Uitspraak
5.Het verdere geding in hoger beroep
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 september 2023 waar partijen geen minnelijke schikking hebben bereikt;
- de memorie van grieven van [appellant] tevens wijziging van eis, met producties 27 tot en met 33;
- de memorie van antwoord van [XX] tevens antwoord op de wijziging van eis, met productie A.
6.De beoordeling
- artikel 1 dat Pro de overeenkomst wordt aangegaan voor één jaar en zonder opzegging stilzwijgend met één jaar wordt verlengd;
- artikel 2 dat Pro het voergeld is vastgesteld op € 54.480,-- per jaar, oftewel € 42,-- per vleesvarkensplaats per jaar, wat neerkomt op een maandelijks bedrag van € 4.540,--;
- artikel 4 dat Pro de kosten voor afvoer van de mest voor de voergeldgever is en dat de Minas op nul begint en eindigt bij het eindigen van de voergeldovereenkomst op nul.
- artikel 2 onder Pro A dat de voergeldvergoeding € 67,61 per dierplaats per jaar bedraagt, uitgaande van 986 dierplaatsen;
- artikel 2 onder Pro G dat de verantwoording voor mestafvoer en Vervangende Verwerkingovereenkomsten (hierna: VVO’s) voor rekening van de voergeldnemer zijn;
- artikel 4 onder Pro E dat de voergeldnemer verantwoordelijk is voor de correcte afvoer van de dierlijke mest en beschikt over voldoende (> 6 maanden) mestopslagruimte.
- de afspraak ‘Minas is nul’ moet worden uitgelegd als dat het bij aanvang van de overeenkomst in de putten aanwezige niveau aan mest als nullijn wordt genomen, niet dat de putten leeg moesten zijn (rov. 4.4);
- uit de ingebrachte vervoersbewijzen niet is af te leiden dat [XX] alle mest heeft afgevoerd die zij moest afvoeren (rov. 4.5).
- op grond van [ingenieur A] ’s Rapport 2019, Notitie 2019 en Notitie 2021 nog niet kan worden geconcludeerd dat [XX] 1.100 ton dierlijke mest c.q. 5.831 kilogram fosfaat te weinig heeft afgevoerd (rov. 4.6);
- omdat [XX] betwist dat zij 1.100 ton dierlijke mest c.q. 5.831 kilogram fosfaat te weinig heeft afgevoerd, aan [appellant] bewijs van die stelling zal worden opgedragen (rov. 4.7);
- het verjaringsverweer slaagt voor de maanden mei 2013 tot en met november 2014 zodat de vordering van € 11.780,-- wordt afgewezen (rov. 4.10);
- de verjaring voor de maand december 2014 (het voergeld van € 1.960,--) is gestuit (rov. 4.11);
- artikel 2 Contract Pro zo moet worden uitgelegd dat ongeacht het aantal bezette varkensplaatsen, maandelijks € 4.540,-- moet worden betaald (rov. 4.13);
- [XX] dient te bewijzen dat partijen nadien afwijkende afspraken hebben gemaakt (die er op neerkomen) dat [XX] voor december 2014 € 1.960,-- aan voergeld moest voldoen (rov. 4.16).
- [appellant] opgedragen te bewijzen dat [XX] 1.100 ton dierlijke mest c.q. 5.831 kilogram fosfaat te weinig heeft afgevoerd;
- [XX] opgedragen te bewijzen dat zij met [appellant] voor de maand december 2014 afwijkende afspraken heeft gemaakt die er op neer komen dat zij die maand € 1.960,-- aan voergeld moest voldoen.
- de eisvermeerdering van [appellant] bij conclusie na getuigenverhoor te laat is en buiten beschouwing wordt gelaten (rov. 2.2.3);
- [appellant] niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd, zodat vordering 1) tot betaling van mestafvoerkosten moet worden afgewezen (rov. 2.6 en 2.7);
- [XX] niet in haar bewijslevering is geslaagd, zodat vordering 2) tot betaling van resterend voergeld zal worden toegewezen voor € 2.580,-- over de maand december 2014, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 17 december 2014 (rov. 2.10 en 2.11);
- bij een hoofdsom van € 2.580,-- is ingevolge het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: BIK) € 383,-- aan buitengerechtelijke kosten toewijsbaar (rov. 2.12);
- de deskundigenkosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat die zijn gemaakt in het kader van de niet toewijsbare vordering 1) tot betaling van mestafvoerkosten (rov. 2.13);
- de proceskosten zullen worden gecompenseerd (rov. 2.14).
- de afspraak ‘Minas is nul’ moet worden uitgelegd als dat het in de putten aanwezige niveau aan mest als nulllijn wordt genomen, niet dat de putten leeg moesten zijn (beroepen tussenvonnis rov. 4.4);
- uit de ingebrachte vervoersbewijzen niet is af te leiden dat [XX] alle mest heeft afgevoerd die zij moest afvoeren (beroepen tussenvonnis rov. 4.5).
- dat voor de mestboekhouding relevante stukken nog steeds ontbreken, waaronder de volgens [appellant] zelf ontbrekende dierenadminstratie van 2013 en 2014;
- dat brondata ontbreken en gebruikte gegevens direct of indirect afkomstig zijn van [appellant] zelf;
- dat door [appellant] beweerde cijfers en berekeningen onjuist zijn, onder meer omdat [ingenieur A] zelf over de bedoelde gegevens in diens Rapport 2019 al vermeldt:
- dat het door [ingenieur A] geraadpleegde digitale RVO-dossier voor [XX] niet inzichtelijk en controleerbaar is, zodat onduidelijk is of dat geraadpleegde RVO-dossier wel alle mestafvoergegevens van [appellant] bevat;
- dat de juistheid van de gehanteerde begin- en eindstand van het mestniveau in de opslag van [appellant] onjuist zouden zijn en [XX] op 31 december 2014:
- dat de gehanteerde hoeveelheden tonnen tegen kilogrammen niet kloppen;
- dat [appellant] in december 2014 al varkens van [persoon A] in zijn stal heeft toegelaten.