Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, waarin verdachte was veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van het uitvoeren van cocaïne. De advocaat-generaal vorderde een hogere straf van vier jaar, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte.
Het hof verbeterde en vulde de bewijsmiddelen aan, waaronder verklaringen van verdachte en bevindingen van een fysiek onderzoek van een in beslag genomen telefoon. De verdachte, een Litouwse vrachtwagenchauffeur, had op 6 september 2023 een shopper met tien blokken cocaïne in Veghel ontvangen. De politie onderschepte de tas direct uit zijn vrachtwagen.
De verdachte stelde niet te weten dat de tas drugs bevatte, maar het hof achtte zijn verklaringen ongeloofwaardig vanwege wisselingen en het ontbreken van verifieerbare gegevens over een vermeende kennis. Gezien de zichtbaarheid van de drugs en het bewijs achtte het hof bewezen dat verdachte wist van de cocaïne en deze met opzet uitvoerde.
Bij de strafbepaling hield het hof rekening met de ernst van het feit, de maatschappelijke impact van cocaïnehandel en de persoonlijke omstandigheden van verdachte als first offender. Het hof legde een gevangenisstraf van drie jaar op, met aftrek van voorarrest, en bevestigde het vonnis voor het overige.