In deze zaak stond de verdachte terecht voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan een minderjarig slachtoffer. De rechtbank sprak de verdachte vrij van het primair tenlastegelegde en veroordeelde hem voor zware mishandeling. Het Openbaar Ministerie ging hiertegen in hoger beroep.
Het hof constateerde een extreme overschrijding van de redelijke termijn van bijna 52 maanden, terwijl de behandeling van jeugdigen binnen 16 maanden had moeten plaatsvinden. Deze overschrijding was grotendeels toe te rekenen aan het Openbaar Ministerie, dat het dossier pas na lange tijd aan het NFI stuurde voor forensisch onderzoek.
Gezien de positieve ontwikkeling van de inmiddels volwassen verdachte en het pedagogische doel van het jeugdstrafrecht, oordeelde het hof dat verdere vervolging disproportioneel en nadelig zou zijn. Ook de belangen van de slachtoffers konden via de civiele rechter worden behartigd.
Daarom verklaarde het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. De civiele vorderingen van de benadeelden kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden ingediend.