Het geschil betreft de hoogte van de kinderalimentatie voor twee kinderen na wijziging van omstandigheden en de meerderjarigheid van de oudste zoon. De rechtbank had de bijdrage van de man vastgesteld op €289 per kind per maand vanaf 9 februari 2024. De man en vrouw gingen in hoger beroep met verschillende verzoeken tot wijziging van deze beschikking.
Het hof beoordeelde de draagkracht van beide ouders, waarbij het inkomen van de man werd vastgesteld op basis van onbetwiste gegevens van de vrouw. De man had diverse schulden en verplichtingen aangevoerd, waarvan het hof slechts gedeeltelijk rekening hield. De vrouw was volledig arbeidsongeschikt en ontving geen kindgebonden budget, maar kon woonlasten delen met haar partner.
De zorgkorting werd niet toegepast omdat er geen contact was tussen de man en de kinderen. Voor de periode na meerderjarigheid van de oudste zoon werd een nieuw behoefteverweer van de man niet ontvankelijk verklaard wegens strijd met de goede procesorde. Het hof besloot daarom de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen en de verzoeken van partijen af te wijzen.