, onvoldoende onderbouwd. Aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ter nadere onderbouwing van dit deel van de vordering levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de vordering op dit punt niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting en de (schriftelijke en mondelinge) toelichting op de vordering van de benadeelde partij, is het hof eveneens genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Op grond van de stukken in het dossier staat vast dat de benadeelde partij door het handelen van de verdachte een zichtbaar en blijvend litteken in het gezicht heeft opgelopen en dat hij door een plastisch chirurg is behandeld. Dit wordt door de verdediging ook niet betwist. Het hof stelt de schadevergoeding voor deze schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 6.000,00. Daarbij heeft het hof gelet op de bandbreedte die in de zogenoemde Rotterdamse Schaal – het resultaat van onderzoek verricht door onderzoekers van Erasmus Universiteit Rotterdam in opdracht van de Raad voor de rechtspraak – voor middelzware littekenvorming in het gezicht wordt gehanteerd, namelijk € 6.000,00 tot € 21.000,00. Het hof zal van de gevorderde immateriële schadevergoeding een bedrag van € 6.000,00 toewijzen. Nader onderzoek van dit deel van de vordering dat nodig zou zijn om eventueel tot een hoger bedrag uit te kunnen komen levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de vordering op dit punt niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Samenvattend, het hof acht van de door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte een totaalbedrag van € 8.912,20, bestaande uit € 2.912,20 ter vergoeding van materiële schade en € 6.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, toewijsbaar. Het toegewezen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
  • ten aanzien van de toegewezen materiële schadevergoeding: 7 juli 2023, zijnde de datum van de vordering van de benadeelde partij en
  • ten aanzien van de toegewezen immateriële schadevergoeding: 24 maart 2023, zijnde de datum van het bewezenverklaarde,
tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de vordering voor een bedrag van € 2.426,29 aan materiële schade afwijzen en de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren.
Het hof zal tot slot de verdachte veroordelen in de kosten van het geding en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden, aan de zijde van de benadeelde partij, begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij] is toegebracht tot een bedrag van € 8.912,20. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 8.912,20, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat, indien verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling voor de duur van ten hoogste 79 dagen kan worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] , ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 8.912,20 (achtduizend negenhonderdtwaalf euro en twintig cent), bestaande uit € 2.912,20 (tweeduizend negenhonderdtwaalf euro en twintig cent) ter vergoeding van materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 2.426,29 (tweeduizend vierhonderdzesentwintig euro en negenentwintig cent) aan materiële schade af.
Verklaart dat de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.912,20 (achtduizend negenhonderdtwaalf euro en twintig cent), bestaande uit € 2.912,20 (tweeduizend negenhonderdtwaalf euro en twintig cent) ter vergoeding van materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 79 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schadevergoeding op 7 juli 2023 en voor de immateriële schadevergoeding op 24 maart 2023.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. H.A.T.G. Koning en mr. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,
en op 31 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. A.C. Bosch en mr. H.A.T.G. Koning zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.