De man kwam in hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank die de kinderalimentatie voor zijn twee minderjarige kinderen vaststelde. Hij verzocht tevens om schorsing van de uitvoerbaarheid van deze beschikking, maar trok dit verzoek tijdens de mondelinge behandeling in.
Het hof stelde vast dat partijen een gezamenlijke huishouding voerden tot 2022 en dat het netto besteedbaar gezinsinkomen als uitgangspunt voor de behoefte van de kinderen redelijk was. De draagkracht van de vrouw was niet in geschil, maar de man stelde dat zijn draagkracht was verminderd door schuldhulpverlening en baanverlies. Het hof verwierp zijn betoog over schulden wegens onvoldoende onderbouwing en nam de lijfrentebonus mee bij de draagkrachtberekening.
Vanaf 1 november 2024 ontvangt de man een WW-uitkering, wat het hof meeneemt in de draagkrachtberekening. De kinderalimentatie wordt vanaf die datum aangepast naar lagere bedragen. De zorgkorting werd beoordeeld, maar kon door de man niet worden verzilverd vanwege onvoldoende draagkracht. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.