ECLI:NL:GHSHE:2025:3662

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
20-001596-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie wegens schending ne bis in idem-beginsel in drugszaken

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 19 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de Rechtbank Oost-Brabant. De verdachte was eerder vrijgesproken van het tenlastegelegde, maar het Openbaar Ministerie stelde hoger beroep in. De zaak betreft de vervolging van de verdachte voor drugshandel, specifiek de uitvoer van metamfetamine van Nederland naar Finland. De verdediging stelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard op basis van het ne bis in idem-beginsel, zoals vastgelegd in artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst. Het hof oordeelde dat de verdachte in Finland al was onderzocht en dat het Finse Openbaar Ministerie had besloten om af te zien van vervolging wegens gebrek aan bewijs. Het hof concludeerde dat de vervolging in Nederland in strijd was met het ne bis in idem-beginsel, omdat de feiten in beide landen identiek waren en de eerdere beslissing in Finland als onherroepelijk moest worden beschouwd. Het hof verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging en vernietigde het eerdere vonnis.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001596-24
Uitspraak : 19 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het Gerechtshof‘s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 31 mei 2024 in de strafzaak met parketnummer 71-221935-22 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. [plaats P.I.] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, omdat zijns inziens niet is voldaan aan de bewijsminimumregel, als bedoeld in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte vanwege schending van het (Unierechtelijke) ne-bis-in-idem-beginsel. Subsidiair heeft de verdediging vrijspraak bepleit van het aan de verdachte tenlastegelegde. Meer subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2017 tot en met 16 september 2017 te Venlo en/of Sevenum, althans in Nederland, en/of te Helsinki en/of Tampere, althans in Finland, althans (elders) in Europa, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad:
  • een (eerste) lading en/of hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer) 30 kilogram van een materiaal bevattende metamfetamine en/of
  • een (tweede) lading en/of hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer) 20 kilogram van een materiaal bevattende metamfetamine,
althans een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde metamfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten en/of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte vanwege schending van het Unierechtelijke ne-bis-in-idem-beginsel, zoals vastgelegd in artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) en artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst (hierna: SUO). Daartoe heeft de verdediging in de kern aangevoerd dat de verdachte door het Nederlandse Openbaar Ministerie wordt vervolgd voor dezelfde strafbare feiten als de strafbare feiten ter zake waarvan het Finse Openbaar Ministerie reeds eerder, na een beoordeling van de zaak ten gronde, heeft afgezien van strafvervolging jegens de verdachte. De hiervoor genoemde artikelen verzetten zich tegen een dergelijke tweede vervolging voor dezelfde strafbare feiten door een lidstaat van de Europese Unie en/of partij bij de SUO. Om die reden kan het Openbaar Ministerie niet worden ontvangen in de vervolging van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten, aldus de verdediging.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een schending van het (Unierechtelijke) ne-bis-in-idem-beginsel, zodat het Openbaar Ministerie wel kan worden ontvangen in de vervolging van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Daartoe heeft de advocaat-generaal allereerst aangevoerd dat artikel 54 SUO
in casuniet van toepassing is, omdat geen sprake is van een onherroepelijk vonnis ten aanzien van de verdachte door Finland. Ook aan de eisen, zoals geformuleerd in de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) met betrekking tot voornoemd artikel, is volgens de advocaat-generaal niet voldaan. Zo is uit de stukken niet gebleken van een ‘beoordeling van de zaak ten gronde’ door het Finse Openbaar Ministerie en heeft het Finse Openbaar Ministerie niet geconcludeerd dat ‘geen enkel bewijs’ bestond voor de betrokkenheid van de verdachte bij de onderzochte strafbare feiten, aldus de advocaat-generaal.
Oordeel van het hof
Aan het hof ligt de vraag voor of sprake is van schending van het ne-bis-in-idem-beginsel door het Openbaar Ministerie. Omdat de tenlastelegging betrekking heeft op grensoverschrijdende criminaliteit tussen twee lidstaten van de Europese Unie, die op het moment van de vervolging van verdachte in Nederland tevens partij zijn bij de Schengenuitvoeringsovereenkomst [1] (hierna: SUO), is artikel 54 SUO van toepassing. Artikel 54 SUO heeft rechtstreekse werking in de nationale rechtsorde en heeft, in geval van strijdigheid met (een) nationale regel(s), voorrang op deze nationale regel(s). Staten die partij zijn bij de SUO worden hierna aangeduid als overeenkomstsluitende staten.
Artikel 54 SUO luidt als volgt:

Een persoon die bij onherroepelijk vonnis door een overeenkomstsluitende partij is berecht, kan door een andere overeenkomstsluitende partij niet worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende overeenkomstsluitende partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden.
Uit de tekst van artikel 54 SUO volgt dat voor toepassing van dit artikel voldaan moet zijn aan twee voorwaarden, namelijk dat sprake is van een eerdere onherroepelijke beslissing (van een overeenkomstsluitende staat) (‘bis’) én dat de eerdere beslissing en de latere vervolgingsmaatregelen of beslissingen (van een andere overeenkomstsluitende staat) betrekking hebben op dezelfde feiten (‘idem’). In de rechtspraak van het Hof van Justitie is aan deze voorwaarden nadere uitleg gegeven. Daarbij verdient opmerking dat het recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde feit te worden vervolgd of gestraft zowel in artikel 54 SUO als in artikel 50 van het Handvest is neergelegd, zodat, zo volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie, eerstgenoemde bepaling in het licht van laatstgenoemde bepaling moet worden uitgelegd. [2]
a.
De voorwaarde (ne) ‘bis’: geen dubbele vervolging of bestraffing
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat aan de eerste voorwaarde, namelijk dat sprake moet zijn van een eerdere onherroepelijke beslissing (‘bis’), is voldaan als het recht tot strafvordering door die beslissing, na een beoordeling van de zaak
ten gronde, definitief is komen te vervallen. [3] Of dat het geval is, dient te worden beoordeeld op basis van het recht van de staat die de desbetreffende beslissing heeft gegeven en daarbij moet worden verzekerd dat de betrokken beslissing in die staat leidt tot de bescherming die het ne-bis-in-idembeginsel verleent. Niet is vereist dat een dergelijke beslissing door (tussenkomst van) een rechter wordt gegeven, noch dat de beslissing is vastgesteld in de vorm van een vonnis. Ook beslissingen die afkomstig zijn van een autoriteit die tot taak heeft in de nationale rechtsorde deel te nemen aan de rechtsbedeling in strafzaken, zoals een parket, waarbij de strafrechtelijke vervolging in een lidstaat definitief wordt beëindigd zonder dat een straf wordt opgelegd, vallen onder de reikwijdte van artikel 54 SUO. De omstandigheid dat de strafrechtelijke procedure die is afgesloten bij een dergelijke beslissing, volgens het nationale recht van die lidstaat kan worden heropend in het geval van nieuwe of pas aan het licht gekomen feiten, doet niet af aan het onherroepelijke karakter van deze beslissing. [4]
Het hof van Justitie heeft geoordeeld dat als sprake is van een beslissing van een hiervoor bedoelde autoriteit, zoals het Openbaar Ministerie, waarbij de strafvervolging wordt beëindigd en het onderzoek wordt afgesloten, en uit de motivering van deze beslissing blijkt dat geen sprake is geweest van een grondig onderzoek, deze beslissing niet kan worden beschouwd als een beslissing die is gegeven na een beoordeling van de zaak ten gronde, zodat zij niet kan worden aangemerkt als een ‘onherroepelijke beslissing’ in de zin van artikel 54 SUO. De tweede lidstaat kan slechts in uitzonderlijke gevallen tot de slotsom komen dat de eerste lidstaat geen grondig onderzoek heeft verricht, namelijk wanneer dit in het licht van het toepasselijke nationale recht van de eerste lidstaat kennelijk het geval is, rekening houdend, in de allereerste plaats, met de motivering van deze beslissing en de informatie die de eerste lidstaat eventueel vóór de vaststelling ervan heeft verstrekt in antwoord op een verzoek dat de tweede lidstaat in voorkomend geval aan hem heeft gericht. [5] Dat de tweede lidstaat vaststelt dat er geen grondig onderzoek werd verricht, moet derhalve eerder de uitzondering dan de regel zijn, met dien verstande dat een dergelijke vaststelling hoe dan ook geboden is als uit de bewoordingen van de betrokken strafrechtelijke beslissing blijkt dat vooraf geen echt onderzoek werd gevoerd of de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de verdachte niet echt werd beoordeeld, of dat deze beslissing in het licht van het toepasselijke nationale recht hoofdzakelijk werd genomen om redenen die als puur procedurele redenen kunnen gelden, dan wel om praktische, economische of beleidsmatige redenen. [6]
Tot slot heeft het Hof van Justitie, in het kader van beantwoording van de vraag of sprake is van een beoordeling van de zaak ten gronde, overwogen dat een vrijspraak doordat het feit niet als (afdoend) bewezen kan worden geacht, is gebaseerd op – en dus wordt aangemerkt als – een beoordeling van de zaak ten gronde. [7]
b. De voorwaarde (in) ‘idem’: voor hetzelfde feit
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie bestaat het relevante criterium om te beoordelen of sprake is van een en hetzelfde strafbare feit erin dat de materiële feiten dezelfde zijn, in die zin dat sprake is van een geheel van onlosmakelijk met elkaar verbonden concrete feiten, ongeacht de (nationaalrechtelijk) juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang. [8] In dit verband is relevant dat het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat strafbare feiten van uitvoer en invoer van dezelfde verdovende middelen, ter zake waarvan in verschillende overeenkomstsluitende staten vervolging is ingesteld, in beginsel moeten worden beschouwd als ‘dezelfde feiten’ in de zin van dit artikel 54 SUO. [9]
c. Doel en ratio van artikel 54 SUO
Het Hof van Justitie benadrukt in zijn arresten dat de hiervoor genoemde voorwaarden, in het bijzonder het vereiste van een onherroepelijke strafrechtelijke beslissing, moeten worden uitgelegd in het licht van het doel en de ratio van artikel 54 SUO. Het in artikel 54 SUO neergelegde ne-bis-in-idem
-beginsel heeft tot doel binnen de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, te voorkomen dat een bij onherroepelijk vonnis berechte persoon die zijn recht van vrij verkeer uitoefent, daardoor wegens dezelfde feiten wordt vervolgd op het grondgebied van meerdere overeenkomstsluitende staten, en zo de rechtszekerheid te waarborgen door de naleving van onherroepelijk geworden beslissingen van openbare instanties te verzekeren bij het ontbreken van harmonisatie of onderlinge aanpassing van het strafrecht van de lidstaten. [10] Gelet op de door artikel 54 SUO nagestreefde doelstellingen moet worden geoordeeld dat de toepassing van deze bepaling niet kan worden beperkt tot de onderdanen van een lidstaat, aangezien deze bepaling meer algemeen tot doel heeft te waarborgen dat een persoon die is veroordeeld en zijn straf heeft ondergaan of in voorkomend geval onherroepelijk is vrijgesproken in een lidstaat, zich binnen de Schengenruimte kan verplaatsen zonder te hoeven vrezen dat hij wegens dezelfde feiten wordt vervolgd in een andere lidstaat.
Het voorgaande betekent evenwel niet dat artikel 54 SUO ertoe strekt een verdachte te beschermen tegen de mogelijkheid dat hij in meerdere overeenkomstsluitende staten het voorwerp uitmaakt van opeenvolgende onderzoeken ter zake van dezelfde feiten. Artikel 54 SUO moet namelijk tevens worden uitgelegd in het licht van artikel 3, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: VEU), dat bepaalt dat de Europese Unie haar burgers een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen biedt, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is in combinatie met passende maatregelen met betrekking tot onder meer de voorkoming en bestrijding van criminaliteit. [11]
De hiervoor beschreven doelstellingen verzetten zich er volgens het Hof van Justitie tegen dat het parket van een tweede overeenkomstsluitende staat, wanneer het voornemens is vervolging in te stellen tegen een persoon die reeds is vervolgd en die na afloop van een onderzoek onherroepelijk is vrijgesproken voor dezelfde feiten in een eerste overeenkomstsluitende staat, dit onderzoek in detail controleert om eenzijdig na te gaan of het voldoende grondig was in het licht van het recht van deze eerste overeenkomstsluitende staat. Bovendien moet het parket van de tweede staat zich, wanneer het er ernstige en concrete twijfels over heeft of het onderzoek van het parket van de eerste staat voldoende grondig en gedetailleerd was in het licht van de gegevens en bewijzen waarover dit parket tijdens het onderzoek beschikte of waarover het daadwerkelijk had kunnen beschikken indien het de onderzoeksmaatregelen had genomen die gezien de omstandigheden van de zaak redelijkerwijs noodzakelijk waren, tot het parket van de eerste staat wenden met een verzoek om bijstand, met name omtrent het toepasselijke nationale recht en de gronden waarop de beslissing tot vrijspraak na dit onderzoek is vastgesteld, door bijvoorbeeld gebruik te maken van het daartoe in artikel 57 SUO vervatte samenwerkingsmechanisme. Dienaangaande herinnert het Hof van Justitie eraan dat in de betrekkingen tussen de lidstaten rekening moet worden gehouden met het in artikel 4, derde lid, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking, dat de lidstaten in het algemeen en dus ook in het kader van de toepassing van het ne-bis-in-idembeginsel, verplicht elkaar te respecteren en elkaar te steunen bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien. [12]
Artikel 54 SUO impliceert noodzakelijkerwijs dat de overeenkomstsluitende staten wederzijds vertrouwen hebben in elkaars strafrechtsstelsels en dat elke staat aanvaardt dat het strafrecht wordt toegepast dat van kracht is in de andere lidstaten, ook indien zijn eigen strafrecht tot een andere uitkomst zou leiden. [13]
2.
Het juridisch kader toegepast op de feiten en omstandigheden in deze zaak [14]
In de onderhavige zaak is aan de verdachte, kort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd dat hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2017 tot en met 16 september 2017 tezamen en in vereniging met (een) ander(en) twee ladingen van respectievelijk circa 30 kilogram en circa 20 kilogram metamfetamine heeft uitgevoerd van Nederland naar Finland. De dagvaarding in eerste aanleg is op 15 juni 2023 aan de verdachte in persoon betekend.
Tijdens een doorzoeking van de woning van de verdachte aan de [adres] op 9 november 2020 in het kader van het in Nederland ingestelde strafrechtelijke onderzoek naar verdachte in verband met vorenstaande feiten heeft de politie een van het Openbaar Ministerie Binnen-Finland afkomstig en de verdachte betreffend besluit om af te zien van vervolging aangetroffen. [15] In dit besluit d.d. 3 april 2019 is onder meer het volgende vermeld:

[verdachte] is ervan verdacht zich te hebben schuldig gemaakt aan twee ernstige drugsdelicten. In juni 2017 is een partij van ongeveer 30 kilo amfetamine naar Finland gesmokkeld en in september 2017 een partij van in totaal 19,1 kilo amfetamine. [medeverdachte 1] , die de drugs in Finland in ontvangst nam, heeft verteld dat hij de genoemde partijen amfetamine via [verdachte] in Nederland had aangeschaft en [verdachte] daarvoor grote sommen geld had betaald.
Ik zie af van vervolging voor het vermeende misdrijf, omdat er geen aannemelijke gronden zijn ter ondersteuning van de schuld van de verdachte.
[verdachte] heeft ontkend zich in de zaak te hebben schuldig gemaakt [deze tekst is weggevallen, maar het hof begrijpt: aan] een strafbaar feit. Behalve [medeverdachte 1] heeft geen van de in [deze tekst is weggevallen, maar het hof begrijpt: deze] zaak gehoorde personen verteld dat [verdachte] betrokken zou zijn geweest bij de smokkel van de partijen drugs. In de zaak is ook geen ander bewijs dat de schuld van [verdachte] ondersteunt. Omdat de verklaring van één medeverdachte, vooral in een dermate ernstige [deze tekst is weggevallen, maar het hof begrijpt: zaak], niet voldoende is als bewijs nodig voor het instellen van vervolging, [deze tekst is weggevallen, maar het hof begrijpt: zie ik] af van vervolging.
Op grond van het hiervoor genoemde besluit alsmede het van het eindproces-verbaal in de onderhavige zaak deel uitmakende Finse zaaksdossier RAP (RHV-003a-09, pagina 1427 e.v.) stelt het hof vast dat de verdachte in Finland eveneens onderwerp is geweest van een strafrechtelijk onderzoek, dat onder meer was gericht op de smokkel van twee partijen van respectievelijk circa 30 kilogram en 19,1 kilogram amfetamine van Nederland naar Finland in juni 2017 en in september 2017, dat het Finse Openbaar Ministerie heeft besloten af te zien van vervolging van de verdachte wegens – kort gezegd – gebrek aan bewijs en dat dit besluit kennelijk op enig moment ter kennisgeving aan de verdachte is verstrekt.
a. Issprake van dezelfde feiten (‘idem’)?
Op basis van de tekst van de tenlastelegging in de onderhavige zaak, de tekst van het Finse besluit om af te zien van vervolging, de inhoud van het eindproces-verbaal (dossier Onderzoek Goudkat), en het verhandelde ter terechtzitting, stelt het hof vast dat de aan de verdachte in onderhavige zaak tenlastegelegde strafbare feiten in materieel opzicht dezelfde feiten (als bedoeld in artikel 54 SUO) betreffen als de strafbare feiten ten aanzien waarvan het Openbaar Ministerie Binnen-Finland heeft besloten om af te zien van vervolging. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Allereerst volgt uit het aanvullend proces-verbaal verdenkingen d.d. 24 augustus 2021 (VD01-01a, pagina’s 135 tot en met 140) dat de omstandigheden dat:
  • “de verdachte door de Finse autoriteiten als verdachte is aangemerkt in een onderzoek naar het importeren van 2 partijen amfetamine naar Finland vanuit Nederland;
  • door een [andere] verdachte is meegedeeld dat de in Finland geïmporteerde amfetamine afkomstig is van [verdachte] uit Nederland en hij daarvoor grote geldbedragen aan [verdachte] heeft betaald;
  • [verdachte] veelvuldig contact heeft [gehad] met een medeverdachte [medeverdachte 2] uit het Finse onderzoek als ook met de partner van die verdachte nadat deze in Kroatië is aangehouden in die Finse zaak,”
bij de Nederlandse politie hebben geleid tot de verdenking dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem tenlastegelegde, te weten, kortgezegd, het tezamen en in vereniging met (een) ander(en) uitvoeren van twee ladingen van respectievelijk circa 30 kilogram en circa 20 kilogram metamfetamine van Nederland naar Finland.
Voorts volgt uit het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 juli 2022 (V01-01, pagina’s 159 tot en met 166) dat de Nederlandse politie – naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek in Finland naar de import van twee ladingen amfetamine en nadat door het Openbaar Ministerie Binnen-Finland was besloten om af te zien van vervolging van de verdachte – “de feiten en omstandigheden omtrent deze [Finse] zaak nog eens nader [is] gaan bekijken, maar nu vanuit Nederlands oogpunt, de export van amfetamine van Nederland naar Finland”.
Gelet op het voorgaande, staat naar het oordeel van het hof onomstotelijk vast dat
in casusprake is van dezelfde feiten als bedoeld in artikel 54 SUO, hetgeen overigens tijdens het onderzoek ter terechtzitting ook niet ter discussie heeft gestaan, zodat aan de tweede voorwaarde voor toepassing van voormeld artikel (‘in idem’) is voldaan.
b. Is sprake van een onherroepelijke strafrechtelijke beslissing in Finland (‘bis’)?
Uit het hiervoor genoemde besluit van het Openbaar Ministerie Binnen-Finland d.d. 3 april 2019 blijkt, kort gezegd, dat is besloten om af te zien van vervolging van de verdachte voor strafrechtelijke betrokkenheid bij de invoer van de twee ladingen amfetamine in Finland, vanwege onvoldoende bewijs. Dit betekent, in het licht van de hiervoor besproken jurisprudentie van het Hof van Justitie, dat sprake is van een beslissing, afkomstig van een autoriteit die tot taak heeft in de nationale rechtsorde deel te nemen aan de rechtsbedeling in strafzaken, namelijk het Openbaar Ministerie Binnen-Finland, waarbij de strafrechtelijke vervolging (definitief) wordt beëindigd zonder dat een straf wordt opgelegd.
Op grond van de inhoud van het dossier kan worden vastgesteld dat de beslissing door het Openbaar Ministerie Binnen-Finland om af te zien van de vervolging van de verdachte, is genomen na een beoordeling van de zaak ten gronde. Dit volgt uit de omstandigheid dat het besluit is gebaseerd op een overweging die de strekking heeft dat de feiten niet afdoende zijn bewezen. Uit de vertaalde inhoud van het Finse zaaksdossier RAP, dat deel uitmaakt van het Nederlandse eindproces-verbaal (RHV-003a-09, pagina 1427 e.v.), en de rechtshulpverzoeken van Finland aan Nederland blijkt bovendien dat de Finse autoriteiten grondig strafrechtelijk onderzoek hebben verricht naar (onder meer) de invoer van de twee partijen amfetamine van Nederland naar Finland in juni 2017 en in september 2017 en naar (onder meer) de betrokkenheid van de verdachte bij deze feiten. In het kader van dit Finse onderzoek heeft de Nederlandse politie, naar aanleiding van meerdere rechtshulpverzoeken van de Finse autoriteiten, de woning van de verdachte doorzocht en de verdachte verhoord over (zijn betrokkenheid bij) de strafbare feiten in kwestie. [16] Het Finse strafrechtelijk onderzoek heeft geleid tot de vervolging en veroordeling van een groot aantal (mede)verdachten in Finland. [17] Het hof acht in dit verband ook van belang dat het Openbaar Ministerie Binnen-Finland pas besloten heeft om af te zien van vervolging van de verdachte, nadat de Finse rechtbank in eerste aanleg vonnis had gewezen in de zaken tegen de medeverdachten in Finland.
Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat het Finse besluit om af te zien van vervolging van de verdachte kwalificeert als een onherroepelijke beslissing na een beoordeling van de zaak ten gronde, als bedoeld in artikel 54 SUO. Aan de eerste voorwaarde voor toepassing van dit artikel (‘ne bis’) is daarmee ook voldaan.
3.
Conclusie
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Aldus gewezen door:
mr. M.M. Koevoets, voorzitter,
mr. W.F. Koolen en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,
en op 19 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Overeenkomst ter uitvoering van het tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek en het Groothertogdom Luxemburg op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen,
2.Zie HvJ EU 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1057, r.o. 35.
3.Zie HvJ EU 10 maart 2005, EU:C:2005:156, r.o. 28 e.v. Zie ook HvJ EU 29 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:483, r.o. 33 e.v en HvJ EU 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1057, r.o. 27 e.v.
4.Zie o.m. HvJ EU 19 oktober 2023, ECLI:EU:C:2023:790, r.o. 29 en 30.
5.Zie o.m. HvJ EU 19 oktober 2023, ECLI:EU:C:2023:790, r.o. 44 en 52.
6.Zie o.m. HvJ EU 19 oktober 2023, ECLI:EU:C:2023:790, r.o. 53.
7.Zie HvJ EU 28 september 2006, ECLI:EU:C:2006:614. r.o. 60. Zie ook HvJ EU 19 oktober 2023, ECLI:EU:C:2023:790, r.o. 39.
8.HvJ EU 28 september 2006, ECLI:EU:C:2006:614, r.o. 40-48. Vgl. HvJ EU 14 september 2023, ECLI:EU:C:2023:663, r.o. 66 en 67.
9.HvJ EU 28 september 2006, ECLI:EU:C:2006:614, r.o. 51.
10.Zie o.m. HvJ EU 28 oktober 2022, ECLI:EU:C:2022:852, r.o. 78, en HvJ EU 29 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:483, r.o. 45.
11.Zie o.m. HvJ 29 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:483, r.o. 45-46.
12.HvJ EU 19 oktober 2023, ECLI:EU:C:2023:790, r.o. 55-57.
13.HvJ EU 19 oktober 2023, ECLI:EU:C:2023:790, r.o. 42.
14.Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de FIOD, PSF-nummer 68065, op ambtseed opgemaakt en gesloten d.d. 8 augustus 2022 door verbalisant [verbalisant] , opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 1681).
15.Zie AMB-010, pagina’s 426 en 427 van het dossier en DOC-001, p. 632 van het dossier.
16.Zie het overzichtsproces-verbaal (pagina 17 van het dossier) en het relaasproces-verbaal (pagina 58 van het dossier). Zie voor de brondocumenten het proces-verbaal van verhoor verdachte (RHV-003a-04, pagina 1056 van het dossier) en met betrekking tot de doorzoeking: RHV-003a-10 (pagina 1657 e.v. van het dossier).
17.Het (vertaalde) vonnis van de Finse rechtbank en het (vertaalde) arrest van het Finse hof die over de zaken hebben geoordeeld, maken eveneens onderdeel uit van het dossier in de onderhavige zaak.