Deze zaak betreft een hoger beroep van de Raad voor de Kinderbescherming tegen een beschikking van de rechtbank Limburg die het verzoek tot benoeming van tijdelijke voogden over een minderjarige had afgewezen. De moeder van het kind woont op Curaçao en oefent het gezag uit, maar is door praktische beperkingen en afstand tijdelijk niet in staat om het gezag adequaat uit te oefenen.
De minderjarige woont sinds juli 2023 bij de beoogd voogden in Nederland, die de feitelijke verzorgers zijn. De Raad stelt dat de moeder onvoldoende in staat is om tijdig en adequaat gezagsbeslissingen te nemen, mede door taalbarrières, tijdsverschil en gebrek aan kennis van de Nederlandse regelgeving. Dit leidt tot vertragingen in noodzakelijke beslissingen, wat nadelig is voor de ontwikkeling en hulpverlening aan het kind.
Het hof oordeelt dat er sprake is van een gezagsvacuüm en benoemt de beoogd voogden tot tijdelijke voogden over de minderjarige. De beoogd voogden zijn door de raad gescreend en geschikt bevonden. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en het verzoek van de raad wordt alsnog toegewezen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.