Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1] ,
[appellant 2],
[appellant 3],
[appellant 4],
[appellant 5],
[appellant 6],
[appellant 7],
[appellant 7],
[belanghebbende],
[executeur], in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van wijlen mevrouw [betrokkene] en opvolger van [oud-executeur] ,
5.Het verdere verloop van het geding
6.De verdere beoordeling
Op vragen van de raadsheer-commissaris antwoord ik als volgt:
Op vragen van de raadsheer-commissaris antwoord ik als volgt:
Op vragen van de raadsheer-commissaris antwoord ik als volgt:
Het hof volgt [de erven] daarin niet. [verweerster] heeft [oud-executeur] als executeur gemachtigd op grond van artikel 4:145 BW Pro, zoals in het verweerschrift in hoger beroep ook aangevoerd. Uit de verklaring van erfrecht blijkt dat [verweerster] de executeur [oud-executeur] heeft aangewezen/gemachtigd om bepaalde zaken te regelen rondom de nalatenschap van haar moeder. De machtiging is een standaardtekst en de inhoud van deze machtiging om als executeur op te treden leidt er niet toe dat de kennis van de executeur [oud-executeur] ook de kennis van [verweerster] is (zie ook de Parlementaire Geschiedenis behorend bij artikel 4:194a BW). Het hof rekent de kennis van [oud-executeur] als executeur niet toe aan [verweerster] . Het gaat om (het moment van) de kennis bij [verweerster] zelf als hieronder nader te duiden”.
totalevruchtgebruik in de periode tussen december 2021 en eind juni 2022. In onderdeel 3.3.1. van de tussenbeschikking wordt reeds melding gemaakt van het app-bericht van 22 december 2021 dat [appellant 1] aan [verweerster] heeft gericht, in welk bericht naar het oordeel van het hof ook geen informatie staat die [verweerster] had moeten alarmeren. Er wordt slechts in algemene zin gerept van ‘
informatie’ en ‘
goederen … uit het ouderlijk huis’die in bezit zouden zijn van erflaatster en die [verweerster] wellicht wilde teruggeven.
Hierboven is reeds ten aanzien van het vruchtgebruik als zodanig geoordeeld dat [verweerster] ook niet behoorde te weten dat een (mogelijke) haar onbekende aanspraak bestond.
Voor het gestelde onjuist beheer geldt dit a fortiori: gesteld noch gebleken hoe [verweerster] dit eerder wist dan wel had behoren te weten.
Voor beide (categorieën) aanspraken geldt dat steeds sprake is van een onverwachte schuld voor [verweerster] , waar op zich één onverwachte schuld al voldoende is om een (tijdig gedaan) beroep op artikel 4:194a BW te rechtvaardigen.
zou ik beneficiair aanvaard hebben”.
samenhangend met het vruchtgebruik(schadevergoeding uit onjuist beheer), terwijl onbekendheid met één categorie aanspraak al voldoende is om een beroep te kunnen doen op artikel 4:194a BW.