ECLI:NL:GHSHE:2025:3729

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
20-000981-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38v SrArt. 38w SrArt. 57 SrArt. 285 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep bedreiging en belaging met veroordeling tot gevangenisstraf en contactverbod

In hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Limburg vernietigd en de verdachte veroordeeld voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en belaging jegens drie benadeelden, waaronder twee politieagenten en een advocaat.

De verdachte werd onder meer verweten herhaaldelijk bedreigende e-mails te hebben gestuurd en berichten te hebben geplaatst op sociale media, waarmee hij ernstige inbreuk maakte op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Het hof achtte het bewezen dat de verdachte deze gedragingen heeft gepleegd en verwierp zijn verweren, waaronder ontkenning van afzenderschap en beroep op vrijheid van meningsuiting.

Het hof verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk voor vier feiten vanwege onduidelijkheid over het Europees aanhoudingsbevel. De straf werd vastgesteld op 6 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, waarna de voorlopige hechtenis werd opgeheven. Tevens werd een contactverbod van 5 jaar opgelegd met vervangende hechtenis bij overtreding. Schadevergoedingen aan de benadeelden werden toegewezen en de teruggave van twee in beslag genomen telefoons gelast.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en een contactverbod van 5 jaar opgelegd.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000981-23
Uitspraak : 19 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 april 2023, parketnummer 03-107255-22 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 01-318122-20, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1989,
thans gedetineerd in de [detentieadres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:
  • ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, en zware mishandeling, meermalen gepleegd’ (feiten 1, 3, 4, 6 en 7);
  • ‘belaging’ (feiten 2 en 5);
  • ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling, meermalen gepleegd’ (feit 8), en
  • ‘smaadschrift, meermalen gepleegd’ (feit 9)
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast en bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. Tevens is aan de verdachte de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.
De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zijn integraal toegewezen, in beide gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke laatste dag van de pleegperiode en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, te vermeerderen met de wettelijke rente als voormeld. In beide gevallen is de verdachte veroordeeld in de gemaakte en nog te maken proceskosten, tot aan de datum van het vonnis bepaald op nihil.
De vordering tot tenuitvoerlegging van de straf opgelegd onder parketnummer 01-3181122-20 is afgewezen. Tot slot is de inbeslaggenomen zwarte Samsung telefoon verbeurdverklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep kennisgenomen van hetgeen door en namens de verdachte als preliminair verweer naar voren is gebracht en het daarover ingenomen standpunt van de advocaat-generaal.
Nadat door en namens de verdachte preliminair verweer was gevoerd, zo begrijpt het hof, strekkende tot nietigheid van de dagvaarding en niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging van de verdachte, achtte het hof ter terechtzitting van 5 juli 2025 schorsing van het onderzoek ter terechtzitting voor bepaalde tijd noodzakelijk. Het hof stelde het Openbaar Ministerie in de gelegenheid de beslissing op reeds verzochte aanvullende toestemming aan de Franse rechter in het kader van een aanvullend Europees aanhoudingsbevel af te wachten, teneinde duidelijkheid te verkrijgen omtrent de feiten waarvoor de verdachte was overgeleverd en waarvoor hij mocht worden vervolgd en berecht.
De advocaat-generaal heeft zich van meet af aan op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is en het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging ter zake van al het tenlastegelegde en heeft gevorderd dat het hof de preliminaire verweren zal verwerpen.
Nadat het hof het onderzoek ter terechtzitting van 5 december 2025 heeft hervat, het nietigheidsverweer ten aanzien van de dagvaarding heeft verworpen, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard in de strafvervolging van de verdachte ter zake van de feiten 6, 7, 8 en 9 en voor het overige het niet-ontvankelijkheidsverweer heeft verworpen, heeft het hof kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte overigens naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal, gehoord de beslissing van het hof op het preliminair verweer, heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende zo begrijpt het hof, de dagvaarding geldig acht, het Openbaar Ministerie ontvankelijk zal achten in de strafvervolging ter zake van de resterende feiten, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd onder de feiten 1 tot en met 5 en de verdachte ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest, alsmede de terbeschikkingstelling van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege van de verdachte zal gelasten en hem een maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vorderingen van benadeelde partijen integraal worden toegewezen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank en dat het beslag wordt verbeurdverklaard.
Door en namens de verdachte zijn primair alle preliminaire verweren gehandhaafd die zouden moeten leiden tot de nietigheid van de dagvaarding, alsmede de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte. Subsidiair is integrale vrijspraak bepleit. Meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Tot slot is verzocht om teruggave van de inbeslaggenomen telefoons, te weten een zwarte Samsung telefoon (goednummer 1504994), maar ook een goudkleurige Huawei telefoon (goednummer 1451254), waarover de rechtbank nog niet had beslist.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Geldigheid van de inleidende dagvaarding en ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Preliminaire verweren
Ter terechtzitting van 4 juli 2025 heeft de verdachte zo begrijpt het hof en zoals hiervoor vermeld, preliminaire verweren gevoerd, strekkende tot nietigheid van de dagvaarding en/of tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte. Door en namens de verdachte is ter terechtzitting van 5 december 2025 bij deze preliminaire verweren gepersisteerd en bij pleidooi is uitdrukkelijk verzocht deze als herhaald te beschouwen.
Geldigheid van de dagvaarding
Het hof begrijpt dat de verdachte onverkort heeft bepleit dat sprake is van een nietige dagvaarding. De verdachte stelt zich in dat verband op het standpunt dat de rechtbank in het vonnis de beslissingen op de formele voorvragen niet heeft opgenomen en dat dit overeenkomstig het bepaalde in artikel 358, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering op straffe van nietigheid wel had moeten gebeuren. Nog daargelaten dat dit verweer inhoudelijk strekt tot nietigheid van het vonnis en niet van de dagvaarding en dit niet opgaat gelet op het bepaalde in het betreffende eerste artikellid, behoeft dit verweer geen verdere bespreking. Het hof zal het vonnis reeds vernietigen nu het komt tot een andere beslissing die noopt tot die vernietiging. Overige onderbouwde standpunten zijdens de verdachte die de geldigheid van de dagvaarding raken en nadere bespreking behoeven, heeft het hof niet aangetroffen. Hetgeen de verdachte heeft aangevoerd, vergt een inhoudelijk oordeel dat niet het door hem beoogde rechtsgevolg kent. Net als ter terechtzitting van 5 december 2025 wordt dit verweer ook daarom thans verworpen.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging
Het Openbaar Ministerie dient volgens de verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vervolging. Het hof begrijpt dat dit verweer van de verdachte in beginsel ziet op alle negen hem tenlastegelegde feiten. Het hof heeft reeds ter terechtzitting van 5 december 2025 overwogen waarom het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de strafvervolging van de verdachte ter zake van de feiten 6, 7, 8 en 9. Bij de bespreking hierna van de verweren zal het hof die beslissing en de overwegingen die daartoe hebben geleid, herhalen.
De verdachte heeft – kort gezegd – bepleit dat de reikwijdte van het door de Nederlandse rechter-commissaris uitgevaardigde Europees arrestatiebevel – het hof begrijpt Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) – waarop zijn aanhouding in Frankrijk volgde, evenals het Franse bevel tot overlevering van de verdachte vanuit Frankrijk aan Nederland, louter ziet op de strafvervolging of tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel ter zake van de tenlastegelegde feiten 1 tot en met 5. Voorts heeft de verdachte erop gewezen dat hij expliciet geen afstand heeft gedaan van het specialiteitsbeginsel. Dit houdt volgens de verdachte in dat het Openbaar Ministerie op basis van dat EAB in ieder geval niet over had mogen gaan tot vervolging van de verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten 6 tot en met 9. Voor wat betreft de tenlastegelegde feiten 1 tot en met 5, zo begrijpt het hof, stelt de verdachte zich op het standpunt dat in het EAB de vijf strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht en waar het EAB betrekking op heeft, niet afzonderlijk van elkaar, dusdanig algemeen en onvolledig zijn omschreven, dat onvoldoende blijkt op welke vijf strafbare feiten het EAB betrekking heeft. De verdachte heeft hierbij verwezen naar het Kaderbesluit van de Raad (van de Europese Unie) van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (2002/584/JBZ) (hierna: het kaderbesluit) en de Overleveringswet (Stb. 2004, 195).
Het hof heeft, nadat de Nederlandse rechter-commissaris op 5 juni 2025 een aanvullend EAB had uitgevaardigd met een verzoek om toestemming de verdachte ook voor de feiten 6, 7, 8 en 9, begaan voorafgaande aan de overlevering van de verdachte, te kunnen vervolgen en berechten, het onderzoek ter terechtzitting van 4 juli 2025 geschorst voor bepaalde tijd tot 5 december 2025. Het hof achtte het noodzakelijk en in het belang van de verdachte dat duidelijkheid zou worden verkregen over de reikwijdte van het hem betreffende EAB en daarmee duidelijkheid voor welke feiten de verdachte zich strafrechtelijk zou moeten verantwoorden. Ter terechtzitting van 5 december 2025 heeft het hof beslist dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van de hem tenlastegelegde feiten 6 tot en met 9. In zoverre is het preliminair verweer gegrond verklaard. Daartoe overwoog en herhaalt het hof thans als volgt.
Op 5 december 2025 was nog steeds geen duidelijkheid verkregen over de reikwijdte van het EAB, daar nog niet was beslist op het aanvullend EAB. Dit aanvullend EAB met voormeld verzoek zou aanvankelijk in oktober 2025 worden behandeld, maar volgens de laatste informatie is die zitting niet doorgegaan en zou dit verzoek later, te weten pas op een zitting van 5 december 2025, in Frankrijk worden behandeld. Dit betrof dezelfde dag als die waarop het onderzoek ter terechtzitting in de onderhavige strafzaak zou worden hervat, terwijl de verdachte in de week voorafgaand aan de zitting in Frankrijk desgevraagd ook te kennen heeft gegeven gebruik te willen maken van rechtsbijstand ten aanzien van de overlevering op grond van het aanvullende EAB. Daarbij heeft de verdachte ook te kennen gegeven graag op de hoorzitting in Frankrijk gehoord te willen worden op het aanvullende EAB. Nu onbekend is gebleven wanneer er uitsluitsel volgt over de reikwijdte van het EAB dan wel of de Franse autoriteiten aanvullende toestemming verlenen voor de strafvervolging en berechting overeenkomstig het aanvullende EAB, terwijl het oorspronkelijke EAB naar ’s hofs oordeel duidelijk vermeldt dat de overlevering in ieder geval ziet op de eerste 5 aan de verdachte tenlastegelegde feiten, heeft het hof het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte ten aanzien van deze feiten ontvankelijk verklaard en het Openbaar Ministerie ten aanzien van de feiten 6 tot en met 9 niet-ontvankelijk verklaard.
Gelet op al het vorenstaande behoeft het verweer van de verdachte dat hij geen afstand van het specialiteitsbeginsel heeft gedaan geen nadere bespreking.
Voor wat betreft de ontvankelijkverklaring in de strafvervolging ter zake van de feiten 1 tot en met 5 overweegt het hof nog als volgt. Een EAB dient ingevolge artikel 8 van Pro het kaderbesluit te zijn voorzien van de identificerende gegevens van de verdachte, de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit, alsmede de beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd. Het hof stelt vast dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit van Frankrijk de informatie in het uitgevaardigde EAB voldoende heeft geacht om de verdachte over te leveren ten aanzien van de in het EAB omschreven vijf feiten. Gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning van de lidstaten van de Europese Unie werkt deze beslissing rechtstreeks door in de nationale rechtsorde als zijnde een eigen gegeven nationale beslissing. Met de beslissing van de Franse autoriteiten ten aanzien van de overgebleven vijf feiten kan het hof dan ook geen inhoudelijke beslissing meer geven over de volledigheid van de in het EAB opgenomen gegevens. Het hof acht evenwel evident dat het EAB ziet op de onderhavige eerste vijf feiten die zijn tenlastegelegd.
Overige ontvankelijkheidsverweren
De verdachte heeft ten slotte ook op basis van overige verweren, zo begrijpt het hof, (primair) de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging bepleit. Hiertoe heeft de verdachte, zoals het hof begrijpt, gesteld dat er sprake is van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek waardoor is gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij de verdachte ernstig is geschonden in zijn recht op een eerlijk proces ex artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Ook heeft de verdachte, zo het hof begrijpt, gesteld dat er sprake is van strijd met het ne bis in idem beginsel. Het hof zal hierna in willekeurige volgorde verdachtes verweren bespreken.
Ne bis in idem
Voor zover de verdachte heeft gesteld dat hij thans dubbel wordt vervolgd omdat hij al hechtenis heeft ondergaan als gevolg van overtreding van een aan hem direct uitvoerbaar opgelegd contactverbod, gaat dit verweer niet op. Het hof overweegt dat de hechtenis die ten uitvoer wordt gelegd wegens de overtreding van een contactverbod, een beslissing van de rechter-commissaris betreft op vordering van het Openbaar Ministerie vanwege het niet naleven van een opgelegde maatregel. Dit is gelet op vaste jurisprudentie geen materiële einduitspraak in de zin van de artikelen 350-352 van het Wetboek van Strafvordering en levert geen onherroepelijke beslissing van de strafrechter op als bedoeld in artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Voor zover de verdachte stelt dat hij thans dubbel wordt vervolgd omdat hij bij vonnis van 16 april 2021 reeds is veroordeeld voor het drie dagen voordien betreffende e-mailbericht van 13 april 2021, kan het hof hem niet volgen. Uit het vonnis blijkt niet dat de verdachte eerder vervolgd is voor een of meer dezelfde berichten zoals deze nu zijn tenlastegelegd. Hierbij wijst het hof in het bijzonder op de in het vonnis vermelde bewezenverklaarde periodes die dateren van 10 juni 2020 tot en met 25 juli 2020, 6 januari 2020 tot en met 28 januari 2020 en 23 augustus 2019 tot en met 17 december 2019.
Voor zover de verdachte heeft gesteld dat hij dubbel wordt vervolgd omdat dezelfde berichten zijn tenlastegelegd onder zowel de belagingsvariant als de bedreigingsvariant, overweegt het hof als volgt. In casu gaat het erom dat de berichten die zijn tenlastegelegd als bedreiging ook zijn opgenomen in de tenlastelegging om de belaging aan te tonen. Dat zijn verschillende strafbare feiten, zodat er bij enige overlap hoogstens, bij bewezenverklaring van die feiten, sprake zou kunnen zijn van een kwalificatie vraagstuk zoals de al dan niet toepasselijkheid van enige samenloopbepaling, hetgeen vervolging van de afzonderlijke strafbare feiten (echter) niet in de weg staat.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat er geen sprake is van een schending van het ne bis in idem beginsel en worden verdachtes verweren verworpen.
Vormverzuimen
De verdachte heeft gesteld dat er sprake is van een onbetrouwbaar politiedossier, omdat er belangrijke stukken zouden ontbreken. Voorts dat het onderzoek onvolledig is geweest, omdat zijn zwarte Samsung telefoon niet is onderzocht, terwijl deze mogelijk zijn onschuld had kunnen aantonen. Het hof overweegt als volgt.
Tijdens het opsporingsonderzoek draagt het Openbaar Ministerie zorg voor een, naar de stand van het onderzoek, zo volledig mogelijk procesdossier dat met en door de politie wordt samengesteld. Bij het opbouwen van het dossier voegt de politie onder leiding van het Openbaar Ministerie stukken toe die van belang worden geacht voor het onderzoek of wordt toevoeging van stukken achterwege gelaten voor zover die niet van belang worden geacht. Dat sprake is van een vormverzuim nu de verdachte en zijn raadsman niet tijdig hebben kunnen beschikken over de stukken in het dossier, kan het hof niet volgen. Indien hier al sprake van zou zijn geweest, is dit reeds hersteld nu de verdachte ter onderbouwing van zijn verweer steeds verwezen heeft naar stukken uit het dossier die hij als bijlagen bij zijn schriftelijk verweer heeft gevoegd. Het hof ziet niet in welke stukken nu nog zouden ontbreken waardoor er sprake zou kunnen zijn van een onherstelbaar verzuim.
Voor wat betreft het volgens de verdachte niet verrichte onderzoek aan verdachtes telefoon, terwijl de uitkomsten daarvan hem mogelijk konden ontlasten, stelt het hof vast dat niet is gesteld of gebleken dat door of namens de verdachte is verzocht aan de politie en/of het Openbaar Ministerie en/of de rechtbank en/of het hof om zijn telefoon te (laten/doen) onderzoeken. Wat van (de uitkomst van) een dergelijk onderzoek ook zij, er is geen rechtsregel die de politie ertoe verplicht een dergelijk onderzoek te verrichten. Naar het oordeel van het hof is het voorliggende politiedossier compleet en betrouwbaar. Van enige schending in zijn recht op een eerlijk proces is in dit verband niet gebleken. De verweren van de verdachte worden verworpen.
Daarnaast heeft de verdachte zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie meer berichten en/of gedragingen heeft tenlastegelegd dan die waarop de aangiften zien. Dit verweer gaat niet op en wordt verworpen. Het Openbaar Ministerie mag ook ambtshalve een verdachte vervolgen voor strafbare feiten die (gedurende het onderzoek) aan het licht komen, dus zonder dat (van elk bericht en/of gedraging afzonderlijk) aangifte is gedaan. Ook voor zover het een klachtdelict betreft en zeker die met een voortdurend karakter als de onderhavige, behoeft niet elk (nieuw) bericht en/of (nieuwe) gedraging te worden vergezeld van een klacht en/of aangifte teneinde de verdachte te mogen vervolgen.
Gezien de grondslag van de tenlastelegging behoeven de overige door de verdachte gevoerde ontvankelijkheidsverweren – wat daar ook van zij – geen nadere bespreking. Daaronder vallen ook de door de verdachte geuite klachten die zien op het optreden en veronderstelde gedragingen jegens hem van de politie.
Gelet op al het bovenstaande is het hof van oordeel dat niet is gebleken van de door de verdachte gestelde onherstelbare vormverzuimen, noch dat anderszins jegens hem is gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij de verdachte op enigerlei wijze zou zijn geschonden in zijn recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM.
Klachtvereiste
Aanvullend heeft de raadsman bepleit dat het Openbaar Ministerie partieel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ten aanzien van feit 2 en geheel dan wel partieel ten aanzien van feit 5 wegens het niet voldoen aan het klachtvereiste ten aanzien van de belagingen als tenlastegelegd onder die feiten 2 en 5. Met betrekking tot feit 2 heeft de verdediging naar voren gebracht dat er door [benadeelde 1] weliswaar aangifte en klacht is gedaan op 4 november 2021 en 15 februari 2022, maar dat er geen klacht is gedaan die ziet op de periode na 15 februari waaruit zou volgen dat deze [benadeelde 1] tevens vervolging wenst ten aanzien van de periode vanaf 15 februari 2022. Met betrekking tot feit 5 heeft de verdediging gesteld dat er wel een klacht is opgenomen in het dossier, maar dat deze is gegenereerd naar aanleiding van de ontvangen aangifte van [benadeelde 3] . De klacht zelf is niet door [benadeelde 3] opgesteld dan wel ondertekend en kan aldus niet als rechtsgeldige klacht worden beschouwd. Indien het hof hieraan voorbij gaat en de aangiftes voldoende acht om ervan uit te gaan dat de klachtgerechtigde vervolging wenste, is de verdediging van mening dat er geen klacht of wens tot vervolgen is aangaande de belaging over de periode vanaf 16 augustus 2021 tot en met 3 februari 2022.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Met de verdediging stelt het hof vast dat de aangiftes/klachten van [benadeelde 1] d.d. 4 november 2021 en 15 februari 2022 zien op een (totaal) pleegperiode van 13 april 2021 tot en met 15 februari 2022. In het dossier bevindt zich geen opvolgende aangifte/klacht die ziet op berichten die na 15 februari 2022 zouden zijn verzonden. De aangiften/klachten van [benadeelde 3] d.d. 18 augustus 2021 en (bij brief van) 13 augustus 2021 zien op een (totaal) pleegperiode van 25 mei 2021 tot en met 13 augustus 2021. Daarnaast heeft [benadeelde 3] op 5 januari 2022 aangifte gedaan van bedreiging waarbij hij uitdrukkelijk de officier van justitie heeft verzocht de vervolging van de verdachte in te stellen. In deze aangifte wordt wederom gesproken over de door [benadeelde 3] ontvangen berichten. Ondanks dat de zich in het dossier bevindende als zodanig opgemaakte klacht niet door [benadeelde 3] zelf is ondertekend, volgt uit zijn aangiften duidelijk dat hij klacht deed tegen de verdachte en de vervolging van de verdachte wenste. Gelet hierop is het hof van oordeel dat een formeel beletsel als het ontbreken van [benadeelde 3] handtekening niet eraan afdoet dat zijn wens de verdachte te vervolgen onverkort bestond en kenbaar was.
Voorts is bij belaging ex artikel 285b van Wetboek van Strafrecht sprake van een voortdurend delict dat niet vanzelfsprekend eindigt als er op enig moment aangifte wordt gedaan. Zoals reeds eerder besproken vergen naar ’s hofs oordeel daarop volgende gedragingen en/of berichten niet steeds een nieuwe klacht. Nu aangevers [benadeelde 1] en [benadeelde 3] bij herhaling en uitdrukkelijk te kennen hebben gegeven vervolging van de verdachte te wensen voor de door hem gestuurde berichten, is het hof van oordeel dat ook de berichten die na de aangiften/klachten bij hen zijn binnengekomen en waarvan zij de politie op de hoogte hebben gebracht, geschaard kunnen worden onder de eerder ingediende klachten. Deze bieden daarvoor voldoende basis. Daar neemt het hof nog bij in aanmerking dat de hen nadien toegezonden berichten kort volgden op hun aangiften. Het hof acht het Openbaar Ministerie dan ook geheel ontvankelijk in de strafvervolging van de onder de 2 en 5 tenlastegelegde feiten.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg en voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 12 december 2021 tot en met 28 februari 2022 te Simpelveld, in elk geval in Nederland, en/of Le Barcares, in elk geval in Frankrijk, [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 1] via toegezonden e-mailberichten de woorden toe te voegen:
-
“Ik ben [verdachte] smerig kutjong, ik ben niet iemand die jij om zeep kan helpen. Ik ga jou zo godverdomde hard aanpakken dat er nooit meer zo een smerige blauwe hufter als jij met 1 vinger een burger durft aan te raken” (pagina 63) en/of
-
"Ik zweer jou op mijn nek. Jou kk smoel zal ik helemaal vol lood laten schieten...jou kk familie zal ik met een mes laten opensnijden....jij bent de meest dode persoon die in nederland rondloopt.....” “ik leef nog alleen om alles om jou heen uit te moorden....” “.....ALLES EN IEDEREEN om jou heen zal ik op de meest agressieve manier laten afslachten” (pagina 71) en/of
-
“IK GA ZORGEN DAT JIJ AFGESLACHT WORDT NADAT IK JOU BROER OVERHOOP HEB LATEN SCHIETEN....” (pagina 78) en/of
-
“Jij weet dat ik jou ga doden voor wat je me hebt aangedaan....” “26-01-2016 ga je met de dood bekopen?2017?daarvoor ga ik je met een mes meer dan 100x steken... 2018?.2019...daarvoor ga ik wat jou dierbaar is met een gasbrander bewerken...” “JE GAAT STERVEN DOOR MIJ KUTJONG” (pagina 79) en/of
-
“Doder als jij bent kun je niet zijn. Jij loopt als een kip zonder kop rond te wachten op je slachting. Jou misdrijven die je tegen mij hebt gepleegt......je zult als een beest afgeslacht worden vieze kk mongool.” “ik zal het zijn?jij gaat afgeslacht worden als een beest” (pagina 77) en/of
-
“zo onaantastbaar zijn jullie dat een stukje lood jullie hersenen kapot blaast?jullie worden die gestraft door de rechter?.MAAR WEL DOOR VUURWAPENS?JULLIE KK KOPPEN ZULLEN DOORZEEFT WORDEN?” (pagina 83) en/of
-
“Mijn haat naar jullie is na jullie misdrijven zo enorm dat ik niks anders wil dan jullie en jullie families op beestachtige manier afslachten? Ik krijg altijd wat ik wil.......denk aan mij [benadeelde 1] .....ik denk namelijk ook aan jou als ik de strotten van jou nageslacht heel rustig en langzaam zal opensnijden... Een mes en een gasbrander zullen mijn wapens zijn.......” (pagina 424) en/of
-
“JULLIE KK HOOFDEN ZULLEN ERAFGESCHOTEN WORDEN” (pagina 275) en/of
-
“KUTJOOD, NOG EVEN EN DAN LIG JE IN STUKKEN OPGEBAARD” “NIEMAND IS DODER DAN JIJ MET JE KOKEND HART ALS JE MIJN NAAM HOORT” (pagina 426) en/of
-
“Ik pak levenslang als ik klaar ben met jou” “Ik ga je kanker vloeibaar slaan nadat ik je met een mes heb bewerkt” “Jullie kankerhoofden zullen doorzeefd worden?jij bent het toetje” “ik kom jou doden” (pagina 427) en/of
-
“DODE GESTOORDE KANKERMIET...IK GA JOU KAPOT STEKEN EN HELEMAAL VLOEIBAAR SLAAN MET EEN STUK METAAL” (pagina 426) en/of
-
“Dode kanker pathologisch leugenaar? focking schijtmiet? ik ga jou hardstikke kanker kapot maken? jou hele familie staat op mijn dodenlijst” (pagina 427), althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
2.hij in of omstreeks de periode van 13 april 2021 tot en met 28 februari 2022 te Simpelveld, in elk geval in Nederland, en/of Le Barcares, in elk geval in Frankrijk, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde 1] , door:
-
die [benadeelde 1] veelvuldig e-mails en/of berichten te sturen (waaronder bedreigende en/of hinderlijke en/of beledigende e-mails en/of berichten) en/of
-
(een) vriend(en) en/of bekende(n) en/of familieleden van die [benadeelde 1] te benaderen (via internet, waaronder Facebook en/of Instagram) en/of
-
op internet (waaronder Facebook en/of Instagram) berichten te plaatsen met daarin teksten over en/of foto’s en/of gegevens van die [benadeelde 1] en/of
-
veelvuldig telefonisch contact op te nemen, althans te zoeken met die [benadeelde 1] ,
met het oogmerk die [benadeelde 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
3.hij in of omstreeks de periode van 25 september 2021 tot en met 26 februari 2022 te Simpelveld, in elk geval in Nederland, en/of Le Barcares, in elk geval in Frankrijk, [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 2] via toegezonden e-mailberichten de woorden toe te voegen:
-
“Jullie namen gaan rond. Mensen weten. Jij moet uitkijken wie jij om jou heen hebt kut nigger. Jou niggers zijn meer tru naar mij dan naar jou” (pagina 173) en/of
-
“DAT IS DE REDEN WAAROM JULLIE ZULLEN STERVEN” (pagina 174) en/of
-
“ALLEEN JULLIE KK HOOFDEN ZULLEN ERAFGESCHOTEN WORDEN” “Zullen wij wedden dat ik al jullie gestoorde daden op de straat manier zal wraken/laten wraken” “en jullie kanker hoofden zullen van jullie romp geschoten worden” (pagina 275) en/of
-
“Zullie wachten op jullie executie....... jullie gaan sterven voor de terreur tegen mij en de moordpoging in september 2017. Jullie gaan sterven voor de inbraak in mijn woning. Jullie gaan sterven voor mijn omgeving tegen mij opzetten”, “..... jullie kanker thin blue line ten dode opgeschreven corrupte ambtscrimineeltjes.......... Jullie bloed zal vloeien.....denk aan mij tot je sterft.......derk wiersum mongooltjes” (pagina 177),
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
4.hij in of omstreeks de periode van 30 december 2021 tot en met 3 februari 2022 te Simpelveld, in elk geval in Nederland, en/of Le Barcares, in elk geval in Frankrijk, [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 3] via toegezonden e-mailberichten de woorden toe te voegen:
-
“Als jij het niet oplost met die persoon zal er een naar jou gestuurd worden die het met jou oplost klootzak. Je weet wie je hebt genaait en je weet wat de prijs daarvoor is als je het niet oplost op een nette manier met hem. ik maak geen grapje met jou. Jou afrekening zal ervoor zorgen dat advocaten voortaan na zullen denken voordat ze zich met zulke praktijktijken inlaten als jij hebt gedaan.” (pagina 273) en/of
-
“Jij zal voor weinig geld gaan” (pagina 273) en/of
-
“Als jij niet doet wat jij moet doen zul je iemand tegenkomen die je laat zwijgen. Jij bent gewaarschuuwt. Waar dan ook ter wereld jij heen gaat. Er zal iets gebeuren wat jij nooit zal kunnen tegenhouden. Doe wat je moet doen, of andere gaan doen wat ze moeten doen” (pagina 273) en/of
-
“JOU KUT ROLCE ROYCE KUN JIJ NIET MEENEMEN JE GRAF IN VUILE HOERENKIND” (pagina 274) en/of
-
“IK ZWEER JULLIE OP MIJN NEK AF DAT IK HET ZAL ZIJN DIE DE MAATSCHAPPIJ ZAL BESCHERMEN TEGEN JULLIE......” “Denk allemaal aan mij.....ik ga jullie ten val brengen.........ik zal het zijn......SMERIG VUIL KUT TUIG” (pagina 66),
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
5.hij in of omstreeks de periode van 25 mei 2021 tot en met 3 februari 2022 te Simpelveld, in elk geval in Nederland, en/of Le Barcares, in elk geval in Frankrijk, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde 3] , door:
-
die [benadeelde 3] veelvuldig e-mails en/of berichten te sturen (waaronder bedreigende en/of hinderlijke en/of beledigende e-mails en/of berichten) en/of
-
veelvuldig bankoverboekingen te doen naar die [benadeelde 3] , met daarbij beledigende en/of hinderlijke en/of bedreigende teksten en/of
-
op het internet (waaronder Facebook en/of Google review) negatieve berichten te plaatsen over die [benadeelde 3] en/of diens bedrijf,
met het oogmerk die [benadeelde 3] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.in de periode van 12 december 2021 tot en met 28 februari 2022 in Nederland [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [benadeelde 1] via toegezonden e-mailberichten de woorden toe te voegen:
-
“Ik zweer jou op mijn nek. Jou kk smoel zal ik helemaal vol lood laten schieten...jou kk familie zal ik met een mes laten opensnijden....jij bent de meest dode persoon die in nederland rondloopt.....” “ik leef nog alleen om alles om jou heen uit te moorden....” “.....ALLES EN IEDEREEN om jou heen zal ik op de meest agressieve manier laten afslachten” en
-
“IK GA ZORGEN DAT JIJ AFGESLACHT WORDT NADAT IK JOU BROER OVERHOOP HEB LATEN SCHIETEN....” en
-
“Jij weet dat ik jou ga doden voor wat je me hebt aangedaan....” “26-01-2016 ga je met de dood bekopen?2017?daarvoor ga ik je met een mes meer dan 100x steken... 2018?.2019...daarvoor ga ik wat jou dierbaar is met een gasbrander bewerken...” “JE GAAT STERVEN DOOR MIJ KUTJONG” en
-
“Doder als jij bent kun je niet zijn. Jij loopt als een kip zonder kop rond te wachten op je slachting. Jou misdrijven die je tegen mij hebt gepleegt......je zult als een beest afgeslacht worden vieze kk mongool.” “?ik zal het zijn?jij gaat afgeslacht worden als een beest” en
-
“zo onaantastbaar zijn jullie dat een stukje lood jullie hersenen kapot blaast?jullie worden die gestraft door de rechter?.MAAR WEL DOOR VUURWAPENS?JULLIE KK KOPPEN ZULLEN DOORZEEFT WORDEN” en
-
“Mijn haat naar jullie is na jullie misdrijven zo enorm dat ik niks anders wil dan jullie en jullie families op beestachtige manier afslachten? Ik krijg altijd wat ik wil.......denk aan mij [benadeelde 1] .....ik denk namelijk ook aan jou als ik de strotten van jou nageslacht heel rustig en langzaam zal opensnijden... Een mes en een gasbrander zullen mijn wapens zijn.......” en
-
“JULLIE KK HOOFDEN ZULLEN ERAFGESCHOTEN WORDEN” en
-
“KUTJOOD, NOG EVEN EN DAN LIG JE IN STUKKEN OPGEBAARD” “NIEMAND IS DODER DAN JIJ MET JE KOKEND HART ALS JE MIJN NAAM HOORT” en
-
“Ik pak levenslang als ik klaar ben met jou” “Ik ga je kanker vloeibaar slaan nadat ik je met een mes heb bewerkt” “Jullie kankerhoofden zullen doorzeefd worden?jij bent het toetje” “ik kom jou doden” en
-
“DODE GESTOORDE KANKERMIET...IK GA JOU KAPOT STEKEN EN HELEMAAL VLOEIBAAR SLAAN MET EEN STUK METAAL” en
-
“Dode kanker pathologisch leugenaar? focking schijtmiet? ik ga jou hardstikke kanker kapot maken? jou hele familie staat op mijn dodenlijst”
2.in de periode van 13 april 2021 tot en met 28 februari 2022 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde 1] , door:
-
die [benadeelde 1] veelvuldig e-mails te sturen (waaronder bedreigende en/of hinderlijke en/of beledigende e-mails en/of berichten) en
-
vrienden en/of bekenden en familieleden van die [benadeelde 1] te benaderen (via internet, waaronder Facebook) en
-
op internet (waaronder Facebook) berichten te plaatsen met daarin teksten over en/of foto’s en/of gegevens van die [benadeelde 1]
met het oogmerk die [benadeelde 1] te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen;
3.in de periode van 25 september 2021 tot en met 26 februari 2022 in Nederland [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [benadeelde 2] via toegezonden e-mailberichten de woorden toe te voegen:
-
“DAT IS DE REDEN WAAROM JULLIE ZULLEN STERVEN” en
-
“ALLEEN JULLIE KK HOOFDEN ZULLEN ERAFGESCHOTEN WORDEN” “Zullen wij wedden dat ik al jullie gestoorde daden op de straat manier zal wraken/laten wraken” “en jullie kanker hoofden zullen van jullie romp geschoten worden” en
-
“Zullie wachten op jullie executie....... jullie gaan sterven voor de terreur tegen mij en de moordpoging in september 2017. Jullie gaan sterven voor de inbraak in mijn woning. Jullie gaan sterven voor mijn omgeving tegen mij opzetten”, “..... jullie kanker thin blue line ten dode opgeschreven corrupte ambtscrimineeltjes.......... Jullie bloed zal vloeien.....denk aan mij tot je sterft.......derk wiersum mongooltjes”;
4.in de periode van 30 december 2021 tot en met 3 februari 2022 in Nederland [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 3] via toegezonden e-mailberichten de woorden toe te voegen:
-
“Als jij het niet oplost met die persoon zal er een naar jou gestuurd worden die het met jou oplost klootzak. Je weet wie je hebt genaait en je weet wat de prijs daarvoor is als je het niet oplost op een nette manier met hem. ik maak geen grapje met jou. Jou afrekening zal ervoor zorgen dat advocaten voortaan na zullen denken voordat ze zich met zulke praktijktijken inlaten als jij hebt gedaan.” en
-
“Jij zal voor weinig geld gaan” en
-
“Als jij niet doet wat jij moet doen zul je iemand tegenkomen die je laat zwijgen. Jij bent gewaarschuuwt. Waar dan ook ter wereld jij heen gaat. Er zal iets gebeuren wat jij nooit zal kunnen tegenhouden. Doe wat je moet doen, of andere gaan doen wat ze moeten doen” en
-
“JOU KUT ROLCE ROYCE KUN JIJ NIET MEENEMEN JE GRAF IN VUILE HOERENKIND”;
5.in de periode van 25 mei 2021 tot en met 3 februari 2022 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde 3] , door:
-
die [benadeelde 3] veelvuldig e-mails te sturen (waaronder bedreigende en/of hinderlijke en/of beledigende e-mails en/of berichten) en
-
veelvuldig bankoverboekingen te doen naar die [benadeelde 3] , met daarbij beledigende en/of hinderlijke en/of bedreigende teksten en
-
op het internet (waaronder Facebook) negatieve berichten te plaatsen over die [benadeelde 3] en/of diens bedrijf,
met het oogmerk die [benadeelde 3] te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
II.
De verdachte heeft ontkend de afzender te zijn van de bewezenverklaarde e-mailberichten en heeft samen met zijn raadsman integrale vrijspraak bepleit nu er overigens geen onderzoek is gedaan naar de afzender van die e-mailberichten. De verdachte had naar eigen zeggen sinds november 2021 geen beschikking meer over de e-mailadressen [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2] en niet kan worden uitgesloten dat een ander dan de verdachte die berichten heeft verzonden. Daarbij kan volgens de verdachte evenmin worden vastgesteld dat het e-mailadres [e-mailadres 3] tot hem is te herleiden. Het gegeven dat er overeenkomsten zouden zijn in gemaakte taalfouten en de gehanteerde schrijfwijze acht de verdachte onvoldoende om hem te veroordelen. Voorts heeft de verdachte in dit verband nog herhaald dat er meer gedragingen zijn opgenomen in de tenlastelegging dan waarvan aangifte is gedaan, hetgeen nooit kan leiden tot een veroordeling voor die gedragingen. Tot slot heeft de verdachte bepleit dat door hem geplaatste berichten op zijn eigen Facebook profielpagina louter een vrijheid van meningsuiting betreffen. Zolang de verdachte een aangever niet heeft ‘getagd’ in die berichten, kunnen deze berichten volgens de verdachte niet bijdragen aan enige belaging, omdat hij niemand heeft benaderd.
De raadsman heeft in aanvulling op deze integrale vrijspraakverweren ook nog vrijspraak op basis van navolgende verweren bepleit.
De ontkenning van de verdachte in de tenlastegelegde periode de gebruiker te zijn geweest van de e-mailadressen impliceert dat een ander de berichten heeft verstuurd. De eenvoudige herleidbaarheid in de tenaamstelling van die adressen tot de verdachte kan juist een aanwijzing vormen dat een ander de verzender is geweest uit naam van de verdachte om ontdekking te voorkomen. Digitaal onderzoek waaruit kan worden afgeleid vanaf welk apparaat en/of welk IP-adres de berichten zijn verstuurd, ontbreekt.
Ten aanzien van feit 2 blijkt niet uit het dossier dat de verdachte aangever [benadeelde 1] stelselmatig heeft benaderd, daar hij niet hem rechtstreeks heeft benaderd en hij meerdere personen heeft bericht, zodat niet kan worden gesproken van een stelselmatige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. Voor zover dat niet wordt gevolgd, blijkt uit het dossier niet dat de verdachte in de periode tussen 13 april 2021 en 14 augustus 2021 en in de periode tussen 16 oktober 2021 en 28 februari 2022 een stelselmatige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 1] . Gelet hierop dient de verdachte (partieel) te worden vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde.
Met betrekking tot de bedreiging van [benadeelde 2] onder feit 3 is er volgens de verdediging sprake van teksten die te algemeen van aard waren om te concluderen dat die e-mailberichten daadwerkelijk aan [benadeelde 2] waren gericht en dat ook de inhoud van die teksten te algemeen van aard was om te kunnen vaststellen dat die zodanig bedreigend was dat bij [benadeelde 2] de redelijke vrees zou kunnen ontstaan dat hij daadwerkelijk het leven zou verliezen dan wel zwaar letsel zou kunnen oplopen. Ook dit verweer zou moeten leiden tot vrijspraak van feit 3.
Hetzelfde verweer geldt voor feit 4, de bedreiging van [benadeelde 3] , waarbij de gebruikte bewoordingen te algemeen worden geacht om tot redelijke vrees te kunnen leiden dat iemand het leven zou verliezen.
Tot slot heeft de raadsman de betwist dat er sprake was van ‘wederrechtelijk’ contact onder feit 5, nu de verdachte enkel contact met aangever [benadeelde 3] heeft gezocht om over de hoogte van zijn eigen bijdrage te discussiëren in het kader van de al dan niet verschuldigdheid van een geldbedrag. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat de verdachte het opzet had om een stelselmatige inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 3] , daar de berichten zich grotendeels tot zijn collega’s richtten en niet tot die [benadeelde 3] zelf. Van de bankoverschrijvingen kan niet worden vastgesteld dat er sprake was van stelselmatigheid nu deze overboekingen allemaal op dezelfde dag (15 januari 2022) hebben plaatsgevonden en dat qua duur zeer beperkt was. Tot slot was bij [benadeelde 3] geen vrees ontstaan naar aanleiding van die bankoverschrijvingen, nu daarvan door hem geen aangifte is gedaan.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
E-mailadressen
Dat een ander dan de verdachte de e-mailberichten aan [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] heeft gezonden, acht het hof niet aannemelijk geworden. Dat er geen nader onderzoek heeft plaatsgevonden waaruit kan worden afgeleid vanaf welk apparaat en/of welk IP-adres de berichten zijn verstuurd, doet daar niets aan af.
De verdachte heeft verklaard dat hij tot november 2021 toegang heeft gehad tot de e-mailadressen [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2] . Hieruit leidt het hof af dat de verdachte in ieder geval tot november 2021 ook de gebruiker was van die e-mailadressen. Het hof is vervolgens evenwel niet gebleken dat een ander dan de verdachte vanaf november 2021 toegang heeft kunnen hebben tot deze e-mailadressen en deze heeft kunnen gebruiken. Immers, dan zou(den) naast de verdachte ook een ander (of zelfs anderen) moeten hebben beschikt over het wachtwoord dat toegang gaf tot deze e-mailadressen. Zijdens de verdachte is in dat verband niets gesteld. Ook heeft de verdachte niet willen verklaren waarom hij vanaf november 2021 dan geen toegang meer zou hebben gehad tot zijn e-mailadressen. Het hof gaat er dan ook vanuit dat het ook de verdachte was die vanaf november 2021 beide e-mailadressen gebruikte.
Het hof ziet steun voor dat oordeel in de inhoud van de e-mailberichten die vanaf november 2021 zijn verzonden en die in sterke mate gelijkenissen vertoont met de inhoud van de berichten die voor deze periode zijn verzonden. Ook was de verdachte – zoals eveneens volgt uit zijn eigen verklaring – degene die problemen had met zowel [benadeelde 1] als [benadeelde 2] als [benadeelde 3] . Voorts vertoont de inhoud van de verzonden e-mailberichten overeenkomsten met de inhoud van de berichten die geplaatst zijn op het Facebookaccount van de verdachte en wordt in de berichten die dateren van november 2021 en nadien informatie beschreven die overeenkomsten vertoont met hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard. Het hof wijst in dat verband ter illustratie op de volgende berichten:
  • het bericht van 10 januari 2022 aan [benadeelde 1] (pagina 71) waarin is geschreven ‘mij voor dood achterlaten’ en ‘mijn huis wordt leeggehaald’ en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij van mening is dat [benadeelde 1] hem op 26 januari 2016 voor dood heeft achtergelaten in de politiewagen en dat er na zijn aanhouding is ingebroken in zijn woning;
  • het bericht van 11 januari 2022 aan onder anderen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] (pagina 174) waarin als onderwerp is opgenomen ‘ik breng hem niet naar eindhoven die jongen gaat dood’ en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende ‘
Ten aanzien van het e-mailadres [e-mailadres 3] is het hof eveneens met de rechtbank van oordeel dat het e-mailbericht afkomstig van dit e-mailadres is te herleiden tot de verdachte. Zo vertoont de inhoud van dit e-mailbericht overeenkomsten met de inhoud van de bankoverschrijvingen afkomstig van de rekening van de verdachte. Dat een ander toegang had tot die rekening is gesteld noch gebleken. Voorts is er relatief kort na dit bericht (een maand later) ook een e-mailbericht verzonden vanaf het e-mailadres [e-mailadres 1] . De inhoud van dit bericht komt op hoofdlijnen weer overeen met het eerder verzonden bericht vanaf het e-mailadres [e-mailadres 3] , namelijk dat [benadeelde 3] gesteund wordt door de politie.
Tot slot overweegt het hof dat zowel in de verzonden e-mailberichten, als in de Facebookberichten als in de omschrijving bij de bankoverschrijvingen gebruik is gemaakt van eenzelfde taalgebruik, in alle gevallen woorden in zinnen afwisselend zijn geschreven in kleine letters en in hoofdletters en bij herhaling dezelfde fouten zijn gemaakt bij het spellen van voltooid deelwoorden (-t in plaats van -d). Soortgelijke spelfouten zijn het hof ook in de door de verdachte geschreven en overgelegde pleitnota opgevallen.
Gelet op al het vorenstaande is het hof van oordeel dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte steeds de gebruiker is geweest van de e-mailadressen [e-mailadres 1] , [e-mailadres 2] en [e-mailadres 3] en dat bewezenverklaarde berichten door de verdachte zijn verzonden.
Bedreiging
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Niet vereist is dat het opzet van de verdachte ook is gericht op het ten uitvoer leggen van de bedreiging. Evenmin is vereist dat bij de bedreigde daadwerkelijk vrees voor de aantasting van de persoonlijke vrijheid is ontstaan. Het is voldoende dat de bedreiging in het algemeen geschikt is om vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen. De beoordeling of sprake is van vrees bij de bedreigde is daarmee geobjectiveerd. Het enkele feit dat de bedreigde deze vrees heeft opgevat oftewel zich bedreigd voelt, wil nog niet zeggen dat die vrees ook redelijk is.
Feit 1
Het hof is van oordeel dat de bewezenverklaarde bewoordingen in het algemeen geschikt zijn om vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen. Deze berichten zijn rechtstreeks verzonden aan [benadeelde 1] , dan wel zijn deze rechtstreeks te relateren aan [benadeelde 1] waardoor er geen twijfel over bestaat dat deze bedreigende woorden gericht waren aan aangever [benadeelde 1] . Doordat de verdachte ook in het bezit was van het adres van [benadeelde 1] en [benadeelde 1] van de bedreigingen daadwerkelijk op de hoogte is geraakt, kon bij hem in redelijkheid de vrees ontstaan dat hij of zijn gezin het leven zou kunnen verliezen.
Feit 3
Het hof is van oordeel dat de bewezenverklaarde bewoordingen in het algemeen geschikt zijn om vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen. Dat de berichten niet gericht zijn aan [benadeelde 2] en [benadeelde 2] louter zou zijn meegenomen in de berichten om hem op de hoogte te houden van lopende zaken, pleit de verdachte niet vrij. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte de berichten naar verschillende personen gestuurd waaronder ook aan [benadeelde 2] . Uit de inhoud van de bewezenverklaarde berichten is naar het oordeel niet op te maken dat de woorden zien op een ander dan de geadresseerden van de betreffende berichten. Ook worden in de berichten uitlatingen gedaan zoals ‘thin blue line’ waarmee naar het oordeel van het hof, gelet op de rest van het e-mailbericht met daarin de woorden ‘agent’ en ‘politie’, de politie wordt bedoeld. [benadeelde 2] betrof een politieagent waardoor voormelde zinsnede ook op hem betrekking had. Voorts is [benadeelde 2] daadwerkelijk op de hoogte geraakt van de bedreigingen en kon bij hem hierdoor, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden – waarbij het hof betrekt de overige aangiftes tegen de verdachte toentertijd van bedreigingen – bij [benadeelde 2] in redelijkheid de vrees ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.
Het hof zal de verdachte vrijspreken van het bericht van 25 september 2021, betreffende het eerste gedachtestreepje, nu het hof ter terechtzitting [benadeelde 2] heeft kunnen waarnemen en reeds kan vaststellen dat zijn huidskleur zich niet verhoudt tot het woord ‘nigger’ in de tenlastelegging.
Feit 4
Het hof is van oordeel dat de bewezenverklaarde bewoordingen in het algemeen geschikt zijn om vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen. Deze berichten zijn rechtstreeks verzonden naar het e-mailadres van [benadeelde 3] . Het kan naar het oordeel van het hof dan ook niet anders zijn dan dat de bedreigingen in deze berichten gericht zijn aan het adres van [benadeelde 3] . [benadeelde 3] is daadwerkelijk op de hoogte geraakt van de bedreigingen en gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden kon bij hem in redelijkheid de vrees ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.
Voor zover overigens nog verweren zijn gevoerd die aan een bewezenverklaring van de bedreigingen in de weg zouden moeten staan, blijven deze hier verder onbesproken nu deze weerlegging vinden in de bewijsmiddelen.
Belaging
Vooropgesteld moet worden dat voor een bewezenverklaring van belaging ex artikel 285b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht sprake dient te zijn van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een ander, welke inbreuk opzettelijk en wederrechtelijk moet zijn. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een ander moet ook stelselmatig plaatsvinden. Ten slotte moet de verdachte het oogmerk hebben gehad die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een ander zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Deze in aanmerking te nemen beoordelingsfactoren zijn daarbij in zekere mate communicerende vaten. Het gaat dus niet zozeer om een weging van elke factor op zichzelf, maar om de waardering van het gehele handelen van de verdachte en de vraag of dat handelen in zijn totaliteit bezien voldoet aan de eisen die de wet aan belaging stelt.
Vrijheid van meningsuiting
Voor zover de verdachte heeft bepleit dat de door hem geplaatste berichten op Facebook zien op zijn vrijheid van meningsuiting waarbij hij zijn volgers enkel op de hoogte heeft wilde brengen van hetgeen hem werd aangedaan, overweegt het hof als volgt.
Met de verdachte stelt het hof voorop dat de verdachte net als ieder ander het recht toekomt op vrijheid van meningsuiting ingevolge artikel 10 van Pro het EVRM. In beginsel vallen ook uitspraken met een negatieve lading onder de reikwijdte van artikel 10 van Pro het EVRM. Die vrijheid van meningsuiting kan echter worden begrensd door de wet. Zo beschermt artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht de persoonlijke levenssfeer van een aangever. Voor een beperking van de vrijheid van meningsuiting moet steeds een dringende maatschappelijke noodzaak bestaan. Of hiervan sprake is dient beoordeeld te worden aan de hand van de omstandigheden van het geval.
De volgens verdachte bestaande misstanden heeft hij naar het oordeel van het hof op een voor [benadeelde 1] en [benadeelde 3] zodanig bezwarende en belastende wijze openbaar gemaakt dat hij daarmee een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van beide aangevers heeft gemaakt. De verdachte heeft met zijn uitlatingen en zijn wijze van handelen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting overschreden, zodat het hof dit verweer verwerpt.
Feit 2
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte in de periode 13 april 2021 tot en met 28 februari 2022 op indringende en intensieve wijze heeft geprobeerd om met aangever [benadeelde 1] in contact te komen, waarbij hij zich ook bedreigend en beledigend jegens hem heeft uitgelaten. Zo heeft de verdachte herhaaldelijk berichten verzonden aan het e-mailadres van aangever [benadeelde 1] dan wel aan [benadeelde 1] én andere geadresseerden met daarin diverse verwijzingen naar [benadeelde 1] . Voorts heeft de verdachte op zijn Facebookpagina een foto en de voor- en achternaam van [benadeelde 1] geplaatst en heeft de verdachte een bericht geplaatst over [benadeelde 1] op de Facebookpagina van de [vereniging] van [benadeelde 1] . Daarnaast heeft de verdachte contact gezocht met familie en vrienden van [benadeelde 1] . [benadeelde 1] heeft meerdere malen aangifte gedaan tegen de verdachte hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot een contactverbod. Het was de verdachte dan ook duidelijk dat [benadeelde 1] geen contact wenste met de verdachte. De verdachte is desondanks ook na het hem opgelegde contactverbod doorgegaan met het sturen en plaatsen van berichten aan en over [benadeelde 1] . Gelet op dit alles is er naar het oordeel van het hof voldaan aan de vereisten van wederrechtelijkheid en stelselmatigheid.
Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte aangever [benadeelde 1] met zijn bedreigingen vrees heeft willen aanjagen en hem feitelijk ook heeft gedwongen te dulden dat de verdachte stelselmatig contact zocht met hem. Aldus heeft de verdachte hiermee een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 1] .
De verdachte heeft aangevoerd dat gelet op het gegeven dat hij in de door hem geplaatste berichten op zijn Facebook pagina aangever [benadeelde 1] niet heeft ‘getagd’, er geen sprake kan zijn van belaging. Het hof is van oordeel dat ook wanneer een slachtoffer via een derde op de hoogte wordt gebracht van dergelijke berichten er sprake kan zijn van de belaging. Het gaat hierbij namelijk niet alleen om het direct of indirect veelvuldig contact zoeken met het slachtoffer, hetgeen de verdachte ook heeft gedaan, maar evenzeer om het dulden dat de verdachte teksten, foto’s en gegevens plaatst op internet (waaronder Facebook) die [benadeelde 1] bezwaren en belasten.
Feit 5
Dat het voor de verdachte niet duidelijk was dat [benadeelde 3] geen contact meer met hem wilde omdat hem dat niet met zoveel woorden was gezegd, schuift het hof als ongeloofwaardig ter zijde. Uit het dossier volgt dat [benadeelde 3] , na ontvangst van meerdere e-mails met een zacht gezegd “nare ondertoon” vanaf 25 mei 2021, aan de verdachte op 18 juni 2021 om 16:43 uur een bericht heeft verzonden met daarin de navolgende tekst: ‘
Rest mij u nog te melden dat ik er geen behoefte meer aan heb op e-mails van u te reageren.”[benadeelde 3] heeft daarna ook niet meer gereageerd op berichten van de verdachte. Vervolgens heeft [benadeelde 3] bij brief van 13 augustus 2021 aangifte gedaan van onder meer belaging door de verdachte. Blijkens de door de verdachte op zijn Facebook pagina geplaatste uitnodiging voor verhoor d.d. 22 augustus 2021 en daarbij gedeelde berichtgeving, was de verdachte van die aangifte zeer wel op de hoogte. Dit alles leidt er naar het oordeel van het hof toe dat de verdachte wel degelijk wist dat [benadeelde 3] geen contact meer wenste met de verdachte, hetgeen de verdachte gelet op de repeterende bedreigende, hinderlijke of beledigende strekking van zijn berichten ook zonder die aangifte al duidelijk moest zijn. Daarmee is aan de vereiste wederrechtelijkheid voldaan.
Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat de verdachte als gebruiker van hiervoor aan hem toegeschreven e-mailadressen diverse e-mailberichten heeft verzonden naar [benadeelde 3] , [benadeelde 3] advocaten en diverse collega’s van [benadeelde 3] . Voorts heeft de verdachte op een dag meerdere malen een bedrag van € 0,01 overgemaakt naar de kantoorrekening van [benadeelde 3] met in de omschrijvingen beledigende en/of bedreigende teksten jegens [benadeelde 3] . Tot slot heeft de verdachte Facebookberichten geplaatst waarin hij zijn ongenoegen uitte over zowel [benadeelde 3] advocaten als [benadeelde 3] . Nu dit alles in onderling verband en samenhang bezien plaatsvond gedurende de bewezenverklaarde periode van ruim acht maanden, is naar het oordeel van het hof voldaan aan het vereiste van stelselmatigheid.
Uit de bewijsmiddelen leidt het hof ook af dat de verdachte [benadeelde 3] geen keuze heeft gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact met de verdachte. De verdachte heeft hiertoe op diverse manieren contact gezocht met [benadeelde 3] namelijk per e-mail, Facebook en via de bankoverschrijvingen. Dit betekent dat de verdachte hem met zijn bedreigingen vrees heeft willen aanjagen en hem feitelijk heeft gedwongen te dulden dat de verdachte stelselmatig contact had met hem en dat de verdachte aldus inbreuk heeft gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer.
De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan de bewezenverklaarde belagingen. Voor zover overigens nog verweren zijn gevoerd die aan een bewezenverklaring van de belagingen in de weg zouden moeten staan, blijven deze hier verder onbesproken nu deze weerlegging vinden in de bewijsmiddelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 en 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,meermalen gepleegd.
Het onder 2 en 5 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
belaging.
Het onder 4 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling,meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdachte en zijn raadsman hebben aangevoerd dat gelet op het langdurige voorarrest van de verdachte – het hof komt op ongeveer 45 maanden op de dag van dit arrest, uitgaande van 7 maart 2022 – het opleggen van een langdurige gevangenisstraf niet meer opportuun is. Voorts heeft de verdachte ontkend dat sprake is van een stoornis waardoor het hof geen maatregel van terbeschikkingstelling met een bevel tot verpleging van overheidswege kan gelasten. Een dergelijke maatregel wordt bovendien gelet op de lange duur van de voorlopige hechtenis niet meer passend geacht.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich herhaaldelijk schuldig heeft gemaakt aan belaging en bedreiging. De slachtoffers betroffen twee politieagenten en een advocaat. De verdachte heeft uit onvrede met de wijze waarop hij zich door hen behandeld voelde gedurende een langere tijd intensief contact gezocht met zowel deze politieagenten als met de advocaat. Hij stuurde hen bij herhaling e-mailberichten en plaatste berichten over hen op Facebook. Hierbij heeft de verdachte zich ook bedreigend uitgelaten. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de drie aangevers. Belaging en bedreiging zijn delicten die rechtstreeks raken aan de privacy en het welbevinden van de slachtoffers die daarvan overigens een forse psychische belasting kunnen ondervinden. Uit het in hoger beroep uitgeoefende spreekrecht is gebleken dat alle drie de aangevers zodanig geraakt waren door de handelingen van de verdachte dat zij zich niet meer veilig voelden. De verdachte heeft zich evenwel niet laten tegenhouden door aangiftes of een contactverbod en heeft zijn onvrede verder op deze slachtoffers gebotvierd. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezenverklaard.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 oktober 2025, waaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Getuige de aanhangige vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf heeft de verdachte zich daardoor in ieder geval niet laten weerhouden. Voorts heeft het hof acht geslagen op het overige dat door de verdachte en de verdediging ten aanzien van zijn persoonlijke omstandigheden ter terechtzitting naar voren is gebracht.
Terbeschikkingstelling
Het hof heeft kennisgenomen van de pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum d.d. 23 november 2022 waaruit zou volgen dat er ten tijde van het bewezenverklaarde volgens de deskundigen bij de verdachte sprake zou zijn geweest van een waanstoornis die doorwerkte in de bewezenverklaarde feiten. Hoewel de verdachte zijn medewerking aan het gedragskundig onderzoek in het Pieter Baan Centrum weigerde, adviseerden de psychiater en de psycholoog gelet op die doorwerkende stoornis, alsmede op het als hoog ingeschatte recidiverisico voor wat betreft stalking en gewelddadig gedrag, aan de verdachte de maatregel tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen. Aan de in 2024 door het hof bevolen nieuwe ambulante gedragskundige onderzoeken door een psychiater en een psycholoog heeft de verdachte opnieuw zijn medewerking geweigerd, getuige de rapportages die zijn gedateerd op 18 juni 2024 respectievelijk 18 juli 2024. Gelet op die weigering beschikt het hof thans niet over recente met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende adviezen van een psychiater en een psycholoog, die in de gelegenheid zijn geweest de betrokkene te onderzoeken.
De advocaat-generaal heeft in hoger beroep, nu de verdachte in 2024 zijn medewerking heeft geweigerd aan de gedragskundige onderzoeken door de psychiater en de psycholoog, op basis van de in de visie van het Openbaar Ministerie onverkort geldende adviezen als neergelegd in de rapportage van het Pieter Baan Centrum gevorderd om naast oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest, te gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met het bevel tot verpleging van overheidswege, waarbij de duur is gemaximeerd op vier jaren.
Hoewel het hof, gelet op de weigering van de verdachte om in 2024 zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek door een psychiater en een psycholoog, formeel de terbeschikkingstelling van de verdachte met een bevel tot verpleging van overheidswege op basis van de adviezen in het rapport van het Pieter Baan Centrum zou kunnen gelasten ter zake van de bewezenverklaarde feiten, gaat het hof daartoe thans niet over. Gelet op de ouderdom van de rapporten in het licht van het verloop van de gedragskundige onderzoeken acht het hof in dit specifieke geval termen aanwezig thans geen acht te slaan op de daarin gegeven adviezen. De bijzonder lange duur van de voorlopige hechtenis in het onderhavige geval, de bekendheid met de lange wachttijden alvorens een terbeschikkinggestelde in een kliniek zal worden geplaatst en de verpleging van overheidswege een aanvang zal nemen, afgezet tegen de proportionaliteit van een dergelijke maatregel bij de thans bewezenverklaarde feiten, leiden het hof tot de slotsom niet over te gaan tot de gevorderde maatregel van terbeschikkingstelling.
Op te leggen straf
Het hof is van oordeel dat, in verband met een juiste normhandhaving en met het oog op vergelding en generale preventie, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.
Ten aanzien van de redelijke termijn overweegt het hof nog als volgt.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
De aanvang van termijn in eerste aanleg stelt het hof vast op de datum dat de verdachte naar aanleiding van het EAB in Frankrijk is aangehouden, te weten 7 maart 2022. Het einde van de termijn stelt het hof op 4 april 2023, zijn de uitspraakdatum van het vonnis. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg, die voor deze fase bij gedetineerden op 16 maanden wordt gesteld, niet overschreden.
De aanvang van de termijn in hoger beroep stelt het hof vast op de datum waarop namens verdachte hoger beroep is ingesteld, te weten 5 april 2022. Het einde van de termijn stelt het hof op 19 december 2025, de datum van heden waarop het hof dit arrest wijst. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep, die voor deze fase bij gedetineerden eveneens op 16 maanden wordt gesteld, overschreden met ruim 1 jaar en 4 maanden.
Gelet op de ruime overschrijding van de redelijke termijn in onderhavige zaak, alsmede de omstandigheid dat de verdachte gedurende de gehele procedure in voorarrest heeft doorgebracht, zal het hof volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur 6 maanden met aftrek van voorarrest, hetgeen erop neerkomt dat de verdachte zijn straf reeds heeft uitgezeten.
Gelet op voornoemde beslissing tot het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden zal het hof met onmiddellijke ingang de voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen. Dit bevel zal apart worden gemuniteerd.
Maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht
Het hof acht het voorts passend en geboden om aan de verdachte ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid, zoals bedoeld in artikel 38v, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, op te leggen. Dit temeer nu uit het dossier blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten jegens [benadeelde 1] waarbij hem tevens een contactverbod in de vorm van een dergelijke maatregel was opgelegd. Dit alles heeft de verdachte er niet van weerhouden om de bewezenverklaarde feiten te plegen, hetgeen doet vrezen voor herhaling. Voorts is er sprake geweest van meerdere bedreigingen van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , terwijl de verdachte ter terechtzitting geen enkel inzicht heeft getoond in het kwalijke van zijn handelen, de hem verweten strafbare gedragingen heeft ontkend en de oorzaak van zijn onvrede die naar ’s hofs oordeel aanleiding is geweest voor de bewezenverklaarde feiten steevast bij anderen legt.
Om te waarborgen dat de verdachte zich in de (nabije) toekomst onthoudt van elke vorm van contact met [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , zal de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een contactverbod inhouden. Het hof acht daarbij een maximale duur van 5 jaren geboden.
Gelet op het vorenstaande en aangezien het hof van oordeel is dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich opnieuw belastend jegens de slachtoffers zal gedragen, zal het hof de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel bevelen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.000,00 (bestaan uit immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij inhoudelijk betwist en heeft daarbij verwezen naar eerdere strafzaken waarbij de benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding had ingediend. Voorts heeft de verdachte gesteld dat nu voor een derde keer kosten voor een alarmsysteem zijn gevorderd. De verdachte heeft het hof verzocht om de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel bij toewijzing het bedrag drastisch te verminderen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte immateriële schade heeft geleden. Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd. Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij gebruik gemaakt van het spreekrecht waaruit volgt wat de impact van het handelen van de verdachte was op het leven van de benadeelde. De verdachte heeft door zijn handelen herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij en heeft daarbij ook bedreigende woorden gebruikt. Hierdoor heeft de verdachte de benadeelde partij aanzienlijk leed toegebracht en angst bij hem veroorzaakt. Het hof acht mede gelet op de ernst van de feiten het gevorderde bedrag billijk en zal dit integraal toewijzen. Het verweer van de verdachte dat hij eerder betaald heeft voor een alarmsysteem schuift het hof terzijde nu het hier slechts gaat om een vordering tot vergoeding van immateriële schade.
Voorts zal het hof beslissen het toe te wijzen bedrag, zoals gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2022, zijnde de laatste dag van de bewezenverklaarde periode, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de gemaakte en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 3.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 300,00 (bestaan uit immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij inhoudelijk betwist en heeft het hof verzocht om de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel bij toewijzing het bedrag drastisch te verminderen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte immateriële schade heeft geleden. De door de verdachte gebruikte bewoordingen zijn zodanig grof en ingrijpend dat de nadelige gevolgen hiervan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd. Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij gebruik gemaakt van het spreekrecht waaruit volgt wat de impact was van het handelen van de verdachte op de benadeelde. Het hof acht mede gelet op de ernst van de feiten en vergelijkbare jurisprudentie het gevorderde bedrag billijk en zal dit integraal toewijzen.
Voorts zal het hof beslissen het toe te wijzen bedrag, zoals gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2022, zijnde de laatste dag van de bewezenverklaarde periode, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de gemaakte en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 300,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering tenuitvoerlegging
Het Openbaar Ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 16 april 2021 onder parketnummer 01-318122-20 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen nu het hof toewijzing niet meer opportuun acht mede gelet op de lange duur van de voorlopige hechtenis in de onderhavige zaak.
Beslag
Met betrekking tot de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen overweegt het hof het volgende.
Nu niet is gebleken dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet, zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten van een zwarte Samsung telefoon (goednummer 1504994). Voorts heeft de verdachte aangetoond dat bij zijn aanhouding tevens een andere telefoon in beslag is genomen en waarover nog niet zou zijn beslist. Nu van enig belang van strafvordering niet is gebleken zal het hof, voor zover deze nog beschikbaar is, de teruggave aan de verdachte gelasten van een goudkleurige Huawei telefoon (goednummer 1451254).
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 57, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het onder 6, 7, 8 en 9 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde 1] (geboren [geboortedag 2] ), [benadeelde 2] (geboren op [geboortedag 3] ) en [benadeelde 3] (geboren op [geboortedag 4] ) en beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden en bepaalt toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- een zwarte Samsung telefoon (goednummer 1504994)
- een goudkleurige Huawei telefoon (goednummer 1451254).
heft op het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis, welke beslissing afzonderlijk is geminuteerd;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
[benadeelde 1]ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2022 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 40 (veertig) dagen kan worden toepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
[benadeelde 2]ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2022 tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2022 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 6 (zes) dagen kan worden toepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
wijst af de vordering van de officier van justitie van het arrondissementsparket Limburg van 3 februari 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 16 april 2021, parketnummer 01-318122-20, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. A.R. Hartmann en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,
en op 19 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Hartmann is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.