Deze civiele zaak betreft een hoger beroep over gezag en omgang tussen een vader en zijn minderjarige kind. Het hof bekrachtigt het eenhoofdig gezag van de moeder, omdat de vader sinds jaren geen contact heeft gehad en niet in staat wordt geacht om samen met de moeder verantwoorde beslissingen te nemen over het kind.
Het BOR II-traject, bedoeld om contactherstel tussen vader en kind te bevorderen, is niet van de grond gekomen door contractuele problemen tussen de gemeente en de oorspronkelijke zorgaanbieder. Het hof verwijst daarom naar een andere zorgaanbieder met een geringe wachtlijst om het traject alsnog te starten. Het traject is met waarborgen omkleed en leidt niet automatisch tot omgang.
De vader heeft onvoldoende initiatief getoond om contact te herstellen, terwijl de moeder het traject niet langer wil ondersteunen en zorgen uit over het drugsgebruik van de vader. De minderjarige heeft aangegeven geen omgang met de vader te willen, maar het hof acht hem te jong om definitief te oordelen dat contactherstel niet meer aan de orde is.
De verdere behandeling wordt tot 18 december 2025 aangehouden in afwachting van het BOR II-traject. Het hof benadrukt dat dit de laatste kans is voor contactherstel en dat het belang van het kind leidend blijft. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.