ECLI:NL:GHSHE:2025:3690

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
20-002730-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 6 EVRMArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging taakstraf voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid van minderjarige

Op 19 juni 2021 werd verdachte betrapt op feitelijke aanranding van de eerbaarheid van een 14-jarig meisje bij een recreatieplas in Eindhoven. De politierechter veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis, en kende een immateriële schadevergoeding van €500 toe aan het slachtoffer.

In hoger beroep bevestigde het hof het vonnis, waarbij het de bewijsmiddelen en motivering verbeterde en aanvulde. Het hof achtte de verklaringen van het slachtoffer en getuigen consistent en betrouwbaar, en concludeerde dat verdachte met seksuele intentie handelde. De verdediging voerde vrijspraak en matiging van straf en schadevergoeding aan, maar deze verweren werden verworpen.

Het hof hield rekening met de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn verslavingsproblematiek en psychische stoornis. De redelijke termijn in hoger beroep werd overschreden, maar dit leidde niet tot strafvermindering. De schadevergoeding van €500 werd gehandhaafd, en verdachte werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur en een immateriële schadevergoeding van €500 aan het slachtoffer.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002730-23
Uitspraak : 22 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 28 september 2023, in de strafzaak met parketnummer 01-198207-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘feitelijke aanranding van de eerbaarheid’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toegewezen tot een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts is beslist tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, te vermeerderen met de wettelijke rente als voormeld en is de verdachte veroordeeld in de gemaakte en nog te maken proceskosten, tot aan het vonnis begroot op nihil. De politierechter heeft het overige gedeelte van de vordering afgewezen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , en die vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 600,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en een voorwaardelijk verzoek gedaan voor wat betreft het alsnog horen van een getuige. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. De verdediging heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij primair bepleit dat zij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en subsidiair bepleit dat deze dient te worden gematigd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met verbetering en aanvulling van de gronden waarop het berust.
Het hof zal – nu de meervoudige strafkamer gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerst volzin, van het Wetboek van Strafvordering – de inhoud van de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring uitwerken, aanvullen en verbeteren. Voorts behoeft ook de bewijsoverweging, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering en aanvulling. Omwille van de leesbaarheid wordt de bewijsvoering van de politierechter in haar geheel vervangen door hetgeen hierna wordt overwogen. Dit betekent dat de bewezenverklaring door de eerste rechter uitsluitend komt te berusten op de hierna volgende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen.
Voorts zal het hof, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, de strafmaatoverweging en de overweging met betrekking tot de beslissing op de vordering van de benadeelde partij verbeteren door deze geheel te vervangen door onderstaande overwegingen, met uitzondering van overweging omtrent de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
Bewijsmiddelen [1]
1.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2021 (pg. 7-8), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
(pagina 7)
Op zaterdag 19 juni 2021, omstreeks 17.00 uur, waren wij belast met onze politietaak binnen de gemeente Eindhoven.
Omstreeks 17.10 uur deze dag kregen wij de melding te gaan naar de ' [locatie] ', een recreatieplas
in de stad Eindhoven. Bij de ' [locatie] ' had zich zojuist een meisje bij de
beveiliging gemeld met het verhaal dat ze zojuist betast was en dat iemand getracht
had haar broekje uit te trekken.
Om 17.16 uur kwamen wij ter plaatse. Wij werden direct aangesproken door de
manager en getuige [getuige 2] . Wij hoorden dat hij zei dat zich twee meisjes bij hem gemeld hadden met het verhaal dat een van de meisjes bij haar billen gegrepen was en
de andere getracht was haar broekje uit te trekken.
[getuige 2] toonde ons tevens een foto van de man. Deze foto heeft [getuige 2] later
naar mij, [verbalisant 1] , gestuurd. Ik hoorde dat [getuige 2] zei: "Ik heb de
man aangesproken op zijn gedrag en ik hoorde dat hij zei dat hij inderdaad aan de
meisjes had gezeten."
[getuige 2] kwam met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en getuige [getuige 1] aangelopen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betreffen twee minderjarige meisjes van 14 jaar.
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , ging met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in gesprek, terwijl ik,
verbalisant [verbalisant 1] , met getuige [getuige 1] in gesprek ging. Ik, [verbalisant 2] , hoorde dat [slachtoffer 1] zei dat de eerder omschreven man haar billen vastgepakt had.
Vervolgens is [getuige 2] erbij gekomen die de man van het terrein gezet heeft. De man weigerde in eerste instantie te vertrekken maar toen wij onderweg waren liep hij toch weg.
2.
Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Sv, te weten een foto, gevoegd – zo begrijpt het hof – als bijlage bij het hiervoor onder 1 vermelde proces-verbaal van bevindingen (pg. 9).
3.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 1 juli 2021 (p. 13-19), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer 1](waarbij het hof opmerkt dat de
gecursiveerdetekst betreft vragen dan wel opmerkingen van de verhorend verbalisant alsmede een opmerking van het hof)
:
(pagina 13)
Omschrijving aangifte
Feit: Aanranding
Plaats delict: [adres 2]
Pleegdatum/tijd: Tussen 19 juni 2021 om 16:00 uur en 19 juni 2021 om 17:05 uur
Waarvan doe je aangifte?
- Betasting, dat hij mij heeft aangeraakt zonder toestemming van mij.
(pagina 14)
Tegen wie doe je aangifte?
- Tegen die man.
Wat is er precies gebeurd?
- Wij waren gaan zwemmen. Toen liepen wij vanuit het water naar de trap bij de steiger om uit het water te gaan. Daar was een man die aan mijn kont zat. Daarna trok bij [slachtoffer 2] (
het hof begrijpt: [slachtoffer 2] )haar broekje omlaag, trok haar van de trap en duwde haar onder water. Er was een mevrouw die zei toen dat dat wat hij deed, niet hoorde. Tegen die vrouw hadden wij verteld dat die man ons aanraakte.
Ik liep toen naar de baas van het zwembad (het hof begrijpt: getuige [getuige 2] ) die naar die man toe liep. Toen zei die man dat hij dat had gedaan.
Toen de baas van het zwembad vroeg of de man weg wilde gaan, ging hij mee. Hij had een grote mond tegen de baas van het zwembad maar hij ging wel weg.
Waar is dat gebeurd?
- [locatie] in Eindhoven.
Wanneer is dit gebeurd?
- Het was op zaterdag 19 juni.
Wat was de volgorde waarin jullie uit het water gingen?
- Wij waren allebei in het water. [slachtoffer 2] ging als eerste uit het water, toen pakte hij mij bij mijn kont. Daarna trok hij de broek van [slachtoffer 2] omlaag toen zij op de trap was en trok haar het water in. Daarna ging de man zelf de trap op.
Je zegt die man kneep in mijn kont. Wat deed de man precies?
- Hij kneep in mijn kont. Ik weet niet meer precies welke bil. Hij kneep met zijn hand en trok toen weg.
(pagina 15)
[slachtoffer 2] zei tegen mij dat hij haar broekje omlaag trok. Ik zei toen dat de man in mijn kont had geknepen. Toen hebben wij afstand genomen.
Heb je gezien dat de man het broekje bij [slachtoffer 2] omlaag trok?
Ja. ik zag haar kont. Ze kon haar broekje aan de voorkant nog vasthouden.
Wat deed het met je?
- Niet fijn. Ik wilde meteen naar huis. Ik vond het niet fijn om daar te zijn als die man daar ook was en wilde gewoon graag naar huis.
4.
Het proces-verbaal van getuigenverhoor door de raadsheer-commissaris d.d. 12 februari 2025 (los opgenomen), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2](waarbij het hof opmerkt dat de
gecursiveerdetekst betreft vragen en opmerkingen van de raadsheer-commissaris))
:
Het gaat om een incident dat op 19 juni 2021 heeft plaatsgevonden bij de [locatie] in Eindhoven. Kunt u zich hier nog iets van herinneren?
Ja. Ik kan mij herinneren dat er een hele hoop heisa was met betrekking tot wat er gebeurd was, dat er zich meisjes gemeld hadden.
De desbetreffende jongen zou ik nog wel herkennen, want ik heb toen een foto van hem gemaakt.
U zegt: er hadden zich meisjes gemeld?
Er hebben zich meisjes bij mij gemeld dat ze zijn lastiggevallen/onzedelijk betast door een man.
U zei dat u een foto had gemaakt van de persoon om wie het ging.
Ja. We hebben hem verzocht te vertrekken. Daar hebben we nogal moeite mee gehad. Toen dat allemaal gebeurde ging hij, dat kan ik mij herinneren, ging hij raar en agressief doen. Toen heb ik snel een foto van hem gemaakt.
Er meldden zich meisjes bij u. Hoe was de gemoedstoestand van die meisjes?
Ik weet dat ze in paniek waren, maar hoe en wat precies dat weet ik niet meer.
U zei dat u hem heeft aangesproken. Wat heeft u tegen hem gezegd?
Ik weet dat ik gezegd heb dat hij ervan werd verdacht dat hij meisjes had lastiggevallen.
De raadsheer-commissaris toont vervolgens op het beeldscherm de kleurenfoto op pagina 9 van het politiedossier aan de getuige en vraagt: Zegt u dat iets?
Dat is 100% hem, want die foto heb ik gemaakt. Dat is de foto die ik heb gemaakt. Ik weet zeker dat hij dat is.
Wat u zei tegen de politie is dat de waarheid?
Ja. Ik heb ook nergens reden toe om tegen de politie te liegen in zo’n zaak natuurlijk.
5.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 11 december 2024, voor zover inhoudende:
Ik ben bij de [locatie] in Eindhoven geweest op 19 juni 2023.
U houdt mij het proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 2023 (dossierpagina’s 7-8) voor en toont mij de daarbij als bijlage gevoegde foto (dossierpagina 9).
Ik kan mij niet herinneren dat ik toestemming heb gegeven dat deze foto mocht worden genomen. Ik ben wel degene die op de foto staat.
Hij (
het hof begrijpt: getuige [getuige 2]) kwam naar ons toe om ons te spreken en toen zijn we op zijn verzoek weggegaan.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Primair is daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangeefster onvoldoende consistent is om te spreken van een betrouwbare verklaring.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Aangeefster [slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van aanranding. Daaraan voorafgaande heeft [slachtoffer 1] met meerdere personen gesproken over hetgeen haar (en haar vriendin) zojuist zou zijn overkomen. Zo sprak zij direct na het gebeurde met getuige [getuige 1] die ter plaatse was en meldde zij het gebeurde kort daarna bij getuige [getuige 2] . Nadien heeft [slachtoffer 1] in 2024 nog verklaard als getuige ten overstaan van de raadsheer-commissaris. Het hof stelt vast dat aangeefster [slachtoffer 1] in de kern zowel in haar aangifte als tegen omstanders als ten overstaan van de raadsheer-commissaris, telkens heeft verklaard dat de verdachte in enige vorm haar billen heeft aangeraakt. Dat vindt ook bevestiging in de verklaringen van de gehoorde getuigen, laatstelijk in die van [getuige 2] , die ruim drie jaren later hierover verklaarde dat bij [locatie] zich een meisje bij de beveiliging had gemeld met het verhaal dat ze zojuist was betast was. Naar het oordeel van het hof is voldoende aannemelijk dat aangeefster met woorden als ‘knijpen’, ‘vastpakken’ en ‘aan haar kont zitten’ telkens doelde op dezelfde handeling door de verdachte jegens haar en daarmee consistent over de bewezenverklaarde handeling heeft verklaard. Dat zij tijdens het verhoor bij de raadsheer-commissaris, meer dan drie jaar na het incident, in eerste instantie de volgorde van bepaalde gebeurtenissen bij de [locatie] op 19 juni 2021 heeft omgedraaid, doet naar het oordeel van het hof niets af aan de betrouwbaarheid van haar verklaring. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat aangeefster bij de raadsheer-commissaris is gebleven bij het essentiële onderdeel van haar eerdere verklaring afgelegd bij de politie dat de verdachte haar terwijl zij in het water was, in haar billen heeft geknepen. Het hof acht de verklaring van aangeefster op grond van het voorgaande voldoende consistent en betrouwbaar om voor het bewijs te gebruiken.
De verdediging heeft subsidiair bepleit dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] geen bevestiging vindt in een andere bron en mitsdien sprake is van unus testis. Dit verweer passeert het hof, nu dit weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen.
Meer subsidiair heeft de verdediging bepleit dat bij de verdachte een seksuele intentie ontbrak. Volgens getuige [getuige 1] zou de verdachte verschillende jongens en meisjes bij hun middel hebben gepakt en in het water hebben geduwd. Als dat al zo was, acht de raadsman voorstelbaar dat de verdachte dit of zoiets ook bij aangeefster heeft gedaan of heeft proberen te doen. Hoewel niet prettig, maar zonder seksuele intentie. Volgens de verdediging zou aangeefster zelfs hebben verklaard dat het zo snel ging dat ze het in eerste instantie niet in de gaten had. Reden waarom de verdachte mogelijk een bil of beide billen (per ongeluk) kort heeft aangeraakt, terwijl dit kortstondige -mogelijke abusievelijke- aanraken niet de conclusie rechtvaardigt dat die gedraging plaatsvond met een seksuele intentie. Het hof gaat aan dit verweer voorbij, nu uit de aangifte niet volgt dat op het moment van het gebeurde de verdachte bezig was met meisjes bij hun middel pakken en in het water duwen. Integendeel, aangeefster heeft verklaard dat zij zich in het water bevond toen zij nota bene onder water in haar billen werd geknepen. De verdachte had naar het oordeel van het hof wel degelijk een seksuele intentie met zijn handelen, mede gelet op het gedrag dat hij bij de vriendin van aangeefster liet zien: bij haar trok hij het broekje omlaag. Hoewel de verdachte voor dat laatste niet is vervolgd, draagt dit gedrag wel bij aan het oordeel omtrent zijn intentie dat hij als toentertijd volwassen man van 31 jaar aan 14-jarige meisjes zat. Het hof neemt daarbij nog in aanmerking dat billen vanuit seksueel oogpunt niet als een neutraal lichaamsdeel kunnen worden beschouwd. Het knijpen in iemands billen wordt in de maatschappij gezien als een handeling van seksuele aard die in strijd is met de sociaal-ethische norm.
De verdediging heeft ook bepleit dat de verklaring van getuige [getuige 2] zoals opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , te weten "Ik heb de man aangesproken op zijn gedrag en ik hoorde dat hij zei dat hij inderdaad aan de meisjes had gezeten", niet als bewijs kan worden gebruikt omdat [getuige 2] dit in zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris niet heeft bevestigd. Het hof verwerpt dit verweer omdat verbalisant [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat hij heeft gehoord dat [getuige 2] dit heeft gezegd en dit heeft opgenomen in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Het hof ziet in hetgeen is aangevoerd overigens geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de inhoud van dit proces-verbaal, nu deze ook bevestiging vindt in de aangifte van [slachtoffer 1] , die neerkomt op het volgende.
Toen [slachtoffer 1] naar de baas van het zwembad liep, die naar de man toeliep, toen zei die man dat hij dat had gedaan. Toen die baas zei dat daarvoor de politie moest komen, zei de man dat hij het niet meer had gedaan.In haar aangifte heeft aldus ook [slachtoffer 1] bevestigd dat zij de verdachte tegenover [getuige 2] heeft horen erkennen dat hij aan haar had gezeten om dit vervolgens te ontkennen, toen de politie erbij zou worden geroepen. Aan de conclusie dat het hierbij ging om de verdachte, draagt bij de foto waarop de verdachte zichzelf heeft herkend, en die tot het bewijs is gebezigd als zijnde de foto die door [getuige 2] van de man in kwestie, naar later bleek de verdachte, was gemaakt. Voor zover de verdediging nog heeft aangevoerd dat voormeld citaat van [getuige 2] onvoldoende duidelijk is omdat de verdachte daarmee ook heeft kunnen bedoelen dat hij de meisjes in het water had gegooid, gaat niet op. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen bestaat er naar het oordeel van het hof geen twijfel dat het om de aanraking van de billen ging, nu [getuige 2] daarvoor verklaarde dat twee meisjes zich bij hem hadden gemeld met het verhaal dat één van de meisjes bij haar billen gegrepen was en bij de ander getracht was haar broekje uit te trekken. Hieruit blijkt dat het gedrag waarover [getuige 2] de verdachte aansprak niet zag op het in het water gooien van de meisjes, hetgeen ook wordt bevestigd door de hiervoor aangehaalde passage uit de aangifte van [slachtoffer 1] . Dat de reactie van de verdachte hierop wel zag acht het hof tegen deze achtergrond niet aannemelijk.
Op grond van al het hiervoor overwogene verwerpt het hof het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Voorwaardelijk verzoek
Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bij wijze van voorwaardelijk verzoek, indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen en de verklaring van getuige [slachtoffer 2] tot het bewijs zou bezigen, verzocht om deze [slachtoffer 2] als getuige te (doen) laten horen.
Nu het hof de verklaring van [slachtoffer 2] niet voor het bewijs gebruikt, behoeft het voorwaardelijk verzoek geen verdere bespreking.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft het hof verzocht om de door de politierechter opgelegde straf te matigen.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid. De verdachte heeft de destijds 14-jarige [slachtoffer 1] onverhoeds in haar billen geknepen. Dit is een bijzonder kwalijk feit, waarmee de verdachte als volwassene inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van het toen minderjarige slachtoffer [slachtoffer 1] . Slachtoffers van dergelijke delicten kunnen daar nog lange tijd nadelige psychische gevolgen van ondervinden en hun eigen seksuele ontwikkeling kan hierdoor verstoord raken. Maar dat niet alleen, verwerpelijke gedragingen als deze tasten ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aan. De verdachte heeft kennelijk zijn eigen (lust)gevoelens voorop gesteld en zich onvoldoende rekenschap gegeven van de gevolgen voor het slachtoffer [slachtoffer 1] . Dat zij hiervan gevolgen heeft ondervonden wordt bevestigd in hetgeen namens haar ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht. Niet meer naar de zwemplas durven gaan, nachtmerries, niet goed alleen zijn in het donker en angstig voor mannen die op de verdachte leken. Zelfs in het dichtbij haar laten komen van jongens, naarmate zij ouder werd, ervoer zij problemen. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 oktober 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ten aanzien van soortgelijke feiten.
Het hof heeft tevens acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft in dat kader (onder meer) naar voren gebracht dat hij in een afkickkliniek heeft gezeten in verband met een alcoholverslaving, dat hij een terugval heeft gehad en opnieuw opgenomen wil worden in een kliniek om echt van zijn verslaving af te komen en dat hij behandeld wil worden voor een door de oorlog in Angola ontstane Post Traumatische Stressstoornis. De oplegging van een taakstraf zal de plannen van de verdachte om zijn problemen aan te pakken niet doorkruisen.
Alles afwegende acht het hof met de politierechter een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, passend en geboden.
Redelijke termijn
In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. De verdachte heeft immers op 5 oktober 2023 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 22 december 2025 – en derhalve niet binnen de redelijke termijn die daarvoor geldt van twee jaren na het instellen van hoger beroep – arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor met ruim 2 maanden overschreden. Deze overschrijding valt niet geheel aan de verdachte toe te rekenen. Er is dan ook sprake van een schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij de schending van de redelijke termijn geen vermindering van de straf behoeft te volgen indien het onvoorwaardelijke gedeelte van de straf bestaat uit een taakstraf van minder dan honderd uren. Gelet op de hoogte van de onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren, zal het hof derhalve volstaan met de constatering van de schending van de redelijke termijn in hoger beroep.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen, te weten voor een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep de oorspronkelijke vordering in volle omvang gehandhaafd, zodat deze in hoger beroep opnieuw ter beoordeling aan het hof voorligt.
De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering dient te worden gematigd.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 500,00. Hiervoor verwijst het hof ook naar hetgeen hiervoor is weergegeven onder de strafmaatoverweging en hetgeen overigens zijdens de benadeelde partij in dat verband naar voren is gebracht.
Ingevolge het bepaalde in artikel 6:106 aanhef Pro en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”.
Het hof stelt voorop dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef Pro en onder b BW slechts sprake is als het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt. Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106 aanhef Pro en onder b BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Hoewel zijdens de benadeelde partij niet met medische stukken is onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel, is het hof, gelet op de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de destijds 14-jarige benadeelde partij zoals ter terechtzitting in hoger beroep is toegelicht, van oordeel dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze die haar aanspraak geeft op immateriële schadevergoeding, zoals bedoeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Het hof acht het billijk deze immateriële schade te begroten op een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum overeenkomstig de beslissing van de politierechter. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het hof verenigt zich ook overigens met de beslissing van de politierechter voor wat betreft de afwijzing van het overige deel van de vordering.
Proceskosten
Het hof is van oordeel dat de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens dient te worden veroordeeld in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. A.C. van Campen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier,
en op 22 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Hierna wordt – tenzij anders vermeld – telkens verwezen naar dossierpagina’s van het dossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, registratienummer PL2100-2021136154, sluitingsdatum 29 juli 2022, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 50. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.