ECLI:NL:GHSHE:2025:659

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
12 maart 2025
Publicatiedatum
12 maart 2025
Zaaknummer
23/741
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken schriftelijke machtiging

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant inzake een belastingzaak. De zitting vond plaats op 4 oktober 2024, waarbij de gemachtigde van belanghebbende digitaal verscheen.

Het hof beperkte de behandeling tot de vraag of er een toereikende schriftelijke machtiging was overgelegd. Ondanks meerdere verzoeken en herinneringen heeft de gemachtigde geen geldige machtiging binnen de gestelde termijnen aangeleverd. De enige overgelegde machtiging was niet voorzien van een naam en de handtekening kon niet worden herleid, en werd bovendien ook in andere zaken met verschillende belanghebbenden gebruikt.

Gelet op het ontbreken van een geldige machtiging en het feit dat dit als een verzuim in de zin van artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht wordt beschouwd, verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen aanleiding gezien voor vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak is op 12 maart 2025 in het openbaar gedaan.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige schriftelijke machtiging.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 23/741
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 28 april 2023, nummer SHE 21/3265, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente ’s-Hertogenbosch,
hierna: de heffingsambtenaar.

Overwegingen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid
1. De zitting bij het hof heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar is via een digitale beeld- en geluidverbinding verschenen [naam] (hierna: [naam] ).
2. Het hof heeft partijen voorafgaand aan de zitting schriftelijk geïnformeerd dat de behandeling van de zaak op deze zitting beperkt blijft tot de vraag of er (tijdig) een toereikende machtiging is overgelegd. De heffingsambtenaar is in de gelegenheid gesteld om bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn, maar heeft niet aan het hof laten weten dat hij daarbij aanwezig wil zijn.
3. Het hoger beroep is namens [kantoornaam] . ingediend door [naam] . Het hof heeft [naam] met een brief van 15 augustus 2023 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 12 september 2023 een schriftelijke machtiging aan te leveren. Daarbij heeft het hof vermeld dat het hoger beroep anders nietontvankelijk kan worden verklaard. [naam] heeft daarop geen schriftelijke machtiging aangeleverd.
4. Het hof heeft op 18 september 2023 een herinnering gestuurd en [naam] in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 2 oktober 2023 een schriftelijke machtiging aan te leveren. Daarbij heeft het hof nogmaals vermeld dat het hoger beroep anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
5. [naam] heeft met een brief van 11 september 2023, door het hof ontvangen op 6 oktober 2023, verzocht om de termijn voor het aanleveren van een schriftelijke machtiging te verlengen. [naam] heeft datzelfde verzoek nogmaals gedaan in een brief van 1 oktober 2023, die ook op 6 oktober 2023 door het hof ontvangen is. De betreffende passage uit beide brieven luidt als volgt:
“Terzake de nieuwe volmacht (sec): de recent aangekondigde wijziging van de relevante wetsbepaling(en) alsmede nieuwe jurisprudentie dwingen mij bij u (opnieuw) een uitstel te vragen tot en met (zeker) 31 oktober aanstaande! Stemt u (alvast) in met een termijn die verstrijkt op 30 november aanstaande? Zulks zal een ordentelijk procesverloop bevorderen.”
6. Het hof overweegt dat [naam] geen toereikende machtiging heeft overgelegd binnen de door het hof daarvoor gestelde termijn en ook niet uiterlijk op 30 november 2023. Het dossier bevat slechts een schriftelijke machtiging die [naam] in beroep heeft overgelegd. Deze machtiging is gedateerd op ‘april 2021’, is niet voorzien van een naam en bevat een handtekening die niet is te herleiden naar een naam. Niets wijst er dan ook op dat het om een machtiging van belanghebbende gaat. Gelet daarop heeft het hof verzocht om een schriftelijke machtiging. De rechtbank heeft overigens ook reeds op grond van het ontbreken van een geldige machtiging het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het hof wijst verder op de omstandigheid dat deze machtiging door [naam] ook is overgelegd in twee andere zaken die op de zitting van 4 oktober 2024 zijn behandeld en waarin hij zich als gemachtigde heeft gesteld, te weten de procedures met zaaknummer 23/470 en 23/1114, terwijl sprake is van verschillende belanghebbenden. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het geen schriftelijke machtiging van belanghebbende betreft.
7. Aangezien het ontbreken van een schriftelijke machtiging als een verzuim in de zin van artikel 6:6 Algemene Pro wet bestuursrecht moet worden aangemerkt en [naam] dat verzuim niet heeft hersteld binnen de daarvoor gestelde termijn, zal het hof het hoger beroep nietontvankelijk verklaren. [1]
Conclusie
8. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Voor vergoeding van de proceskosten of vergoeding van het betaalde griffierrecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door M.J.C. Pieterse, raadsheer, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De raadsheer,
R. Camps M.J.C. Pieterse
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2, r.o. 3.3.1 tot en met 3.3.4.